— vrijdag 29 januari 2010, 20:06 | 0 reacties, praat mee

‘Ben ik een consument van rampenporno?’

© Joshua Lee Kelsey

Verslaggever Hans Jaap Melissen (Wereldomroep/Nos) was als een van de eerste Nederlandse journalisten in Haïti. Bijna twee weken later blikt hij terug: ‘Ik worstelde niet alleen met de ‘555’ uitzending. Het gevoel een leedvoyeur te zijn kwam steeds weer boven.’

‘Zullen we afspreken dat ik geen aardbevingen en andere rampen meer doe? Dan kan ik mij richten op Irak en Afghanistan en overige oorlogsplekken. En op Haïti natuurlijk.’ Zo ongeveer ging een gesprek een jaar geleden met leden van de hoofdredactie van de Wereldomroep. Ik had zojuist mijn volledige baan teruggebracht tot een gedeeltelijke en we namen mijn mogelijke reisbestemmingen voor het komende jaar door.

Maar ‘life is what happens while making other plans’. Sindsdien bezocht ik drie aardbevingen. Het Italiaanse L’Aquila, daarna Sumatra en nu dus Haïti. De eerste twee deed ik onder licht protest, voor de laatste meldde ik mijzelf aan. Dat had vooral met mijn liefde voor Haïti te maken.

Mijn journalistieke weerzin tegen rampen als aardbevingen, watersnood en lawines (ja ook ‘gedaan’) is in de loop van de jaren toegenomen en ligt besloten in het ééndimensionale karakter ervan. In oorlogssituaties vallen er in het algemeen veel meer aspecten te behandelen, omdat er meer aan de hand is dan dat mensen zo maar iets overkomt. Hoewel er ook Haïtianen zijn die denken dat de Amerikanen deze beving zelf hebben veroorzaakt om weer toegang tot dit land te krijgen. Verder voel ik mij steeds vaker een voyeur, een gluurder naar andermans leed.

Ondanks al die bezwaren, was ik al op weg naar Schiphol, met een satelliettelefoon, noodrantsoenen en een hoofd vol zorgen. Ik had een foto gezien van het verwoeste presidentieel paleis en vreesde voor het leven van bekenden. Sinds de strijd rond president Aristide in 2004 ben ik steeds weer teruggekeerd naar mijn heimelijke liefde. En een jaar geleden stelde ik zelfs, op vakantie, mijn vriendin aan Haïti voor.

Via Philadelphia kwam ik ’s avonds laat aan in de Dominicaanse Republiek, waar ik een taxi nam voor een nachtelijke rit naar Port-au- Prince. De meeste andere journalisten kozen ervoor die nacht in Santa Domingo door te brengen. Ze dachten dat de grens met Haïti dicht was of dat het levensgevaarlijk zou zijn die tocht in het donker te ondernemen.

Ik vond de man die letterlijk de sleutel tot Haïti had. Nadat hij het grenshek had geopend arriveerde ik om drie uur ’s nachts in ‘mijn Haïti’, dat nog verdraaid veel leek op zoals ik het een jaar geleden had achtergelaten. Vrouwen zaten langs de kant van de weg met zakken rijst te wachten op vervoer naar de markt. De huizen stonden overeind.

Pas bij aankomst in Port-au-Prince zag ik hoe de aardbeving had huisgehouden. Toch was de stad niet ‘volledig met de grond gelijk gemaakt’ zoals sommige journalisten hadden beweerd. Het allermooiste hotel van de wereld, het Oloffson, stond zelfs recht overeind. Veel gasten en de eigenaar lagen wel voor de zekerheid in de tuin te slapen.

Het nadeel van de eerste ‘paniekmeldingen’ is dat je als journalist ter plekke vooral dat eerste beeld aan het corrigeren bent, zonder dat je afbreuk wilt doen aan het feit dat het een van de grootste, meest vreselijke rampen ooit is. Ik deed mijn best in de eerste kruisgesprekken. Toch stuitte ik vaak op ongeloof, bij redactieleden, maar soms ook bij presentatoren. In Nederland was het beeld ontstaan dat Haïti volkomen was verwoest, en dat je het land misschien maar beter kon opheffen. Dergelijke taal werd zelfs geuit door journalisten die je voorheen nog enigszins serieus zou hebben genomen.

Intussen stroomde Haïti vol met een duizelingwekkende hoeveelheid journalisten. Ook Nederland liet zich niet onbetuigd. Alleen de EO al had op een gegeven moment drie verslaggevers rondlopen. Nu is Haïti wel het meest gelovige land dat ik ken, dus misschien was dat aantal niet buiten proporties.

Een journaliste van ‘France 6’ kwam voor exact drie nachten over. Ik vermoed dat het getal 6 betekent dat er nog minstens 5 andere Franse televisiezenders ter plekke waren.

Het bekende clubje oorlogsfotografen schoot naast elkaar foto’s van stapels lijken, van rouwende, wanhopige mensen. De jacht op de meest schrijnende, spectaculaire gevallen was geopend. Ik scheurde er tussen door, achterop de motor, met niet alleen een radiorecorder maar ook een televisiecamera voor NCRV’s Netwerk.

Mijn grootste vrees was dat Nederland in de ‘giro 555-stand’ zou gaan staan, omdat zo’n televisieavond meestal ook het einde markeert van de berichtgeving over een getroffen land. De kijker, luisteraar wordt nog één keer overvoerd en kan daarna geen ingestort huis meer zien, maar wil gewoon weer eens lachen. Die zou ik overigens kunnen bedienen met het verhaal over een Canadees team, dat huisdieren kwam redden, maar ontdekte ‘dat Haïtianen honden haten en katten eten…’.

De giro-555 actie kwam en mij werd gevraagd radioportretten te leveren die ‘best een beetje heftig en emotioneel mochten zijn, omdat die werden ingezet om mensen over te halen geld te geven…’. Ik leverde één portret, van een Haïtiaan die ernstig twijfelde aan het zenden van geld. Maar ik worstelde niet alleen met de ‘555’ uitzending. Het gevoel een leedvoyeur te zijn, een consument van rampenporno kwam steeds weer boven.

Bij de Haïtiaanse doden (op elkaar gestapeld op straat) en bij het hotel Villa Therese waar twee Nederlandse stellen lagen die hun adoptiekinderen kwamen ophalen. Het meest bizar was het moment dat de hoteleigenaar spullen van één stel had gevonden. Toen hij hun laptop open deed, bleek dat die op standby stond en dat het e-mailprogramma nog aan was. De headlines van de mails boden zicht op een afgebroken leven. Ik wist niet goed wat te doen en besloot de laptop nog even standby te laten, tot de lichamen waren gevonden. De dag nadat die waren geborgen meldde ik dat er twee Nederlanders waren gevonden, zonder daarbij de namen te noemen. Maar er zijn hier wonende landgenoten boos dat ik dat überhaupt heb gemeld.

Vanaf de Nederlandse redacties bleven intussen de verzoeken voor reportages binnenstromen.  Langzamerhand kreeg ik bijna meer medelijden met de overvoerde Nederlandse mediaconsument dan met de ondervoede Haïtiaan. 

Geheel volgens verwachting werd het de dag na de 555 uitzending dramatisch stil in mijn mailbox. Eén omroep meldde dat men wel weer klaar was met Haïti en dat ze zich vooral wilden concentreren op de naderende gemeenteraadsverkiezingen. 

Er was niemand die zei: we gaan vandaag een item maken over een land waar de afgelopen jaren in totaal veel meer doden zijn gevallen dan in Haïti. En als het meezit komt er dan zelfs een televisie-actie. Voor Oost-Kongo. Voor Noord-Korea. 

Ik kijk nu om mij heen in het Oloffson hotel.  Veel journalisten zijn al weer weg. Op internet zie ik Nederlands nieuws. ‘Huismus opnieuw vaakst geteld.’ Iets verderop zit mijn trouwe tolk/fixer Joleil. Hij is in slaap gevallen. Samen met hem struin ik tijdens de laatste dagen van mijn verblijf, zoveel mogelijk mortuaria, massagraven en overvolle begraafplaatsen af waar de lijken soms los tussen de grafstenen liggen.  Dat doen we niet om een dramatisch verhaal te maken. Ik probeer een beeld te krijgen van het juiste dodenaantal. Als ik wel zo’n dramatisch verhaal wil hebben, dan is dat altijd dichtbij.  Joleil verloor namelijk zijn vader, zijn zus en zijn dochtertje van drie.

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.