— donderdag 13 oktober 2016, 08:37 | 0 reacties, praat mee

Hans Jaap Melissen: Terug naar de oorlog

© Jeroen Oerlemans gefotografeerd door Hans Jaap Melissen

Oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen zat midden in zijn voorbereidingen voor een reis naar Irak, toen hij het bericht kreeg over de dood van collega Jeroen Oerlemans. Hieronder een dagboek-verslag van zijn week daarna, waarin hij wordt geconfronteerd met veel vragen over ‘het vak’.

Onheil kiest zijn eigen momenten. Zondag 2 oktober zit ik op een verjaardagsfeest waar vooral Koerdische Nederlanders komen. We praten over mijn aanstaande reis naar Irak, waar iedereen klaar staat om IS uit Mosul te verdrijven. Het is gezellig. Goed eten. Iemand vraagt of mijn werk erg gevaarlijk is. Ik leg uit dat het wel meevalt. Dat je je leven in oorlogsgebied stap voor stap zet. Mijn telefoon gaat. Ik excuseer mijzelf en loop de tuin in.

‘Heb jij het al gehoord van Jeroen Oerlemans?’ vraagt een redactrice van het programma van een andere Jeroen. Haar stem verraadt dat ik niet ga horen dat Oerlemans een of andere prijs heeft gewonnen. Ze vertelt wat er is gebeurd. Ik loop verder de tuin door, de steeg in en leun tegen de muur. Jeroen, zijn gezin, drie kinderen! Het duizelt mij. Het onheilsbericht draait rondjes in mijn hoofd en zoekt een plek om te landen. Ik denk aan de laatste keer dat ik Jeroen zag. Het was aan het eind van zijn zelfgekozen interbellum, nog voor de zomer. Hij wilde weer naar het front, noemde Libië. We spraken vooral over ontvoeringsgevaar, dat hij uiteraard kende. Ik was in 2012 ook al een keer gebeld met de vraag ‘of ik het al had gehoord van Jeroen Oerlemans’. Toen belde de NVJ, hopend dat mijn contacten Jeroen konden vinden. 

Ik vertrek van de verjaardag en ben op tijd thuis om mijn vrouw en zoon te zien arriveren. Mijn zoontje (bijna 6) draagt twee stokbroden en zodra ik de deur open doe, schiet hij daarmee. Dat heeft minder met mijn werk te maken, dan wel dat hij bij zijn neefjes vandaan komt. De aard van mijn werk kent hij nauwelijks. Beelden of foto’s heeft hij nooit gezien. Ik doe dat om hem te beschermen, maar daarmee ook mijzelf. De grootste bedreiging voor het vak van oorlogsverslaggever is het vaderschap. CJ Chivers, de militair correspondent van de New York Times, is gestopt met zijn werk, omdat zijn zoontje letterlijk ziek werd van angst als zijn vader op reis ging.

Uit voorzorg, je weet immers niet hoe anderen mensen reageren als mijn zoon zegt dat zijn vader in Irak is, heb ik hem onlangs uitgelegd dat er in oorlogsgebieden ook veilige plekken zijn en dat ik daar ben.

Ook nu houd ik hem weg bij de ellende. In mijn werkkamer vertel ik mijn vrouw dat Jeroen is doodgeschoten door IS. Ze wordt boos. Op Jeroen, zo lijkt het, maar ik denk eigenlijk op mij.

Zouden moeders sneller stoppen met dit werk? Ik probeer in mijn hoofd na te gaan, hoeveel vrouwelijke oorlogsverslaggevers ik ken, die kinderen thuis hebben. Ik tel er een paar. Onder de mannen, maar die zijn oververtegenwoordigd in dit vak, tel ik er veel meer.

Op vragen of mijn werk is veranderd sinds ik vader ben, maak ik mij er soms van af met ‘ik neem hem niet mee op reis, he’.
Laat nu juist een Duitse vrouw wel zoiets hebben gedaan. Zij vertrok hoogzwanger (7 maanden) richting Aleppo, werd ontvoerd, baarde in gevangenschap een kind en is recent, met kind en al vrijgelaten.

Maandag 3 oktober. De dag na Jeroens dood begint vroeg met een hele reeks aan radio en tv-programma’s die ik te woord sta over Jeroen en oorlogsverslaggeving in het algemeen. 

In een hotel in Bussum slaap ik soms een uur tussendoor. Mijn kamer grenst aan de begraafplaats. Twee konijntjes huppelen tussen de stenen door. Mijn hart breekt opnieuw als ik denk aan het gezin Oerlemans, iets verderop, in Amsterdam. In dit zelfde prachtige weer, maar met dat verschrikkelijke nieuws.

Bij dat nieuws hoort ook een foto. Ik krijg die via DM (‘direct message’) op twitter, dus niet publiekelijk zichtbaar. Je ziet hoe Jeroen wordt afgevoerd. Vreselijk. En vreselijk confronterend. Het door alle oorlogsverslaggevers gevreesde einde. Of zoals Martin Adler, fotograaf en camerajournalist, ooit tegen mij zei: ‘ergens staat een onzichtbare muur en daar kun je op een dag tegenaan knallen.’ Martins muur stond in Somalië. Van dichtbij doodgeschoten.

De dag eindigt bij Jeroen Pauw aan tafel, samen met Peter ter Velde en Tom Kleijn. We kijken naar foto’s die Jeroen heeft gemaakt, vaak prijswinnend. Ik laat foto’s zien die ik weer van Jeroen heb gemaakt in Libanon. Je ziet hem in een kogelwerend vest in de puinhopen van een door Israël gebombardeerd huis, waar kinderlijkjes worden uitgegraven. Even later maakt hij de prijswinnende foto van een hulpverlener die een dode peuter omhoog houdt voor de vele fotografen. Ook laat ik een foto zien van Jeroen en zijn vriendin, met wie hij in Libanon op vakantie was toen de oorlog uitbrak. Zij liet zich evacueren, hij bleef.

Wie een relatie heeft met een oorlogsverslaggever weet dat vakanties niet heilig zijn. Ik fotografeerde het stel terwijl ze hartstochtelijk afscheid nemen. Het is zoals Jeroen Pauw zei, een beetje een privé-foto. Ik had nog geaarzeld of die wel getoond moest worden.

Die foto stond, zo begreep ik bij hen thuis in een lijstje. Zelf kwam ik niet bij Jeroen thuis. Ik kende Jeroen als collega, niet als vriend. Sowieso ben ik op mijn hoede met de term ‘vriend’ als mensen doodgaan, of bekend worden. Al bestaat er in oorlogsgebieden, zoals besproken aan tafel bij Pauw, wel zoiets als ‘instant friendship’.

Doodmoe kom ik die nacht thuis. Mijn idee om woensdag naar Irak te vertrekken, schuif ik een paar dagen op. Ik kijk DWDD terug, waar oorlogsfotograaf Eddy van Wessel zat. Eddy vertelt hoe hij een nachtelijk gesprek heeft gehad met zijn vrouw. ‘Is het misschien niet tijd dat jij er een keer mee stopt?’ had zij gevraagd. Eddy heeft ook 3 kinderen.

Ik krijg die vraag niet van mijn vrouw. Althans, niet direct gesteld. Anderen blijven wel vragen stellen. Maar het steeds weer moeten praten over het werk, doet mij juist verlangen weg te gaan. Ver van altijd weer diezelfde vragen over het gevaar of wat mijn familie ervan vindt. Er is een plek waar ze je die vragen niet stellen: de oorlog zelf.

Donderdag 6 oktober heb ik nog een laatste media-optreden voor de camera van het Zapp weekjournaal. Ze filmen bij mij thuis en bij een gastles die ik geef op een Utrechtse basisschool. De kinderen vragen honderduit. Ik laat spannende beelden zien, onder meer van de keer dat ik een straaljager boven mij uit de lucht geschoten zag worden. Ook al Libië.

Zaterdag 8 oktober. Mijn Irak missie begint met heel vroeg opstaan. Ik laat vrouw en kind slapen. Ik heb hen de avond ervoor al gedag gezegd. Zachtjes glip ik het huis uit en glijd op de achterbank van de taxi naar Schiphol. Via Wenen arriveer ik in de middag in Erbil. Zo dichtbij is de oorlog.

Op internet zie ik de aankondiging van de begrafenis van Jeroen. Zijn vrouw vraagt om gewoon als collega of vriend te komen. Ze wil, uiteraard, geen reportages over de dienst, om de kinderen te beschermen.

In het vliegtuig naar Erbil had ik nog veel uit het raam gestaard. Ook kwamen mijn vragen weer terug die ik al langer heb bij de echte frontliniefotografie. Die vragen zijn gekomen na de dood van de fotografen Chris Hondros en Tim Hetherington, ook al in Libië, in 2011. Ik heb de afgelopen week steeds benadrukt dat ik geen fotograaf ben. Die moeten net die, riskante, stap verder, zei ik steeds. Maar moet dat ook echt?

Stevo Akkerman van Trouw schrijft in een column dat het van hem niet hoeft. Strijd zou er overal wel een beetje hetzelfde uitzien.
Maar dan ga je voorbij aan het feit dat dit soort 1e linie- foto’s je misschien wel uitnodigen om het bijbehorend verhaal te lezen. Dat je als fotograaf eerder toegang krijgt tot ook weer andere plekken rond het front, als je echt optrekt met rebellen.
Ik zie een boksring voor mij: zijn oorlogsfotografen niet eigenlijk gewoon binnen de ring, waar je prachtige foto’s kunt maken, maar waar je wel een klap voor je hoofd kunt krijgen? Of zouden ze net buiten de touwen moeten blijven? Net iets veiliger en we zien nog steeds dat er gevochten wordt.

Zoals veel vergelijkingen kloppen die nooit helemaal. Een oorlog kent geen duidelijke touwen, geen duidelijke lijnen. De term frontlinie schept valse duidelijkheid.

Ik logeer in Erbil in een straat waar ik vorig jaar net weer mijn hotel was binnen gelopen toen er een autobom van IS ontplofte, 150 meter verder. Een paar uur eerder had ik mijn vrouw nog gebeld, dat ik de gevaarlijke frontlinies al had bezocht en in het veilige Erbil zou zitten tot mijn vertrek.

Misschien is het grootste gevaar in de oorlogsverslaggeving wel ‘mission creep’. Een militaire term voor missies die steeds verder gaan, weg van hun aanvankelijke doel. Zo kan het met de oorlogsjournalist ook gaan. Je zet in een oorlogsgebied weliswaar je leven stap voor stap, maar je bent, zonder tegenbericht in de vorm van een kogel of granaat, wel geneigd steeds verder te stappen.
Ik ben na de ontploffing van de autobom bijvoorbeeld meteen naar de plek van de explosie gelopen en heb zelfs ook nog de rol van oorlogsfotograaf op mij genomen, omdat ik er als eerste bij was.

Zondag 9 oktober. Het is vandaag exact een week geleden dat Jeroen aan de laatste dag van zijn leven begon. Waarschijnlijk vergelijkbaar met hoe mijn dag begint. Mijn tolk haalt mij op bij mijn hotel en we gaan rijden richting het front met IS. We hebben eerst een interview met de Iraakse generaal die de leiding heeft over de operatie om Mosul te veroveren. Dat is op een redelijk veilige basis. Daarna rijden we verder naar de dikke zwarte rookwolken van oliebronnen die IS heeft aangestoken, om het bombarderende straaljagers lastig te maken. We passeren kapotgeschoten huizen in verlaten dorpen. Hier en daar hangen Iraakse militairen rond.

Ik doe mijn kogelwerend vest aan, maar bij een volgend checkpoint worden ze er zenuwachtig van en denken dat het een bomgordel is. We rijden verder zonder. Bij een noodbrug over de Tigris steken we over, op weg naar een plaats die recent is veroverd op IS.
De brandende oliebronnen zijn nu dichtbij. We stappen uit. Er zijn wat inwoners teruggekeerd. ‘Kijk, daar, dat dorpje verderop, daar zit nog IS,’ wijst iemand. Ik stap meteen uit het zicht van een eventuele sluipschutter. We interviewen een Iraakse militair, als er dichtbij geweervuur klinkt. Uitgaand. Maar dat kan een uitnodiging zijn voor inkomend vuur. Mijn tolk dringt aan op omkeren, hij verwacht mortieren en die kunnen ook in een boogje, over een gebouw heen, naar je toe komen. Ik kijk op mijn horloge, het is drie uur. Rond deze tijd, een week geleden, sloeg het noodlot toe bij Jeroen.

We rijden weer terug, toch licht euforisch dat we veel hebben kunnen zien. Het is het gevoel dat Jeroen ook had moeten hebben, op de terugweg uit Sirte.

’s Avonds zijn we weer in Erbil. Ik heb mijn vrouw aan de lijn. Ze zat klaar voor het Zapp weekjournaal, maar deed gauw de televisie uit toen er over mij in de aankondiging werd gesproken ‘als iemand die steeds weer zijn leven waagt’. Ze wilde niet dat onze zoon het zou horen en bang zou worden.

Ik vraag haar of zij ongerust is. Ze zegt: ‘Ik ga ervan uit dat je weet wat je doet’.

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.