foj 2019

— dinsdag 3 september 2019, 11:15 | 0 reacties, praat mee

De hordes die een correspondent in China dagelijks moet nemen: ‘Bij het zien van de J op mijn visum gaan alle alarmbellen af’

© Maaike Putman

Journalisten krijgen in China alle ruimte – tot ze aan het werk gaan. Dat is de ervaring van Eefje Rammeloo die sinds 2014 als correspondent in het land werkzaam is. ‘President en partijleider Xi Jinping beschouwt de buitenlandse pers als een bedreiging, maar laat het smerige werk aan de lokale autoriteiten.’

De banden slippen in de bocht. Een stapeltje papieren schuift van het dashboard op schoot bij de monnik in de bijrijdersstoel. De weg slingert verder omlaag en ik voel mijn oren ploppen. Een grauwsluier van natte sneeuw belemmert het zicht op de volgende berg. Ik vertel mezelf dat de Tibetaan achter het stuur deze slingerweg vaker rijdt.

We haasten ons vanuit het hooggebergte in de provincie Qinghai, naar het stadje beneden. Het politiebureau sluit om zes uur en we moeten ons voor die tijd melden. Achterin de auto merk ik dat ik helemaal niet meer opkijk van zo’n eis – het hoort bij verslag doen vanuit China.

Diezelfde maand maak ik een reportage aan de rand van de Gobiwoestijn. ’s Avonds laat belt de politie naar mijn hotelkamer. Of ik nog eens wil bevestigen wanneer ik het land binnenkwam, wie mijn paspoort heeft afgegeven, wat mijn plannen zijn, en wanneer ik weer vertrek.

Een heel gebruikelijk belletje. Hotels zijn verplicht de aanwezigheid van buitenlanders bij de lokale politie te melden – en bij het zien van de ‘J’ op mijn visum gaan alle alarmbellen af. Ik mocht dit keer gewoon doorslapen, maar een collega vertelde hoe hij midden in de nacht het hotel werd uitgezet.

In Shanghai ben ik redelijk vrij om te gaan waar ik wil. Pas als ik de stad uit ga, houdt de politie me in de gaten. De ene keer rijdt een politieauto achter mijn taxi aan, en kijken agenten vanaf een afstandje hoe ik met dorpsbewoners praat. De andere keer krijg ik een legertje mannen in burgerkleding achter me aan.

Het zag er zo goed uit, in 2008. China organiseerde de Olympische Spelen, en schafte de regel af dat buiten­landse journalisten toestemming moesten vragen om het land in te trekken. Dat memo kwam niet aan bij lokale autoriteiten, óf ze wierpen hem rechtstreeks in de prullenbak.

Zoals vaker in China is de regelgeving niet het probleem – het draait om de handhaving. Inge Schouten ontdekte in haar masteronderzoek ‘Het Olympisch vuur voor journalistiek in China’ (Universiteit Leiden) dat sinds 2012 vaker over lokale regels wordt gesproken “terwijl die eerder niet leken te bestaan”.

President en partijleider Xi Jinping beschouwt de buitenlandse pers als een bedreiging, maar laat het smerige werk aan de lokale autoriteiten: journalisten buiten houden. Het valt lokale leiders soms niet kwalijk te nemen. Van al die propaganda die waarschuwt voor bezoek van buiten, zou een Nederlandse ambtenaar misschien ook wel in de stress schieten. Maar ga je verhaal halen bij een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dan doet die alsof zijn neus bloedt.

Vijf grote lichamen omsingelen me

Dat maakt van journalistiek bedrijven in China zenuwen­werk – ga je de stad uit, dan weet je nooit waar je aan toe bent. Zo ben ik voor een verhaal over China’s aanpak van armoede, op weg naar een piepklein dorpje in de zuidelijke provincie Yun’an, als bij een tussenlanding mijn telefoon gaat. De dorpsleiding, de lokale autoriteiten – iedereen is op de hoogte, maar nu hoort de regionale leider over mijn komst. Ik leg uit dat ik kom kijken naar een specifiek project. Ik vlei, want het is een mooi voorbeeld van het Chinese anti-armoedebeleid. Daar, op het vliegveld van een provinciestadje, slaat de onzekerheid toe. Ik heb reiskosten geïnvesteerd – als ik met met lege handen thuiskom, krijg ik niets vergoed van mijn opdrachtgevers. Ik vlieg tóch door, en gelukkig kan ik een mooi verhaal maken.

Je wordt verrassend flexibel en creatief van dit soort tegenslagen, maar het vreet energie. Sinds Xi Jinping aan de macht is, is er van het optimisme uit 2008 weinig meer over. De jaarlijkse enquête van de vereniging voor buitenlandse journalisten in China (FCCC) spreekt boekdelen. In 2016 vond 29 procent van de 112 mensen die de enquête invulden, dat de situatie verslechterde; vorig jaar was dat 55 procent.

De jaarverslagen staan vol angstaanjagende anekdotes van journalisten die bespioneerd zijn, klappen kregen of bedreigd werden. FCCC-voorzitter Hanna Sahlberg merkt terecht op dat veel verhalen misschien wel nooit verteld worden door intimidatie en bangmakerij. “Door bredere surveillance en druk op bronnen stoppen journalisten nog vóór ze ter plaatse komen om verslag te doen.”

Terug naar het hooggebergte in de provincie Qinghai.Al slingerend door de bergen krijgt de monnik in de bijrijdersstoel het ene na het andere telefoontje. Een heel bataljon aan veiligheidsdiensten lijkt daar beneden, in de vallei op ons te wachten. Ik kan er mijn schouders over ophalen: mijn hoofd en mijn aantekenboekje zijn vol – als de politie me nu terugstuurt naar Shanghai, dan is dat geen ramp. Maar dit gaat niet om mij. Voor de monniken die de moeite nemen hun werk te laten zien, is het van levensbelang dat ze op goede voet blijven met de lokale autoriteiten.

Van de 1,3 miljard Chinezen zijn er genoeg die willen vertellen wat ze bezighoudt – met of zonder hindernissen. Zo stond een activiste me te woord vanuit een politieauto. Agenten waren haar komen halen toen ze van onze belafspraak hoorden. En ouders aan de poort van een kinderziekenhuis deden alsof ze de agenten in burger­kleding niet zagen. Ze vertelden dat ze geen tweede kind wilden, ondanks de afschaffing van het eenkindbeleid. Een onschuldig onderwerp, maar het ziekenhuis had toch maar wat mannetjes opgetrommeld.

Instanties zijn minder onverschrokken. Zo verzette een lokale afdeling van de Communistische Partij in allerijl een openbare lezing door een lokale partijbons nadat mijn assistent belde om ons aan te melden. Wij hoorden dat natuurlijk pas toen we ná de lezing binnenkwamen. 

Ongeveer 40 procent van de Chinese bevolking woont níet in een stad. De vrijheid om hen op te zoeken, neem ik met beide handen aan. Ook in de veelbesproken provincie Xinjiang, waar de Oeigoeren, een islamitische minderheid onderdrukt worden, mag je als journalist (anders dan in de Tibetaanse Autonome Regio) vrij rondreizen. Maar ‘vrij’ is een rekkelijk begrip – agenten ter plekke bepalen wat wel en niet mag.

In Kashgar, in het zuiden van Xinjiang, loopt permanent een legertje mannen in burgerkleding achter me aan. Als ik een toerist aanspreek, positioneert een van mijn ‘volgers’ zich pal achter mijn gesprekspartner. Luistert hij mee? Bedreigt hij de vrouw? Of mij?

Als ik later zonder reden wordt aangehouden door een Engels sprekende agent, verlies ik mijn geduld. Een beetje gepikeerd loop ik door. Achter me hoor ik hem roepen dat de mannen ‘dichtbij’ moeten blijven. Vijf grote lichamen omsingelen me en manoeuvreren zich tussen mij en een taxi die ik wil aanhouden. Ik loop hard maar ze blijven voor, naast en achter me lopen. De agent roept ondertussen dat hij het ministerie belt om acuut mijn visum in te laten trekken. Hij is inderdaad aan de telefoon – ik weet niet met wie.

De overheid verkoopt alle restricties als ‘veiligheids­maatregelen’. Het is voor ons eigen bestwil dat ze ons ervan weerhouden naar het straatarme platteland, naar illegale mijnen of een separatistische regio te gaan. Bij veel Chinezen werkt die propaganda wel. Als ik dit later aan een Chinese vriendin vertel, kijkt ze me stomverbaasd aan. ‘Waren ze daar in het westen vriendelijk tegen buitenlanders? Was het niet gevaarlijk?’ Weet zij veel dat het gevaar van haar eigen politie komt.
Een aantal mannen volgt me tot ik terug ben in Shanghai, en nog dagenlang heb ik het gevoel dat er iemand achter me loopt.

Er is zo veel over dit land te vertellen. Goede dingen, dingen die minder goed gaan, en regelrechte drama’s. Het is belangrijk om te vertellen wie de Chinezen zijn, hoe ze denken, en wat ze belangrijk vinden. We missen ‘cruciale kennis’ om beleid mee te maken, zei de Nederlandse ambassadeur in Beijing in een interview in de Volkskrant, eerder dit jaar.
In een poging wat aan dat gemis te doen, maak ik in het najaar een portret van Xi Jinping. In het dorp waar Xi zijn tienerjaren doorbracht, neemt de politie me bij aankomst meteen mee naar het bureau. Na een verhoor mag ik vrij rondlopen op voorwaarde dat ik de aangeboden gids, een student met een rond brilletje, meeneem.

‘Als ik buitenlandse kranten lees, is het altijd kwaad­sprekerij. Er moet respect zijn’, vindt de jongen. Hij kijkt over mijn schouder mee als ik iets opschrijf en ik mag geen foto’s maken. Bij de uitgang vlucht ik een wc in, waar ik boven een bruin besmeurd sta-toilet razendsnel notities in mijn telefoon tik.

Beijing bepaalt graag zelf hoe de wereld naar China kijkt. Via propaganda, door journalisten mee te nemen op tripjes naar bedrijven en regio’s die ze graag wil laten zien, en door andere gebieden en sectoren af te schermen. Door de verkrampte vingers van de autoriteiten, zie ik Chinezen die graag hun land laten zien, en willen vertellen over hun trots, hun zorgen en hun wensen.
 
Zo ook de Tibetaanse monniken in de provincie Qinghai. Om tien voor zes rijden we in vliegende vaart het dorpje binnen. Aan de balie van het hotel staat een slungelige, piepjonge agent te wachten. Met z’n allen buigen we ons over de formulieren. ‘Buitenlanders komen wel eens in de problemen’, zegt de agent. ‘Het is belangrijk om te weten wie ze zijn.’ Hij haalt mijn paspoort uit het kopieerapparaat en reikt het me aan. ‘Sorry voor het gedoe’, zegt hij met een vriendelijk knikje.

Eefje Ramme­loo (1979) vertrok in 2014 naar China. Vanuit alle uithoeken van het land doet ze verslag voor onder meer Trouw, Elsevier, Weekblad, VPRO Bureau Buitenland en tal van andere media. In 2017 kwam haar boek ‘Het Geluk van de Chinezen’ uit. Voor haar vertrek naar China reisde ze de wereld rond als freelance verslaggever en werkte ze op de buitenlandredactie van de NOS. Rammeloo studeerde geschiedenis van de internationale betrekkingen (MA) en journalistiek (BA) in Utrecht.

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.