— donderdag 27 januari 2011 10:20 | 1 reactie , praat mee

Een collectief gebrek aan nieuwsgierigheid?

Vanmiddag huldigt Villamedia Robert Chesal en Joep Dohmen als Journalist van het Jaar 2010 vanwege hun onthullingen over kerkelijk seksueel misbruik in Nederland. Het misbruik bleek massaal, zo weten we nu, en een publiek geheim. Dohmen probeert een antwoord te vinden op de vraag waarom journalisten niet eerder in deze zaak doken.

Laatste wijziging: 15 februari 2011, 10:29

Het was redacteur Nol Schreurs van de Maas- en Roerbode in Roermond die de jonge verslaggever Piet Tummers in de jaren ’50 van de vorige eeuw een levenswijsheid meegaf: pis niet tegen een toog, want die wordt nooit droog. Tummers wist wat er van hem verwacht werd: van autoriteiten bleef je af. En de katholieke kerk was heilig.

Tummers werkte in een Limburg dat geregeerd werd door de Katholieke Volks­partij en de Rooms-Katholieke Kerk. De Limburgse dagbladen maakten deel uit van het verzuilde machtssysteem. Hun rol varieerde van kritiekloze boodschapper van het gezag tot moraliserende zedenmeester. Het zou nog tot de jaren ’80 duren voordat de meeste kranten zich losgeweekt hadden van kerkelijke of politieke invloeden.

Het was rond deze tijd dat ik meende dat ik journalist moest worden. Ik aanvaardde een baan als verslaggever bij dagblad De Limburger te Maastricht. De toenmalig, maatschappijkritische hoofdredacteur Hans Koenen stelde mij begin jaren ’90 ruimschoots in de gelegenheid om tegen vele togen te pissen, en aanhoudend te berichten over bestuurlijke en ambtelijke misstanden.

Vier jaar lang waren collega Henk Langenberg en ik druk met het ontrafelen van de al te warme banden tussen openbaar bestuur en bedrijfsleven. Ons onderzoek leidde tot ontslagen burgemeesters, wethouders en hoge ambtenaren, tot strafrechtelijke veroordelingen, een transparant aanbestedings­beleid, arresten over het recht van de pers om bronnen geheim te houden en tot veel woede bij de autoriteiten.

Wat Henk en ik onthulden was al jaren een publiek geheim. In het tegenover de krant gelegen café De Bóbbel kon de barkeeper Nico moeiteloos vertellen welke wethouder te koop was, welke burgemeester vaker gratis op reis ging en welke hoge ambtenaar laatst nog op kosten van welke projectontwikkelaar naar welk bordeel geweest was.

Hoe kwam het dat dit publiek geheim niet eerder nieuws was en aanleiding tot grondig onderzoek?

Het antwoord op die vraag begint bij de jonge journalist Tummers. Het beleid van de kranten was tot 1970 in handen van hoofdredacties die door de katholieke elite waren uitgezocht op gezagsgetrouwheid en standvastigheid in hun geloof. De Heerlense burgemeester Van Grunsven was van 1947 tot 1969 aandeelhouder en commissaris van het in zijn woonplaats verschijnende Limburgs Dagblad. Hij aarzelde niet de directeur-hoofdredacteur te bellen wanneer een bericht hem niet aanstond.

Van 1957 tot 1962 was KVP-Kamerlid Jan Peters tevens hoofdredacteur van De Nieuwe Limburger. Die krant had in de statuten van de vennootschap staan dat ‘slechts personen die katholiek zijn’ directeur, commissaris of hoofdredacteur konden worden. Het artikel werd in 1982 geschrapt, samen met andere katholieke franje.

Journalisten werden niet uitgezocht omdat ze uitblonken door hun pen of vanwege hun kritische houding. Eind jaren ’60 ondertekenden ze bij hun aanstelling bij een van de Limburgse kranten nog trouw een verklaring dat ze de richtlijnen van de Rooms-Katholieke Kerk zouden volgen en politiek in de pas zouden lopen met de hoofdredactie.

Dat een publiek geheim over een burgerlijke of kerkelijke autoriteit geen nieuws werd, kwam dus omdat de meeste journalisten niet onafhankelijk waren, of konden zijn. Tot de jaren ’80 was dat een collectief excuus om niet te schrijven over de misstappen van de burgemeester of de pastoor.

In dat klimaat kon het gebeuren dat journalisten in Limburg deel uitmaakten van wat later ‘de Vriendenrepubliek’ is gaan heten. Uit het onderzoek van Henk en mij bleek dat sommige collega’s niet alleen weinig speurzin hadden gehad. Journalisten schreven ook verkiezingsprogramma’s voor het CDA, mochten mee naar het bordeel of waren simpelweg te koop. Wij ontmaskerden en passant de chef van een regioredactie die paginagrote artikelen over een bouwbedrijf had geschreven in ruil voor kozijnen in zijn nieuwe woning.

De houding van ‘veel weten en weinig schrijven’ kwam ik tegen bij collega-journalisten in veel sectoren waarover ik afgelopen jaren schreef. Bijvoorbeeld in de sport­wereld. Toenmalig collega John Hoofs en ik onthulden in 1997 een dopingschandaal in de wielrennerij. Wij schreven over een Nederlandse arts die aan een hele rij sporters stimulerende middelen had verkocht en toegediend. Voor het eerst in Nederland werd het zo concreet.

Natuurlijk was er een hele schare sport­journalisten die dit al lang wist maar verzuimd had op te schrijven. Omdat ze deel uit maakten van een te klein circuit, omdat ze bang waren uit het circuit te worden gezet en hun nieuwsbronnen te verliezen.

Ik zag het toen ik in 1999 in Brussel onderzoek deed naar de interne gang van zaken in het Europees Parlement. Sommige Europese correspondenten, die vaak lang op hun post zaten, vereenzelvigden zich met het Europa dat ze in de gaten zouden moeten houden. Ze feesten en reisden mee, traden op als ghost writers voor Europarlementariërs, schnabbelden bij een van de Europese instituties en stelden weinig kritische vragen. Onthullingen over driedubbele pensioenen en oma’s die als persoonlijk medewerkster van Europarlementariërs op de loonlijst figureerden, kwamen niet van deze correspondenten. Die kwamen van onderzoeksjournalisten.

Voor een deel van de journalisten van de laatste katholieke media die Nederland nu nog heeft, geldt dat ze zijn vervlochten met hun onderwerp. Ik ben collega’s tegen­gekomen die zich sterk vereenzelvigen met de Kerk of anderszins onvoldoende onafhankelijk en kritisch zijn.

Dat geldt natuurlijk niet voor andere kranten, omroepen, weekbladen of persbureaus. Waarom duurde het dan toch tot februari vorig jaar voordat de storm over kerkelijk seksueel misbruik losbrak in Nederland? Waarom wachtte ik tot Robert Chesal van de Wereldomroep mij belde en wij een pact sloten om het kerkelijk misbruik in Nederland aan te tonen? Een pact dat, zoals u gemerkt zult hebben, vruchtbaar was.

Laat ik nuanceren. Het is niet zo dat de media vóór die tijd stil zaten. Journalisten en programmamakers als Hans Koekoek en Ber Crouzen publiceerden al in 1982 en 1994 over misstanden op katholieke internaten en scholen.

Ook rond 2002, toen de berichten uit Ierland kwamen, was er journalistieke aandacht. In tegenstelling tot zoveel jaar eerder werd het nieuws toen – gelukkig – niet genegeerd. In de media verschenen berichten over de misstanden in de Kerk in de VS, Canada en Ierland. Journalisten waren dus onafhankelijk, maar tot een hausse aan berichten over de situatie in eigen land kwam het niet.

Natuurlijk was er ook in 2002 journalistiek pionierswerk. Enkele televisieprogramma’s toonden gevallen van seksueel misbruik binnen de Kerk in Nederland. Maar het bleven losse verhalen, incidenten. In 2002 deden ook Guido de Vries en ik voor NRC Handelsblad twee maanden onderzoek. Ook wij berichtten over gevallen van kerkelijk misbruik, vooral in parochies. Anders dan in februari vorig jaar werden deze berichten niet breed opgepakt. Destijds liet de pers in Nederland het erbij zitten.

Ik wil dat verduidelijken. Ik reken het mijzelf aan dat ik niet al in 2002 het katholieke internaatssysteem heb onderzocht. Hoewel ik destijds ook meldingen uit kostscholen en internaten had, was ik gefocust op pastoors en kapelaans die zich in parochies vergrepen hadden. Inmiddels weten we dat juist in het internaatssysteem de meeste slachtoffers vielen.

Ik reken me ook aan dat ik in de late herfst van 2009 niet zelf op het idee kwam om een diepgaand onderzoek te beginnen naar het misbruik toen de berichten over misstanden op katholieke internaten in Duitsland ons bereikten. Pas in februari 2010 – toen Robert mij belde – kwam ik in actie. Hij had een interview gehad met een oud-internaatsleerling en vroeg mij om nadere informatie. Hij wilde weten of de man – die zei misbruikt te zijn – een incident was of symbool stond voor een breder probleem. En dat was de juiste journalistieke vraag.

Het misbruik bleek massaal, zo weten we nu, en inderdaad een publiek geheim. Achteraf vertellen velen hoe zij al langer wisten van individuele gevallen.

Dat de journalistiek in Nederland niet eerder massaal op onderzoek uitging in internaten, mag je de journalistiek aanrekenen. Hierin bevinden journalisten zich overigens in het gezelschap van kerkhistorici. Tal van wetenschappers onderzochten jaar in jaar uit de katholieke kerk en de internaten. Schreven er boeken over, al dan niet op kosten van diezelfde Kerk overigens. Ze zijn soms lid van de Kerk, promoveerden op kosten van de Kerk of zijn anderszins gebonden. Niet één Nederlandse wetenschapper zag afgelopen tien jaar in de stroom misbruikberichten uit het buitenland aanleiding om zich de nieuwsgierige onderzoeksvraag te stellen: heeft dat massale misbruik ook in Nederland plaatsgevonden?

Uiteindelijk zijn deze wetenschappers ingehaald door ons journalisten. Dat is onze troost. Dankzij de inspanningen van de media weten we inmiddels dat ook op katholieke internaten in Nederland kinderen structureel seksueel misbruikt en mishandeld zijn.

Dat het kerkelijk misbruik vorig jaar uitgroeide tot een mediastorm, komt ook omdat slachtoffers massaal bereid waren te getuigen. Bovendien was even voor onze onthulling in februari de publieke opinie gesensibiliseerd. Dat gebeurde door het nieuws dat priesters weigerden hosties te geven aan homoseksuele gelovigen. Toen kort daarna bleek dat priesters aan kinderen gezeten hadden, en dat kerkleiders dat had­den toegedekt, was het land al snel te klein.

Ik sluit af met de conclusie dat journalisten aanvankelijk een gebrekkige nieuwsgierigheid hadden in de affaire rond het seksueel misbruik in de Kerk. En nieuwsgierigheid is misschien wel de belangrijkste professionele eigenschap voor een journalist. Een collectief gebrek daaraan leidde ertoe dat het zolang duurde voordat we weten wat we nu weten.

Dit opiniestuk is een ingekorte versie van de uitgesproken tekst tijdens het KIM-college 2011.

Bekijk meer van

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee

1 reactie

Anna Zayer-van Ammelrooy, 28 januari 2011, 11:32

We kunnen het gebrek aan nieuwsgierigheid (naast journalistieke corruptie en belangenverstrengeling) misschien nog bondiger samenvatten door te stellen dat Nederlandse media bij hoge uitzondering aan “campagnejournalistiek” doen (zoals bijvoorbeeld The Sunday Times jarenlang de softenon-slachtoffers journalistiek bleef steunen met artikelen, onderzoek, aandacht op de voorpagina etc.).
Het niet oppakken van onderzoeksjournalistieke scoops van anderen, is meer regel dan uitzondering in Nederland. Ik weet niet beter, het is heel erg not done hier om alle media extra te alarmeren over je eigen werk. We zouden nu een website kunnen bouwen waar journalisten hun scoops en de resultaten van onderzoeken zelf kunnen uploaden (korte intro met link naar artikelen, tv-programma’s etc), om collega’s het bijhouden van tientallen media te besparen.