Tijd voor meer klassenbewustzijn in de journalistiek
Klassenverschillen zijn diep verankerd in onze taal, in onze wetten en ons rechtssysteem. De journalistiek moet alerter zijn op klassenverschillen om een beter inzicht te krijgen in maatschappelijke ontwikkelingen, betoogt Mohammed Chahim, Europarlementariër voor de PvdA, in dit essay voor stichting KIM.
Joris Luyendijk vertelt in zijn boek De zeven vinkjes over de ontdekking die hij deed in de periode dat hij bij de Engelse krant The Guardian werkte. Hij kreeg daar het gevoel dat hij door zijn collega’s nauwelijks serieus werd genomen. Nota bene hij, de succesvolle gymnasiast, de onderzoeker, antropoloog, spreker, journalist en gevierd auteur van gelauwerde boeken, voelde zich miskend.
Het besef er niet bij te horen op de redactie van het progressieve dagblad deed hem handelen. Hij paste zijn kleding aan om niet uit de toon te vallen bij zijn collega’s. Zijn dresscode werd Informeler, minder keurig. Zelfs zijn schoenen paste hij aan. Maar de belangrijkste aanpassing die hij deed, was zijn taalgebruik.
Hij leerde Engelstalige columns uit zijn hoofd om net zo grappig en to-the-point in gesprekken te kunnen reageren als de Britse journalisten om hem heen. Maar de transformatie leverde niets op. Luyendijk voelde zich meer en meer een outcast, durfde zijn mond bij redactievergaderingen nauwelijks open te trekken. Het contrast met zijn zelfbewuste voorkomen in Nederland was enorm.
Als iemand met ‘slechts’ vier vinkjes (man, hetero, vwo en universitaire opleiding, want geboren in Marokko en geen hoogopgeleide ouders) waren Luyendijks pogingen om gezien te worden herkenbaar en troostrijk. Wat Joris Luyendijk op de redactie van The Guardian overkwam vormt een afspiegeling van wat een viervinker zoals ik voortdurend ervaar.
‘De ratio overheerst’
Zonder dat de redactie het besefte werd er iemand buitengesloten. Hoewel de journalistiek, zeker de progressieve, inclusiviteit propageert, heerst erin de redactielokalen vaak groepsdynamiek die tot exclusiviteit leidt. Met het hoofd zijn de verslaggevers geëngageerd, maar het hart spreekt zelden. De ratio overheerst, de feitelijkheid, maar de diepe beleving, de doorleefde betrokkenheid, ontbreekt vaak. Registeren wordt als groot goed gezien, het vastleggen van ellende. Maar dat is niet voldoende.
Ik pleit er dus voor dat journalisten meer oog krijgen voor sociaaleconomische, maatschappelijke ongelijkheden. Laat ik een voorbeeld noemen uit mijn basisschooltijd in een arbeiderswijk in Helmond. Ik wist tot mijn twaalfde niet dat er schooltypes als HAVO en VWO bestonden. Naast het IVBO en VBO had je de MAVO, voor de nerds, de ‘stuudjes’ van de klas!
Ik zou hier lovende woorden kunnen wijden aan onderwijzers (waaronder zelfs een kloosterzuster) die streng maar rechtvaardig keihard werkten in de rumoerige schoolklassen om ons goed op weg te helpen. Zij stimuleerden mij om niet naar de MAVO, maar naar het VWO te gaan. En zo kwam ik als enige Marokkaanse Nederlander terecht in een volledig witte klas met kinderen uit dorpen in de omgeving waarvan ik het bestaan niet kende. Tot ik er enkele jaren later aardbeien plukte en asperges stak om mijn studie te betalen.
Vergelijkbare verhalen doken op in studies naar arbeiderskinderen die een klassensprong maakten. Ze voelen zich ontheemd omdat ze worden geacht de mores van de hogere klasse te omarmen. Die mechanismen werken ook door op de redactievloer.
The Guardian waar Luyendijk werkte, was doordrenkt van dit besef. The Guardian (Guardian betekent ‘waker’) hangt graag hinderlijk in de broekspijp van Boris Johnson, een telg uit een elite-familie met een Eton achtergrond. Maar bij The Guardian wekken elitaire uitzonderingsposities journalistieke driften op. Wij moeten niet worden zoals zij.
In Groot Brittannië voeren de journalisten de klassenstrijd om die reden wat serieuzer dan in Nederland. In de egalitaire Lage Landen dolen Nederlandse journalisten en volksvertegenwoordigers nog te vaak rond in hun gemeenschappelijke zeven vinkjesbubbel. Daar worden de noden van de lagere klasse als een probleem gezien voor bestuurders, niet als een onrecht dat bestreden moet worden.
Het journalistiek begrip voor de macht is veel te groot onder de Haagse politieke kaasstolp
Toonhoogte voor de bühne
Luyendijk beschrijft dat 3% van de Nederlanders over zeven vinkjes beschikken, een omvang die overeenkomt met het abonneebestand van NRC en de Volkskrant. Juist als je dat constateert, valt het op dat journalisten zich niet in die 90% herkennen die de krant nooit leest of niet tot de bubbel behoort. Zolang dat niet systematisch en vol overtuiging gebeurt, schrijven Nederlandse journalisten feitelijk voor de machthebbers en het welvarende deel der natie. Die houding op de maatschappelijke werkelijkheid leidt tot ongelukken.
En dat blijkt ook wel. Het journalistiek begrip voor de macht is veel te groot onder de Haagse politieke kaasstolp, ondanks de toonhoogte die mij te vaak slechts voor de bühne lijkt. Systeemanalyses ontbreken, wat heeft geleid tot bijvoorbeeld het toeslagenschandaal.
Ondanks dat door enkele politici en twee journalisten deze kwestie aan de orde werd gesteld, bleven de media grotendeels zwijgen. Veel te laat drong de barre werkelijkheid tot zevenvinkers door dat er in Nederland onder de VVD-kabinetten blijkbaar een stelselmatige benadeling plaatsvond van de armsten in ons land, die dikwijls beschikten over een migratie-achtergrond. In de kringen van de slachtoffers was het de meeste mensen niet ontgaan dat tweedeling geen theoretisch concept is.
Omgekeerd zie ik ook hoe tolerant er in de pers wordt omgesprongen met voordeeltjes voor de zeven vinkjes op de Zuidas. Alle kabinetten Rutte hebben tot nu toe de kwestie van het dividendstrippen door buitenlandse financiële partijen laten liggen.
Snijden in eigen vlees
Deze vorm van belastingontduiking kost de Nederlandse overheid naar schatting één miljard euro, per jaar. Was het niet mogelijk geweest hier een team van pakweg vijftig ambtenaren op te zetten en er paal en perk aan te stellen? Hetzelfde geldt voor de voordeelpakketten van Russische oligarchen en multinationals. Het kwam kennelijk te dichtbij. Snijden in eigen vlees kunnen alleen de heel dapperen.
Ondertussen ging de ambtelijke en journalistieke aandacht in Nederland jarenlang uit naar fraude bij toeslagen, een narratief dat hardnekkig werd gevoed door politici. Daarbij was het principe ‘onschuldig tot het tegendeel bewezen is’ vaak ver te zoeken. Bijstandsgerechtigden werden streng gecontroleerd. Daarbij werd weinig coulance betracht of rekening gehouden met mensen die de besluiten niet begrepen (onder bijstandsgerechtigden komt laaggeletterdheid regelmatig voor). En wat leverde dit Big Brother gedrag op? Zes miljoen euro per jaar. Je zou verwachten dat er ophef was. Niets.
Maar de journalistiek stampte lekker mee in het koor. Ondertussen hebben we de controle op het dividendstrippen via grootbanken nog steeds niet voldoende in kaart gebracht en aan de kaak gesteld. Hierbij had meer klassenbewustzijn in de berichtgeving wel degelijk het verschil kunnen maken.
Het gebrek aan mogelijkheden voor de minder gesitueerden zou hoger op de journalistieke agenda moeten komen. De controle van de macht, begint met het versterken van de kracht van de controleurs. The Guardian maakt die systeemanalyse wel. En dat zou ook hier moeten gebeuren. Door te kijken naar de afbrokkeling van instituten die de kracht van de controleur versterken.
Wat ik gezien mijn achtergrond schrijnend vind, is de tweedeling in onderwijsperspectief in Nederland. De toename van de onderwijsondersteuning van kinderen van rijke ouders staat in schril contract met de uitholling van het reguliere onderwijs. Wanneer mensen veel betalen voor huiswerkbegeleiding versterkt dat waarschijnlijk de exodus van deskundige docenten uit het reguliere onderwijs. Of kijk eens naar de toenemende zorg voor rijkere ouderen in dure complexen en zet dat af tegen de vermindering van capaciteit voor arme ouderen die steeds moeilijker een zorgplek kunnen bemachtigen.
Wie de trein van Aken naar Brussel neemt, hoeft alleen maar goed uit het raam te kijken om de tegenstelling te ontwaren. De treinreis voert door het dal van de Vesder en doet het stadje Pepinster in België aan. De overstroming van dit schilderachtige riviertje eiste veertig doden en biedt inzicht in een nauwelijks beschreven probleem. De haves redden het, maar de have-not’s niet. Op een voetbalveld lagen kapotte auto’s die door het water zijn meegesleurd en nu als schroot zouden moeten worden opgeruimd. Maar dat is na een jaar nog steeds niet gebeurd.
De grote landhuizen en villa’s zijn inmiddels wel opgeknapt en in oude glorie hersteld, maar veel bewoners van huizen in Pepinster zijn nog immer afhankelijk van de voedselbanken uit Vlaanderen en Nederlands Limburg. De bescheiden huizen waarin zij wonen zijn niet opgeknapt - het is een arme streek - en veel bewoners bleken geen geld te hebben gereserveerd voor een verzekering.
Te weinig aandacht voor armoede
De samenhang tussen de eerste nabije gevolgen van de klimaatverandering en de positie van de laagste economische klasse zijn hier zichtbaar. Te lang mis ik in de Nederlandse pers de aandacht die armoede speelt in analyses.
Die aandacht zie ik geworteld in een besef van solidariteit. Solidariteit betekent voor mij niets meer of minder dan dat klassenverschillen niet vanzelfsprekend zijn en voortdurend benoemd moeten worden. De journalistiek zou bij iedere maatschappelijke oprisping de vraag moeten stellen welke rol klassenverschillen er in spelen.
In die zin wordt journalistiek ook een reflectie op een meer rechtvaardige samenleving. Dat vereist een andere benadering door de journalist bij zijn of haar inzet en reflectie op het eigen professionele waardenpatroon.
Wat mij betreft gaat het dan simpelweg om de vraag: draagt mijn stuk bij aan maatschappelijke solidariteit - of niet? Het zou wel eens kunnen zijn dat Joris Luyendijk zich die vraag is gaan realiseren op de redactie van The Guardian. Zijn zelfreflectie verdient navolging.
LEES MEER: In de serie essay voor KIM, het forum voor reflectie en journalistiek, verschenen eerder de volgende bijdrages


Praat mee