— vrijdag 17 januari 2020 09:00 | 0 reacties , praat mee

Cisca Dresselhuys, misschien wel de oudste interviewer van het land: ‘Gun mij mijn werk’

Cisca Dresselhuys, misschien wel de oudste interviewer van het land: ‘Gun mij mijn  werk’
© Truus van Gog

Twaalf jaar na haar pensioen interviewt Cisca Dresselhuys (76) nog steeds bekende Nederlanders. Toen ze als hoofdredacteur stopte bij Opzij heeft ze ‘het zwarte gat’ voorkomen door tijdig ander werk voor haarzelf te organiseren. Een loopbaaninterview met een stugge doorwerker. Laatste wijziging: 20 januari 2020, 10:42

Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Trudy Brandenburg - van de Ven. Ook lid worden?

‘Misschien ben ik wel de oudste interviewer van Nederland’, zegt Cisca Dresselhuys, terwijl ze thee inschenkt. De oud-hoofdredacteur van het feministische vrouwenblad Opzij zit piekfijn opgemaakt en chic gekleed aan tafel. Als een grande dame, net als op de portretten en foto’s in haar hal en huiskamer.

Twaalf jaar na haar pensioen staat haar agenda nog vol afspraken. Zo interviewt ze bekende mannen over de vrouwen in hun leven voor het tijdschrift Nouveau. In dagblad Trouw staat een serie interviews met bekende Nederlanders van haar generatie. Ze geeft Nederlandse les aan een Turkse vrouw. En in haar woonplaats Hilversum leidt ze maandelijks een talkshow.

‘Al doe ik nu meer onbetaald, ik blijf doorwerken tot ik erbij neerval. Ik hoor wel eens dat ik moet plaatsmaken voor jongeren, maar dat vind ik een vreemde opmerking. Is mijn geluk minder belangrijk dan het geluk van een jongere? Statistisch gezien hebben zij een langer leven. Gun mij mijn werk.’

In een eerder interview zei je: ‘Wat moet ik als ik niet meer kan werken?’
‘Ik heb vrienden die binnenkort met pensioen gaan. Dat vinden ze heel erg. Mijn advies is om tijdig iets voor jezelf te organiseren, want je wordt ouder en minder gewenst. Toen ik met pensioen ging, heb ik het zwarte gat voor­komen. Ik wist dat mijn opvolgster me niet meer bij Opzij wilde hebben. Dat was niet aardig van haar, maar wel duidelijk. Ik heb contact gezocht met de toenmalige hoofdredacteur van Trouw, Willem Schoonen. Hij gaf me de kans een serie te maken over doorwerken na je 65ste. Na een aantal afleveringen heb ik over hetzelfde onderwerp nog acht jaar interviews voor het blad Zin gemaakt. En nu ben ik weer terug bij Trouw met de serie ‘Een stapje terug’. Voor het geld hoef ik het niet meer te doen. Al zou ik onder de brug liggen als ik moest leven van mijn Trouw-pensioen van 102 euro per maand na twintig jaar werk. Gelukkig heeft Opzij me beter behandeld.’

Weet je nog dat je tien jaar geleden een lezing gaf over doorwerken en ik vroeg wat je zou doen als opdrachtgevers je niet meer willen?
‘Nee, maar mijn antwoord zou zijn: dat zien we dan wel.’

Dat zei je toen ook.
Dresselhuys wijst naar het blad Argus dat op tafel ligt. ‘Dit wordt gemaakt door oudere journalisten die het schrijven niet kunnen laten. Waarom zouden we ook? Al doen we het gratis en voor niets, we gaan door.’

Tekst loopt door onder de foto.

Een jeugdfoto en een voorwerp horen steevast bij deze serie loopbaaninterviews. Waar komen Dresselhuys’ drijfveren om journalist te worden vandaan en wat symboliseert haar onverminderde werklust? Ze houdt een ingelijst portret omhoog van een 4-jarig meisje dat poseert voor de fotograaf. Haar moeder heeft het in Leeuwarden laten maken voor haar vaders verjaardag. ‘Mijn moeder wilde dat ik krullen had, dus moest ik van die gemene, stalen krulspelden in mijn haar. Ik was een vaderskindje en een nakomertje, met twee oudere zussen en een broer. Heel verlegen. Mijn carrière op de kleuterschool heeft één dag geduurd, omdat er ‘enge jongens’ zaten. Toen hoefde ik niet meer. Nog steeds sta ik op bijeenkomsten waar ik geen taak heb het liefst achter een pilaar.’

Was je een ongelukje?
‘Nee, op mijn geboortekaartje stond juist: ‘Met innige dank aan God geven we kennis.’ Omdat mijn moeder bij een eerdere zwangerschap een niervergiftiging had opgelopen, moest ze in het ziekenhuis bevallen. Ze wilde pertinent niet dat mijn geboorte op 20 april werd opgewekt, want dat was de verjaardag van Hitler. Ik heet Francisca, naar mijn vader en een oom die in het concentratiekamp Neuengamme is omgekomen. De verpleegsters hingen een oranje strik aan mijn wieg vanwege mijn tweede naam Wilhelmina – onze toenmalige koningin heette zo. Dat was riskant, want er waren Duitsers in het ziekenhuis. Ik zeg altijd dat ik in het babyverzet heb gezeten.’

Wanneer wist je dat je journalist wilde worden?
‘Op mijn 12de. Mijn vader was dominee, mijn moeder schooljuf. Van hem heb ik twee dingen geërfd: praten en schrijven. Voor de schoolkrant schreef ik al een detective over een moord waarvoor een klok was verzet. Een nicht zat in de journalistiek en mijn vader, die op mijn 11de overleed, recenseerde boeken. Op de nonnenschool in Roermond haalde ik op mijn eindexamen een 10 voor maatschappijleer en geschiedenis en een 9 voor Nederlands en Frans.’

Met die cijferlijst kwam Dresselhuys binnen bij Trouw, nadat haar moeder een brief had gestuurd naar de hoofdredacteur. Het antwoord van Sieuwert Bruins Slot is legendarisch: ‘De journalistiek is een prachtig beroep, maar heel gevaarlijk voor een meisje.’ Toch mocht ze bij de regioredactie in Utrecht beginnen.

Als symbolisch voorwerp kiest Dresselhuys twee voice­recorders. Ooit kreeg ze van een geïnterviewde hoogleraar het verwijt dat ze een slechte gesprekspartner was, omdat ze steeds over haar notitieblok gebogen zat. Sindsdien neemt ze haar interviews altijd op. Voor het uitwerken van de banden heeft ze al jaren een ‘mevrouw’ die haar binnen een week 60 tot 85 uitgetikte pagina’s stuurt. Tijdrovend, maar de voicerecorders blijven in ere.

‘Ik kan mijn bedrijfsgeheim nu wel verklappen. Toen ik bekende mannen interviewde voor mijn Feministische Meetlat-serie in Opzij, ging ik altijd twee keer naar ze toe. Dat kwam doordat ik eerst naar hun persoon vroeg en pas daarna naar hun werk. Wim Kok, Gerrit Zalm, Jeroen Pauw, ze hadden het niet door. Als we na twee uur kapot waren, vroeg ik of we een vervolgafspraak konden maken. Was ik over hun werk begonnen, dan hadden ze vast geen tijd vrijgemaakt voor een tweede zitting over hun persoonlijke leven.’

(Fel opeens:) ‘Veel mannen lopen leeg als ze uitgebreid over zichzelf mogen praten. Dan gaan ze bijvoorbeeld los over hun jeugd. Vaak realiseren ze zich te laat dat hun nog levende ouders hun woorden kunnen lezen. Daar kunnen ze flink over steggelen. Ik denk dan: heb je die apparaten niet gezien? Ik ben toch niet je therapeut? Soms gaat iemand zelfs achter mijn rug om naar de hoofdredactie. Onvoorstelbaar.’

Bij je interview met oud-politica Karla Peijs in Trouw dacht ik juist: doorpakken, Cisca.
‘Ik weet vaak meer dan in het verhaal staat. Maar als iemand mij vraagt iets niet op te schrijven, respecteer ik dat. Zakelijk ben ik rücksichtslos, persoonlijk zacht­aardig. Politieke uitspraken haal ik er nooit uit. Maar in de persoonlijke sfeer wil ik mensen niet schaden. Getrouwde Meetlat-mannen vertelden soms dat ze een vriendin hadden. Ik heb daar nooit iets mee gedaan.’

Kies je dan niet meer voor de geïnterviewde dan voor het verhaal?
‘Ik vind dat een goede vorm van journalistiek. Veel collega’s zijn zelf nog nooit geïnterviewd, Ik wél, dus weet ik hoe het voelt om af en toe je mond voorbij te praten.’

Loop je niet het risico dat je verhalen te weinig schuren?
(Verontwaardigd:) ‘Alsof verhalen alleen mooi zijn als ze schuren. Ze kunnen toch ook inzicht geven? Ik praat nu vaak over de dood met mijn geïnterviewden. Dan ben ik niet uit op confrontatie, maar op herkenning.’

Een oud-Opzij-medewerkster roemt je commerciële inzicht, maar: ‘Cisca’s wil was wet’.
‘Ik heb nooit een onderwerp doorgedrukt dat niemand wilde hebben. Maar als er een voorstel kwam voor een verhaal over schaamlipkanker, vroeg ik hoeveel vrouwen die ziekte hadden. Tien? Te weinig.’

Zou je iets anders hebben gedaan als je terugkijkt?
‘Ik zou meer complimenten geven. Mijn Opzij-collega’s zijn daarin tekortgekomen. Dat zal te maken hebben met mijn generatie en een zekere verlegenheid. Nu mail ik heel gemakkelijk een compliment naar een collega die iets moois heeft geschreven. Bazen moeten royaler complimenten geven, ook aan hun freelancers.’ 

CV Cisca Dresselhuys

1943: geboren in Leeuwarden
1961-1981: journalist bij Trouw
1981-2008: hoofdredacteur maandblad Opzij
1985: mede-auteur ‘Het glazen huis, gesprekken met domineeskinderen’
2002: bundel ‘Langs de Feministische Meetlat’
2000: winnaar Anne Vondelingprijs
2002; Hoofdredacteur van het Jaar bij de Mercur
2008: Mercur d’Or voor haar oeuvre
2011: bundel ‘Drukker dan ooit. Werken na je 65e’
2008-heden: freelancer voor onder meer Nouveau en Trouw

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee