— donderdag 20 februari 2014, 08:46 | 0 reacties, praat mee

‘Het aantal van twintig ontvoerde westerse journalisten is niet compleet’

De ontvoering van twee Franse collega’s in juni 2013, heeft Hans Jaap Melissen sindsdien niet meer losgelaten. ‘Het gebeurde een week nadat ik zelf Syrië had verlaten, over dezelfde weg en in hetzelfde busje.’

‘Ik ben er nog steeds dagelijks mee bezig. Het zit altijd wel in mijn hoofd. Die blik in hun ogen toen ze uit mijn auto werden getrokken.’ Ammar (niet zijn echte naam, red.) knijpt zijn ogen samen. ‘Ik heb er om gehuild.’

Het is begin januari als ik Ammar, een Syrische chauffeur, spreek over twee Franse journalisten die afgelopen jaar zijn ontvoerd in de buurt van Aleppo. De ontvoeringsdreiging voor journalisten is het afgelopen jaar toegenomen tot een niveau dat er nauwelijks meer normaal valt te werken in Syrië. Om Ammar te ontmoeten was ik Syrië in gelopen, maar dat werkte zo op zijn zenuwen dat hij mij mee terugnam naar Turkije. ‘Ik wil gewoon niet meer met jou gezien worden. Er zijn overal spionnen van ISIS en dan ben ik de klos.’

ISIS is de aan Al Qaeda gelieerde militie die in Syrië een streng islamitische staat probeert te stichten. Meer gematigde rebellen proberen hen te verdrijven omdat de beweging wel erg extreem is: ISIS is berucht vanwege intimidatie van gewone burgers, het onthoofden van tegenstanders en het ontvoeren van oppositieactivisten en Syrische journalisten. Ook veel van de ruim twintig ontvoeringen van Westerse journalisten worden toegeschreven aan ISIS. Al wordt van een paar, ook weer langdurige gijzelaars, gedacht dat zij in handen zijn van het regime. Zoals bijvoorbeeld de Amerikaan Austin Tice, verdwenen in augustus 2012.

De twee Franse journalisten die uit Ammar’s busje zijn getrokken zijn Edouard Elias en Didier François. Elias is een beginnend fotojournalist, en François een ervaren journalist van radiostation Europe 1. Het is 6 juni 2013, midden op de dag, als het mis gaat, vertelt Ammar: ‘Ik had hen opgepikt bij de Turkse grens en we gingen naar Aleppo. Het bizarre is dat ze er eigenlijk maar heel kort heen wilden om zich te oriënteren. Ze waren namelijk nog aan het wachten op de rest van hun bagage: hun koffers waren niet aan boord van de vlucht waarmee ze in Zuid-Turkije waren gearriveerd. Het moest daarom even een middagje Aleppo worden.’

Het lijkt in eerste instantie een ontspannen rit door kleine Noord-Syrische dorpen, waar nog wel eens een bom valt, maar die begin juni eigenlijk werden gezien als ‘saai’. In Aleppo begint de oorlog pas echt en moet je erg op je hoede zijn.

Maar de landelijke rust bedriegt. Net buiten Marea, een kleine plaats vlakbij Aleppo, staan vier gewapende en gemaskerde mannen op de weg, vertelt Ammar. ‘Ze dwingen mij te stoppen en sleuren vrijwel meteen de Fransen uit mijn busje.’ Ammar wordt gesommeerd weg te rijden zonder om te kijken. In nog geen minuut is de ontvoering gelukt. ‘Ik ben weggereden, maar ook weer omgekeerd. Ik heb nog rondgekeken of ik ze zag. Tevergeefs. Toen ben ik naar een post van de rebellen gereden voor hulp, maar die sloten mij meteen op omdat ze dachten dat ik er zelf mee te maken had. ‘Ik zei nog: je mag dat denken, maar ga dan op z’n minst naar hen op zoek. Maar toen was er al veel tijd verloren gegaan.’

Ammar had in de laatste blikken van de Franse journalisten hetzelfde gezien als bij de rebellenpost: wantrouwen. Had hij er misschien zelf iets mee te maken? Het zou niet de eerste keer zijn dat een journalist door zijn tolk of chauffeur in de val wordt gelokt.

‘Dat vind ik vreselijk. Ik snap best dat mensen zo denken. Maar hoe kan ik bewijzen dat het niet zo is?’ Ammar vertelt dat hij iets eerder die dag is ingehaald door een auto met daarin mogelijk de ontvoerders. ‘Een eindje voor Marea reed een auto mij snel voorbij. Die leek erg op de wagen die op de plek stond waar ze ons tegenhielden.’

Ammar vermoedt dat hij al vanaf de grens in de gaten is gehouden. Journalisten gingen in die tijd eerst langs bij een perscentrum, dat een van de eerste gebouwen is, net in Syrië. Daar recht tegenover is een vluchtelingenkamp. Iemand die hier wil rondhangen om te kijken welke westerlingen er arriveren, kan dat volkomen onopvallend doen. In het rommelige douanegebied ­lopen overal mensen rond. De spion kan aan handlangers verderop doorbellen dat er weer een auto met journalisten aan komt.

De ontvoering van de Fransen heeft mij sindsdien niet meer losgelaten. Het gebeurde ruim een week nadat ik zelf Syrië had verlaten, over dezelfde weg en in hetzelfde busje. Alleen had ik Ammar’s broer als chauffeur: ze reden om de beurt.

Bij beschietingen en bombardementen hoor je vaak ‘dat had mij ook kunnen gebeuren, want wij waren daar drie dagen geleden nog’. Maar dat soort constateringen zijn voor mij eerder een bewijs van de statistisch lage kans dat jij precies op het moment van ontploffing op die plek bent.

Het lot van de Fransen daarentegen bezorgde mij wel het gevoel dat ik mogelijk ontsnapt was aan een ramp. En vooral het gevoel dat ik ben gered door mijn reportage voor EenVandaag: ik volgde daarin Wijbe Abma, een Nederlandse hulpverlener die in een vrachtwagen met hulpgoederen de grens over stak. Ik reed dit keer mee Syrië in, hoog in de cabine, onzichtbaar voor eventuele spionnen aan de grens die hun handlangers konden tippen.

In eerste instantie was de ontvoering van de Fransen voor mij wat de rode vlag is bij de Formule 1: ik dacht dat ik moest stoppen. Al Qaeda boekte in die tijd steeds meer terreinwinst en het werd algauw duidelijk dat het onverantwoord was om nog langer zomaar rond te rijden in Noord Syrië.

Deze zaak betekende dat de jacht op de journalistiek volledig was geopend. Natuurlijk waren er daarvoor ook al zo’n vijftien journalisten ontvoerd in Syrië, maar dat was toch bijna allemaal gebeurd in ingewikkelder omstandigheden dan hier. Dit was op klaarlichte dag, op een route waar veel checkpoints van ‘gewone’ rebellen waren.

Toch ging ik een paar maanden later wel weer, maar met een veel beperktere actieradius. Opvallend vond ik dat voor andere journalisten deze ontvoering geen reden was om hun bewegingsvrijheid drastisch in te perken. Een paar weken na de Fransen werden er twee andere Franse journalisten ontvoerd. Weer wat later twee Spanjaarden die veilig dachten te opereren door met bewapende rebellen als bewakers op stap te gaan.

Zelf was ik begin september weer terug in Syrië, maar ik durfde niet meer naar Aleppo. De ritten door andere plaatsen waren al zenuwslopend genoeg. Je kreeg het gevoel dat je niemand meer kon vertrouwen. Toen mijn chauffeur ineens ergens een andere dan de geplande weg nam, merkte ik dat ik toch heel even wantrouwend werd naar de man die mij juist zo vaak had beschermd.

Wat de angst vooral zo groot maakt is de uitzichtloosheid van deze ontvoeringen, in een oorlog waarbij sowieso alle grenzen van het oorlogsrecht allang ruim zijn overschreden.

Een gruwelijk kenmerk van de meeste ontvoeringen lijkt dat er niet wordt onderhandeld. Je bent ontvoerd, gevangen, opgesloten en dat is het.

Iets meer inzicht in het ontvoeren om het ­ontvoeren geeft het ontsnappingsverhaal van de journalist ­Matthew Schrier. Wie zijn verhaal hoort, kan zich alleen maar ernstige zorgen maken over de rest van de ontvoerden. Matthew werd op oudejaarsdag 2012 ontvoerd en zat vast tot hij in juli 2013 kon ontsnappen. Zijn ontvoering was ook stil gehouden, al werd er op geen enkele manier onderhandeld over zijn lot.

Het enige wat zijn ontvoerders, leden van een extremistische groep, hadden gedaan, was zijn wachtwoorden voor zijn e-mail en bankrekeningen opeisen. Ze sluisden geld weg en verstuurden geruststellende mails naar zijn moeder. Die zaten zo vol taalfouten dat zijn moeder begreep dat er iets ernstigs mis was. Schrier werd meerdere keren gemarteld. Uiteindelijk kon hij ontsnappen door via de schouders van een medegijzelaar uit een kelderraampje te klimmen.

De naam van die andere gijzelaar, die helaas niet door het raampje paste, houdt Schrier geheim. Het zou een Amerikaan zijn die nog langer gegijzeld was dan hij en die er niet meer zo best aan toe was. De vraag dringt zich op wat de ontvoerders hebben gedaan met de achtergebleven gijzelaar toen ze de ontsnapping van Schrier ontdekten.

Schrier had geluk dat hij met hulp van andere rebellen Turkije wist te bereiken. De situatie in Syrië is nu zo chaotisch dat zelfs je ontsnapping of vrijlating nog geen garantie is voor een veilige thuiskomst: je zou op weg naar de grens zomaar door een concurrerende groepering kunnen worden vastgezet. Ook moet je tijdens je gevangenschap hopen dat het gebouw waarin je zit niet wordt platgebombardeerd. Dat zou er zelfs toe kunnen leiden dat er nooit meer wat van je wordt vernomen.

Het aantal van twintig ontvoerde Westerse journalisten is niet compleet. Ik ken ontvoeringen die niet op het officiële lijstje staan, dus ligt het getal hoger. In de niet vermelde gevallen wil de familie stilte, een vraag die je respecteert. Al kun je steeds meer twijfelen of die stilte nog wat uitmaakt als de daders niet van plan zijn te onderhandelen over het lot van hun buit. Of misschien houden zij rekening met een toekomstig scenario waarbij de gijzelaars wel ingezet kunnen worden: om gevangenen vrij te krijgen, geld te ontvangen of om mee te dreigen als Al Qaeda in Syrië zelf door Westerse drones aangevallen gaat worden.

Intussen gaan er vrijwel geen journalisten meer het land in, tenzij ze een visum krijgen van de overheid. Dat visum zit er voor mij en vele anderen niet in, waarschijnlijk juist door die illegale bezoeken aan het rebellengebied. Een beetje Syrië in, zoals ik in januari een paar keer deed, kan nog. Ook zijn diverse Koerdische gebieden bereikbaar, al is de situatie daar ook niet altijd even betrouwbaar.

Mogelijk maak je als vrouwelijke journalist met donkere ogen en dito haar nog de beste kans om veilig Aleppo te bereiken: bij veel checkpoints van Al Qaeda laten ze vrouwen met rust. Maar dat vergt een moed die weinigen gegeven is.

Net als Ammar denk ik dagelijks aan de ontvoerde collega’s en in het bijzonder deze Fransen. ‘We moeten blijven hopen op een goede afloop.’ zei de vader van Didier François onlangs nog. Hun vrijlating zou in ieder geval ook de afgrond waarlangs ik gevoelsmatig voor die EenVandaag reportage reed, weer net wat minder diep maken.

cop 2019

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.