— vrijdag 14 december 2012, 14:30 | 0 reacties, praat mee

Journalist van het Jaar 2012: Hans-Jaap Melissen

© Truus van Gogh

Hans Jaap Melissen is sinds vijftien jaar internationaal correspondent. Specialisatie: oorlog, politieke crises en rampen. Aanvankelijk voor de Wereldomroep maar sinds 2012 volledig freelance voor radio, televisie en weekbladen. ‘Toen ik in 1991 tijdens de Golfoorlog naar de beelden keek dacht ik: dit kan ik, dit wil ik en ik denk dat het me wel zal liggen.’

Woensdag 5 december, de dag na dit interview, is belangrijk voor Hans Jaap Melissen (44). Naast pakjesavond is er de 2e verjaardag van zijn zoon en gaat hij trouwen. ‘Een baliehuwelijk’, noemt hij het. ‘Om alles geregeld te hebben. We hebben er bewust geen groot feest van gemaakt omdat ik nooit zeker weet wanneer ik thuis ben.’

Als dit interview verschijnt, zit Melissen alweer in Syrië (Aleppo), waar hij tal van reportages maakte en waar hij dit voorjaar binnenging op het moment dat de meeste internationale journalisten er vertrokken omdat het te gevaarlijk leek. Het leverde hem een ‘gedoetje’ met NOS Nieuws op, omdat ook de redactie het te gevaarlijk achtte.

Melissen: ‘Ik had het tij tegen. Marie Colvin (The Sunday Times) was net omgekomen in Homs en de meeste journalisten waren via Libanon het land binnengegaan. Daar was het gevaarlijk. Maar ik was inmiddels naar Turkije gevlogen, en vanuit daar was het veel minder gevaarlijk om Syrië binnen te komen.

Ik tweette - quasi grappig - dat het nu steeds nieuws was dat journalisten uit Syrië vertrokken, en vroeg me hardop af of het ook nieuws zou zijn als ik het land in ging. Ik kreeg meteen de NOS aan de lijn. Ze zeiden: “Als je naar Syrië gaat, willen we niet met je werken.” Ze dachten waarschijnlijk dat ik nog in Libanon zat. Het besluit was al genomen. Ik denk dat ze oprecht bezorgd waren. Het werd een hele discussie. Ik zat via Skype in De Wereld Draait Door. Het werd groot buiten mij en de NOS om.

Maar toen ik terug was kreeg ik een telefoontje van hoofdredacteur Marcel Gelauff van NOS Nieuws dat hij met me wilde praten. Dat was een heel goed gesprek. We hebben elkaars meningen gehoord en nieuwe afspraken voor de toekomst gemaakt. Ik ben sindsdien alweer voor ze naar Aleppo geweest. Ik houd ze nu wat meer op de hoogte van mijn bewegingen. Als freelancer vergeet je dat wel eens. De waarheid over oorlogen verdicht zich hier altijd. Dat geldt zelfs voor mij.

Ik ben vaak angstiger vooraf, hier in Nederland. Maar als ik mijn koffer inpak om naar een oorlogsgebied te gaan dan vergeet ik één ding, en dat is de angst. Die laat ik thuis. Althans de onnodige angst. Niet de angst die opspeelt bij signalen die aangeven dat er werkelijk gevaar is. Maar er is ook veel angst die in je hoofd wordt verzonnen.’

Wanneer besloot je oorlogsverslaggever te worden?

‘Toen ik tijdens de Golfoorlog van 1991 naar de televisie keek dacht ik: dit kan ik, dit wil ik en ik denk dat het me wel zal liggen. Ik had ook al het idee dat het wel anders kon. Ik ben altijd tegen theatraal gedoe geweest, zoals dat veel in Amerika voorkomt. Tijdens mijn studie Amerikanistiek ging ik vrijwillig aan het werk voor de lokale omroep. Ik deed een beroep op de Wet Gewetensbezwaren, waardoor ik een vervangende dienstplicht moest verrichten bij een non-profit organisatie.

Ik deed dat bij de regionale omroep Radio Utrecht. Daar heb ik heel veel geleerd, maar ik wist inmiddels dat ik oorlogsjournalistiek wilde doen. De toenmalig directeur Barend de Ronden - die eerder als directeur van de Ikon de dood van vier journalisten in El Salvador had meegemaakt - zei tegen me: “Dan moet je hier niet blijven werken.” En: “Trouw nooit” - en morgen trouw ik. Kort daarop kon ik terecht bij de Wereldomroep.’

Vanwaar die fascinatie voor oorlog?

‘Je hebt verschillende soorten oorlogsverslaggevers. Er zijn er die enorme wapenfetisjisten zijn. Die van legergroen houden en met water in de mond een bepaald type tank bekijken. Er zijn er ook die de militaire dienst hebben gemist. Die het allemaal wel heel erg kicken vinden en het liefst voor de camera staan met een kogelwerend vest. Ook op plekken waar dat helemaal niet nodig is. Of sterker, waar het soms zelfs gevaarlijk is omdat je er enorm mee opvalt. Het heeft een soort machokant.

Ik vind het gewoon hele belangrijke verhalen. Als er ergens een oorlog woedt vind ik dat ik daar een rol heb. Maar als er morgen totale wereldvrede is vind ik dat fijn en dan ga ik ander werk zoeken. En dat zal ik ook vinden. Dan ga ik presenteren, lesgeven of verslaggeving in Nederland doen. Ik verlang niet dat er oorlog is, maar wel dat als het er is, ik erbij kan zijn. Ik gedij goed in ellende tijdens mijn werk: chaos, ontberingen. Collega’s hoor ik wel eens klagen over hun slaapplek. Zelfs over hotels! Hou toch eens op, denk ik dan.

Het is goed soms ook algemene verslaggeving te doen. Dat je niet alleen oorlog als referentie hebt. Anders loop je het gevaar verhalen te missen die hier als abnormaal worden gezien, maar die voor jou gewoon zijn geworden. Daarom is het goed ook hier in Nederland verhalen te maken en in de rij te staan bij de Albert Heijn. Je houdt contact met je publiek en het voorkomt beroepsdeformatie.’

Mag je als journalist nooit zelf centraal staan?

‘Je mag soms best een rol hebben. Maar het moet wel een functie hebben, bijvoorbeeld omdat er een beter begrip ontstaat van het conflict. Maar alleen maar steeds met je kop in beeld - met een helm op en een vest aan - terwijl het geen functie heeft en misschien wel overdreven wordt hoe gevaarlijk het echt is; dat vind ik geen goede oorlogsjournalistiek. Dat soort beelden zijn niet relevant voor het verhaal en zelfs schadelijk voor de oorlogsjournalistiek. Omdat daarmee het werk van mensen die wel verder gaan - door bijvoorbeeld een bepaald gebied in te trekken - eerder als ‘gekkenwerk’ wordt beschouwd. Er wordt ook wel veel theater gebracht door sommige oorlogsjournalisten. Maar als ik iets geleerd heb al die jaren is het dat er vaak een groot verschil bestaat tussen angst en gevaar.’

Hoe ga je met het echte gevaar om?

‘Je moet nuchter blijven. Laatst was ik in Gaza en ’s-nachts viel er - honderd meter van het hotel - een enorme bom. Ik werd wakker en dacht: Oh, wat een klap. Het raam in mijn hotelkamer was gesprongen en er kwam een stuk plafond naar beneden. Toch ben ik weer in slaap gevallen. Ik had heel weinig nachtrust gehad. Een collega vroeg de volgende dag: “Ben jij echt door die bom heen geslapen?” Maar ik wist dat het een Israëlische bom was. En die Israëli’s bombarderen aardig accuraat, zeker als het gaat om journalistenhotels - ik zat in hetzelfde hotel als de BBC. Misschien is het anders in een wijk waar Hamasfiguren rondrijden. Daar raken ze ook wel burgerwoningen. Maar die Israëli’s weten op dat moment op de centimeter nauwkeurig waar ik zit. Als die bom daar valt weet je dat-ie bedoeld was daar te vallen - zeker zo vlak voor een staakt het vuren - omdat ze dan aandacht krijgen.’

Eigenlijk zeg je hiermee dat de pers bombardementen uitlokt.

‘Ik denk dat ze sommige journalisten af en toe een soort cadeau geven, zodat ze live kunnen. Daar wordt het item spannender van. Op sommige momenten is het natuurlijk echt een oorlog die via de media wordt gevoerd. We weten allemaal dat de waarheid het eerste slachtoffer is in een oorlog, maar het verbaast me dat journalisten daar niet veel meer naar handelen. Ik heb wel eens Amerikaanse journalisten op tv horen zeggen: “Vannacht zijn we enorm beschoten”. Maar als dat door Israëli’s was, dan kon je dat niet navertellen, want zij schieten meestal raak.

Ik heb uiteindelijk niks met die bom gedaan. Alleen een foto gemaakt van de krater. Moet ik dat dan brengen? Ik vind van niet. Oorlogsverslaggeving is ook een strijd tegen het gelul. Er is zoveel propaganda, daar moet je uitermate kritisch naar kijken. Relevanter vond ik dat een van de leiders van Hamas waarmee ik een afspraak had, naar mijn hotel moest komen omdat zijn gebouw gebombardeerd was.’

Je gaat zelden embedded naar oorlogsgebied.

‘Ik ben wel eens embedded geweest bij de Amerikanen, bijvoorbeeld in Irak, omdat ik hun kant van het verhaal wilde zien. Ik ben zelfs bij onderhandelingen geweest met de opstandelingen in Falluja. Het is fantastisch als je die toegang krijgt. Maar ik weiger pertinent met het Nederlandse leger embedded te gaan. Ze willen vooraf je verhaal lezen. Dat tast je journalistieke afhankelijkheid aan.

Ik ben ook rond de verkiezingen - waarbij Obama voor het eerst gekozen werd - met het Amerikaanse leger mee geweest, omdat zijn verkiezing grote gevolgen zou hebben voor het leger. Dat was heel vervelend. Onderweg hebben ze me bijna eruit geschopt. Ik zei: “Dat moet je doen. Daar schrijf ik over en ook over hoe onbeschoft jullie zijn. Ik red me wel. Ik ben minder bang dan jullie.” Later besefte ik dat ik dit ook maar beter niet meer kon doen. Ze waren ‘Nederlandser’ geworden; ze konden geen kritiek meer dulden.’

Hebben crisis- en oorlogsgebieden een aantrekkingskracht op jou?

‘In de scherpte die ontstaat bij kwesties van leven en dood, zijn mensen anders. Toegankelijker. Je hebt andere gesprekken. Dat hebben we in Nederland alleen bij geboorte en dood. Er gebeurt veel in de wereld. En daar wil ik bij zijn. Er is vaak wereldgeschiedenis voor mijn ogen geschreven: de invasie van Irak in 2003, de val van Tripoli. Als je daar vooraan mag staan, geeft dat een soort besef van: potverdorie ik sta er wel gewoon bij.

Als ik terug kom in Nederland, waar de rellen in Haren als een journalistiek hoogtepunt gelden, moet ik vaak even omschakelen. Als je in de diepzee duikt moet je ook langzaam naar boven komen om weer aan de druk te wennen. Zo moet ik er altijd langzaam aan wennen dat het hier zo ongevaarlijk is.’

Zoek je die scherpte bewust?

‘Ja, dat zou kunnen. Ik heb een hekel aan alleen maar gesprekken over of we één of twee dubbele wasbakken moeten nemen. Ik heb veel meegemaakt rond de dood in mijn privé-leven. Drie van mijn beste vrienden zijn allemaal heel jong gestorven. Eén was 19, de andere twee allebei 30.

Een vriendin van 19 pleegde zelfmoord; ik had die dag nog met haar gefietst. Haar moeder was al overleden. Haar vader verongelukte drie jaar later. In een kring van nog geen 300 meter van ons huis gingen veel mensen dood. Toeval, maar het leek wel een soort Aleppo zonder dat er huizen beschadigd raakten. Ik merkte toen dat de contacten heel intens en open waren. Ik heb een soort doodsfascinatie.

De dood van die vrienden heeft dat versterkt. Ik zie in ieder mens een toekomstig lijk en besef dat de dood altijd op de loer ligt - als gevolg van oorlog, ziekte of wat dan ook. Mijn werk is niet direct een uitvloeisel van die gebeurtenissen in mijn privéleven. Maar ik herken in oorlogsgebieden wel datzelfde intense contact. Ik voel dan sterker dat ik leef.’

Bekijk meer van

Villamedia

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.