foj 2019

— vrijdag 24 mei 2013, 10:00 | 1 reactie, praat mee

Wij houden van conflict maar in onze stemvoorkeur van gematigde overleg­democratie

Haagse verslaggevers zijn niet links, maar van het gematigde midden. Interessanter is nog hoe hun scoringsdrift altijd de oppositie bevoordeelt, of die nu rechts is of links. Tot die conclusie komt oud-politiek verslaggever Pieter van Os.

Het is een terugkerende vraag: zijn journalisten links? Bij commentatoren, columnisten en andere journalisten die hun mening onverbloemd in de krant zetten, is dit vrij eenvoudig na te gaan. Lees hun werk. Lastiger is het bij Haagse verslaggevers, wier politieke voorkeuren verbloemd in de krant komen, via de keuze van onderwerp, kop, beeld en selectie van feiten en citaten.

In de jaren dat ik op het Binnenhof werkte, merkte ik niets van wat de wetenschapper Mark Deuze had geconstateerd: ja, ze zijn links. Zo positioneren zichzelf tenminste (32 procent). Of ze noemen zichzelf ‘links van het midden’ (47 procent). Maar dat was in 2000, dat ging alleen over Haagse verslaggevers en bovendien kwam het grootste deel van de 1050 ondervraagden uit de NVJ ledenlijst, niet echt een representatieve groep. 

Mij viel op dat mijn collega’s niet zozeer links zijn, maar vooral nogal bedaard in hun maatschappelijke en politieke opvattingen. Hun bazen waren links, maar zij voelen zich verwant aan het politieke midden, van PvdA tot en met VVD, of ze nu bij De Telegraaf werken, RTL, de Volkskrant of de NOS. Partijen waarop ze graag stemmen zijn D66 (altijd al) en GroenLinks (in de tijd van Halsema). PVV, SP en Partij voor de Dieren stemt niemand in de Haagse perskaravaan, zo ontdekte ik na veel doorvragen – want over je politieke voorkeur hoor je niet te spreken als verslaggever.

Je zou kunnen concluderen: voor ons werk houden wij journalisten van conflict, blazen we er graag eentje aan, maar in onze stemvoorkeur houden we van gematigde ‘instrumentele’ politiek; overlegdemocratie. ­Spektakel en politiek theater, waar vooral de partijen op de flanken zich in specialiseren, is mooi voor onze items en artikelen. Maar onze instemming heeft het allerminst.

Die afkeer van theatrale of ‘expressieve’ politieke acties was goed te zien toen de PVV-fractie, in maart 2009, boos uit een Kamerdebat wegliep. Geert Wilders nam hiertoe het initiatief nadat Pieter van Geel, van het CDA, erkende dat de oppositie niets meer kon veranderen aan het akkoord. ‘Dus wij zitten hier voor Piet Snot’, concludeerde Wilders. 

Nog voor Wilders de zaal had verlaten, snelde toenmalig fractievoorzitter van GroenLinks Femke Halsema naar de interruptiemicrofoon. Ze veroordeelde de actie van de PVV en met licht overslaande stem verklaarde zij, zo theatraal mogelijk: ‘Een democraat verlaat nooit het huis der democratie’.

Wij journalisten zaten direct in dubio: hoeveel aandacht geven we aan deze actie van Wilders? Apart artikel of onderdeel van het debatverslag? Voorpagina? Of geven we hem dan niet precies wat hij wil? Serieuze, belangrijke vragen. De vraag of Halsema de waarheid had gesproken, interesseerde ons weinig. Dit was weer eens een radicale actie van Wilders. Als parlementariërs nu ook al gingen weglopen uit debat, waar ging het dan naar toe?

Maar één telefoontje naar een parlementair historicus had ons kunnen leren: weglopen uit de vergaderzaal is een oud, regelmatig gebruikt wapen. De SGP deed het in 1939, bij een herdenking van paus Pius XI, de VVD deed het in 1955, toen leider Oud meende dat zijn fractie er voor ‘spek en bonen’ bijzat en de CPN- en PvdA-fractie deed het in 1958 bij een stemming over een belastingvoordeel. Democraten verlaten regelmatig het huis der democratie. De verontwaardiging erover hoort, in deze tijd, bij het politieke midden – en dus deelden wij journalisten de verontwaardiging van Halsema. 

Wat ook goed past bij onze voorkeur voor het politieke midden is ons ongeduld met de onbenulligheid van kwesties waar Kamerleden vragen over stellen, of die ze op de Kameragenda zetten. Wij oordelen streng over de debatten over blaadjes op de rails, wc’s in sprinters, een kangaroe langs de A27 of een verbod op het dragen van boerka’s. Dat geklaag vinden wij onpartijdig: het gaat hier immers over een tendens onder politici, over politieke stijl bovendien, niet over politieke opvattingen. Maar niet voor niets wijzen ook politici van middenpartijen op die futiliteiten, ze beklagen zich erover. De partijen op de flanken bekwamen zich er juist in – en niet zonder electoraal succes.

Ik verbaasde me wel eens over ons geweeklaag over de agenda van de Kamer. De Amerikaanse conservatief Ben J. Wattenberg heeft eens gezegd: ‘In de politiek besluiten kiezers wat waar is’. De werkelijkheid is het daar niet mee eens – en water blijft bij honderd graden koken, al stemmen we daar met z’n allen tegen, maar het is wel waar dat het onderdeel van het democratische proces is dat volksvertegenwoordigers namens hun kiezers kunnen bepalen wat interessante kwesties zijn. Als kiezers niet van debatten over een door Marokkanen verstoorde lampionnenoptocht houden, dan is het aan hen om niet op de partijen te stemmen die daarover willen debatteren. Journalisten mogen wel klagen over de onderwerpkeuze, natuurlijk, maar laten we eerlijk zijn en erkennen dat dit een politiek standpunt is. Dat van de traditionele midden­partijen.

Tegelijk is deze halfbewuste bias minder dan de invloed die niet politiek is gemotiveerd, maar voortkomt uit de aard van het werk. Zo bevoordelen hardwerkende Haagse journalisten altijd de oppositie, maakt niet uit welke politieke kleur die heeft. Waarom? Omdat wij verslaggevers hebben te leven met één onveranderlijk gegeven: de uitkomst van Kamerdebatten staat vast. Anders dan bij sportwedstrijden, gijzelingszaken of politie-onderzoek, kan de verslaggever niet inspelen op een spannend verloop: de coalitie wint namelijk altijd. Die hebben een meerderheid van stemmen. De oppositie toetert, maar verliest. Die hebben een minderheid aan stemmen. 

De uitdaging ligt er daarom in om toch een Kamermeerderheid te vinden tegen een kabinetsplan.

Dat lukt eigenlijk alleen bij kwesties die niet in het oog lopen, in dossiers waar ‘de kaarten nog niet zijn geschud’, om eens een Haags cliché te gebruiken.

En dus bellen wij rondjes voor kwesties definitief op de agenda staan. Voortdurend gaan wij de specialisten van de Kamerfractie langs om te bepalen hoe groot steun of tegenstand is voor een plan.  Soms levert dit niet meer op dan ‘Oppositie verzet zich tegen…’ Dat is een slappe score, want geen nieuws: de oppositie verzet zich immers nagenoeg altijd. Erger nog is ‘Kamer verdeeld over…’ want de Kamer is altijd verdeeld over alles; we leven niet voor niets in een democratie met evenredige vertegenwoordiging in het parlement. Het wordt pas leuk als je kunt melden ‘Kamer hekelt plannen van kabinet over…’, want wie een recalcitrante Kamermeerderheid heeft gevonden, heeft een primeur.

Een collega van me was hier goed in. Hij wist alles van openbare financiën. Dikwijls wist hij meer over een kwestie dan de Kamerleden die hij belde. Ooit vond hij dat vervelend: was het zijn rol om Kamerleden bij te praten, op de hoogte te brengen, inzicht te verschaffen? Als journalist behoorde hij toch slechts te registreren? Maar onderricht geven?

Later zag hij het voordeel in van zijn ervaring en kennis. Hij kreeg de gave om Kamerleden een kwestie zo uit te leggen dat het door hem gewenste standpunt er bijna als automatisch op volgde. Ik hoorde hem eens, pratend over de telefoon met Frans Weekers, destijds Kamerlid: ‘Volgens mij zie jij ook dat dit prachtig past binnen het beleid dat jullie bij de VVD toch al voorstaan.’

Vervolgens gaf de collega nog eens zijn interpretatie van enkele schaarse regels uit het verkiezingsprogramma van de VVD.

‘Frans, kan ik je in de kolom “voor” zetten?’

De redacteur overheidsfinanciën legde neer. Hij zei, tegen niemand in het bijzonder: ‘Bingo! Nog vijftien zetels te gaan.’

Twee telefoontjes later trakteerde hij de Haagse redactie op taart. Hij had zijn eigen Kamermeerderheid binnengehaald. Die steunde een plan dat indruiste tegen de voornemens van de regering.

Een collega vroeg hem, taart in de mond: ‘heb je ze verteld dat ze in meerderheid tegen zijn?’

Het antwoord van de triomferende collega: ‘Nee, dat moeten ze vanavond maar in de krant lezen.’ Of het plan rechts of links was, voor de triomf van de collega deed het er niets toe. Voor de richting die Nederland opging: zeker.

Bekijk meer van

Praat mee

1 reactie

J.C. Roodenburg, 24 mei 2013, 14:15

Voortreffelijke weergave van Pieter. Tijd dat hij weer parlement gaat doen! Zijn krant tendeert overigens steeds meer naar links (in plaats van liberaal-conservatief zoals NRC vroeger was). Met paradepaardjes als Bas Heijne, Mark Chavannes, Folkert Jensma en Margriet Oostveen. Jammer dat wijlen Heldring er niet meer is. Hij is te netjes, anders zou hij zich in zijn graf omdraaien. Waarom zijn op de economieredactie Schinkel, Tamminga, Herzberger, Stellinga enz. veel gematigder en soms zelfs met tegenstrijdige opvattingen ten opzichte van de commentatoren. En wat mij betreft - een oud linkse HVV’er - veel realistischer!

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.