— vrijdag 19 oktober 2012, 11:00 | 0 reacties, praat mee

Schrijver-journalist Arnon Grunberg grossiert in projecten

Arnon Grunberg is niet alleen bekend vanwege zijn romans. Als embedded ­journalist reisde hij naar oorlogsgebieden, deed hij verslag van undercover zomerbaantjes, ging hij met een gezin op vakantie naar Griekenland en logeerde hij bij verschillende families in een Utrechtse Vinex-wijk. Daarnaast heeft hij een dagelijkse column in de Volkskrant. Arnon Grunberg heeft een secretaris. Dat blijkt als je hem via Facebook vraagt voor een interview. De schrijver heeft 5094 vrienden dus was ik niet verbaasd dat we enkele dagen na dit verzoek nog niks hadden gehoord. Maar kort daarop ontvingen we een zeer correcte mail met de mededeling dat een interview pas over enkele maanden kon plaatsvinden. Ondertekend door ‘secretaris Johannes van der Sluis’.

Huh, Arnon Grunberg, de koningin heeft een secretaris…

‘Alle columnisten van de New York Times - niet dat ik me daar mee wil vergelijken - hebben assistenten. Dat is daar heel gewoon. Johannes doet ook fact checking voor mij. Ik reis veel en heb niet altijd alles paraat. Ik krijg ongeveer zestig e-mails per dag, en dat is zonder junkmail. Johannes vindt het prettig om assistent of secretaris genoemd te worden. In het begin deed ik er nog wel eens ironisch over, maar dat vond hij niet leuk.’

Op je website schrijf je expliciet dat je niet graag interviews geeft; waarom nu wel?

‘Ten eerste omdat jullie aandrongen. Iemand die aandringt wil echt. Ik was benieuwd wat de invalshoek zou zijn. Het nadeel van interviews, en dat weet ik omdat ik zelf ook wel eens interview, is dat je eigenlijk een echt gesprek wilt voeren. Maar ik word vaak geïnterviewd en het is onvermijdelijk dat er dan herhaling in komt. Dat vind ik saai. Ik wil intellectueel bevredigd worden en niet het gevoel hebben dat ik een soort verkoopmachine van mijn eigen werk ben. Anders had ik in de deur-aan-deur-verkoop kunnen gaan.

Ik ben ook eens gevraagd door Privé. Toen heb ik gezegd: dat is goed, maar dan wil ik een week op jullie redactie rondlopen. Dan gaan dat soort vragen snel over. Dat had ik overigens graag gedaan. Het is ook veelzeggend dat mensen dat kennelijk zo eng vinden.

Eva Jinek wilde me interviewen voor De Telegraaf. Ik zei: “Dat is goed, maar ik doe ook projecten waarbij ik embedded ben bij mensen thuis, dus dan wil ik graag een week bij jou wonen.” Ze belde later terug en zei: “Dat vind ik wel een interessant project, maar dat moet ik wel met mijn man overleggen.” Ha ha, toen heb ik nooit meer iets gehoord. Zo selecteren dingen zich soms uit.’

Sinds 2006 schrijf je voor NRC Handelsblad reportages vanuit oorlogsgebieden. Vind je dat het fenomeen ‘embedded’ in zijn algemeenheid iets oplevert?

‘Ja, en niet alleen in Nederland. Ik vind alleen dat het ministerie van Defensie onverstandig is geweest door te zeggen dat ze die stukken eerst willen lezen. Dat doen de Amerikanen en de Duitsers niet. Nederland ondergraaft zijn eigen doelstelling. Want je wilt mensen informeren over wat je daar doet. En dan neem je op de koop toe dat mensen dingen schrijven die misschien niet zo positief zijn. Maar als je meereist met een groep soldaten identificeer je je automatisch met die soldaten want je wordt door ze beschermd. Je hebt geen enkele reden ze af te maken.

Het heeft in zijn algemeenheid opgeleverd, weliswaar van één kant, dat je een beter beeld krijgt van oorlog. Je zou eigenlijk ook met de Taliban mee moeten reizen, maar dat ligt toch ingewikkeld. Overigens is unembedded reizen in oorlogsgebied – zoals bijvoorbeeld Arnold Karskens doet – ook waardevol, maar dat moet niet worden overdreven. Je maakt altijd gebruik van tussenpersonen. Vaak spreek je de taal niet. In oorlogsgebieden in Syrië, Afghanistan of Irak ben je altijd op de een of andere manier afhankelijk van anderen.’

Hoe ging je om met het gevaar?

‘Ik ben nooit in een vuurgevecht terecht gekomen. Ik ben wel mee geweest op patrouille in Afghanistan waar we dekking moesten zoeken. Een soort fatalisme helpt dan wel. Ik was in 2007 in Tarin Kowd, waar de soldaten flyers uitdeelden. Een officier zei: “Aan een groot wapen heb je hier niks. Eén suicidal en je bent er geweest.” Dat gaf me een besef van: oei, het moet wel goed gaan.
Ik denk dat je toch heel anders over oorlog schrijft als je het met eigen ogen gezien hebt. En ik vind het zoiets wezenlijks dat je er niet ­alleen maar vanuit je hotelkamer in het Westen over schrijft. Dat heeft toch iets…, laf is misschien niet het juiste woord, maar wel alsof jij niet hetzelfde op het spel wilt zetten wat de ­anderen, over wie je schrijft, wel doen

Dat vind ik niet helemaal kloppen.

Ik vind het ook interessant om de grenzen op te zoeken; in hoeverre kun jezelf op het spel zetten. En niet alleen dat je letterlijk risico’s neemt door naar oorlogsgebieden te gaan. Ook door bepaalde autobiografische dingen die je schrijft, door undercover te gaan en in een hotel te werken. In hoeverre ben je ook je eigen materiaal en hoe ver wil je daar in gaan. Dat vind ik een interessante en wezenlijke vraag. De risico’s die ik neem zijn redelijk afgewogen, maar ik vind het niet meer dan logisch dat het vak dat ik uitoefen ook enige risico met zich meebrengt. Zoals dat ook geldt voor de brandweerman, officier of oorlogscorrespondent. Mensen nemen voor hun beroep risico’s, waarom zou ik dat niet doen?’

Als een soort Günter Wallraff undercover gaan in een hotel - waar je vooraf geen misstanden vermoedt - is toch van een hele andere orde dan een oorlog verslaan.

‘Het heeft dubieuze kanten, dat is waar. Ik probeer binnen ethische grenzen te opereren. Het is niet de bedoeling dat ik de mensen die daar werken of het bedrijf beschadig. Het gaat mij om algemene informatie. Als je in dat hotel - een drie sterren hotel in Duitsland – werkt; zo zal het wel in meer hotels gaan. Ook dat verdient een plaats in de krant. Ik heb het hotel niet met naam genoemd. Het ging me niet om misstanden, maar om een kijkje achter de schermen.’

De echte Arnon is iemand die zelf een dure suite kan huren en mensen in de horeca kan afblaffen als-ie dat wil.

‘Ik vind het lekker om mezelf ondergeschikt te maken en mee te doen met de omgeving waar je werkt. Je weet: ik ga weer weg. Ik heb hetwerk in dat hotel met heel veel plezier gedaan. En ik heb ook veel plezier gehad met mijn collega’s. Ik vond het heel leuk om mensen te bedienen. Om de reacties te zien als je een keer niet als schrijver wordt waargenomen.

Ik vind dat verfrissend. Het is zo fijn je te verliezen in het werk. Als je leert de snijmachine te bedienen om kaas en worst te snijden. Als je op dat moment denkt: ik ben daar veel te goed voor, dan moet je daar niet zijn. Ik kom daar primair uit nieuwsgierigheid – een legitiem motief voor iedere journalist, lijkt me. Als je dat niet hebt moet je niet schrijven. Ik hou niet van diva­gedrag, al zal ik daar ook wel eens last van hebben. Maar het hoort bij professioneel zijn dat je kunt zeggen: het doet er niet toe dat ik schrijver ben en allerlei prijzen heb gewonnen; ik doe nu dit en probeer dat zo goed mogelijk te doen.

In het leger kom je ook mensen tegen die je uitproberen. Maar daar moet je gewoon tegen kunnen. Gewoon niet zeiken. Het hoort bij je opdracht. Daarna komt het plezier van de stukjes schrijven.

Misschien zit er iets masochistisch in. Je wordt soms afgeblaft. Maar ja, ik krijg ook wel eens slechte recensies; dat is ook een vorm van afblaffen. En natuurlijk loop je tegen ethische grenzen aan. Mijn moeder vond het verraad, want mijn collega’s in dat hotel wisten niet dat ik schrijver was. Het voelde ook een beetje als verraad. Op het moment dat je collega’s, die voor niet heel veel geld moeten ploeteren, een fooi met je gaan delen ontstaat er toch een soort gêne. Voor mij is die 15 euro niets. Voor hen is het substantieel. Als je nee zegt is het nog beledigender, dus je accepteert het. Je kunt dan niet meer terug.

Ik heb er met NRC Handelsblad wel discussie over gehad. Want officieel mogen zij volgens het stijlboek niet undercover; volgens het principe van journalistiek met open vizier. Het woord undercover moest ik dus uit mijn stukken schrappen.’

Er wordt koffie gebracht. De boekenverzameling – mooie titels, van auteurs van faam – achter gesloten glazen kasten in de bibliotheek van het chique hotel aan de gracht waar het interview plaatsvindt zijn niet uitgezocht door de frequente gast Arnon Grunberg, zoals we aanvankelijk dachten. ‘Alle auteurs van deze boeken hebben in dit hotel gelogeerd’, weet de schrijver, van wie ook enkele titels op de planken staan. Grunberg heeft geen huis meer in Amsterdam. Hij woont in New York. Als hij in Amsterdam is verblijft hij in dit hotel. ‘Ik heb een goede afspraak met ze. In het begin was ik hier vrij weinig. Nu ben ik er meer. Ook vanwege mijn moeder. Een eigen huis vergt onderhoud, ook als je huurt. Ik kom hier binnen en kan in een opgemaakt bed gaan liggen. Ik heb niks tegen hotels. Ik vind het prima.’

Heb je nog meer projecten op stapel staan?

‘Ik wil heel graag een keer in een slachthuis werken en daarover schrijven. Het lijkt me ook eng, want ik ben geen held met bloed. En ik was vergevorderd in een project om me te laten opnemen op de psychiatrische afdeling van het Utrechts Medisch Centrum. Ik had ook al met de juridische afdeling gesproken, omdat dit heel heikel ligt. Want je mag niet schrijven over patiënten die niet toerekeningsvatbaar zijn. Het was in principe allemaal afgedekt. Ik zou anonimiseren en over niemand schrijven die daar zelf niet meer over kon praten. Toen kwam de hele VUMC-affaire met Eyeworks en ging het niet door. Ik probeer nu hetzelfde idee in het buitenland uit te voeren.

Nieuwsgierigheid is een wezenlijke drijfveer. Het is geen pose. Omdat ik geen kinderen heb en niet getrouwd ben wilde ik meemaken hoe het is om in een gezin te leven. Ik ben met gezinnen op vakantie gegaan en heb bij mensen gelogeerd op een Vinex-lokatie. Een enkele keer gaat het mis, zoals bij het gezin waarmee ik naar Griekenland ben geweest. Die vakantie zelf was heel prettig, maar de nasleep helaas niet. De moeder van de familie vond het stuk niet zo prettig. Er zaten één of twee feitelijke onjuistheden in, die zijn in een latere publicatie hersteld. Ze mochten een tegenstuk schrijven. Maar als eenmaal het idee is ontstaan dat ik niet geïnteresseerd was in feitelijke juistheid, wat ik onzin vind, kun je dat niet meer herstellen. Het ging om iets kleins waardoor zij zich zeer gepikeerd voelde.

Sommige mensen beseffen niet dat als je iemand uitnodigt een week bij hen thuis mee te lopen het best zou kunnen dat ik een beeld krijg dat niet met hun zelfbeeld overeen komt. Mensen denken daar misschien niet genoeg over na. Ik ben me daar zelf heel bewust van want ik lees veel over mezelf waarvan ik denk: o, ben ik dit. Maar goed, zo word ik dus niet gezien. Het is jammer, want ik vind eigenlijk wel dat iemand zich in mijn stuk moet herkennen.’

Als columnist voor de Volkskrant toon je je een moralist, maar dan vooral in het antimoralisme.

‘Wat mijn journalistieke columns betreft: ik wil een stukje werkelijkheid laten zien dat niet in beeld is gebracht of naar mijn idee niet juist in beeld is gebracht. In die zin ben ik daar een bemiddelaar tussen de werkelijkheid en de lezer. Tegen de hysterie. Niet op sentiment gericht maar op analyse. Ik ben niet de ombudsman van de krant, maar soms heb ik het idee dat ik iets recht kan zetten dat eerder in de krant heeft gestaan. Ik geloof ook niet dat ze dat erg vinden – en zelfs wel waarderen. Ik anticipeer op wat ik denk dat de lezer niet weet. Ik ga niet schrijven over de klimaatverandering. Want dat weet de Volkskrant-lezer wel. Ik schrijf vaak iets om de lezer zijn eigen eerste indruk te laten herzien: u kijkt er zo naar, maar u kunt er ook zo naar kijken.

Als ik voor De Telegraaf zou schrijven, zou ik net iets andere onderwerpen kiezen en andere invalshoeken nemen, want bepaalde dingen hoef ik voor De Telegraaf niet te doen die wel nuttig zijn voor de Volkskrant. Het leuke is dat ik bij de Volkskrant zowel ter rechter- als ter linkerzijde wordt aangevallen. Beide kanten nemen mij dingen kwalijk. Dan denk ik: ha ha, ik ben goed bezig.’

Je bent vaak actueel in je columns, maar op de dag na de verkiezingen schreef je over een vriend die sekswerkers masseert.

‘Ja, ik vond het eigenlijk te vroeg om commentaar te leveren op die uitslag. Die was toen ik dat stuk schreef ook nog niet definitief bekend. Mijn deadline is 21.30 uur, en het was toen toch nog een beetje gissen. Dan kan je het beter helemaal niet over de verkiezingen hebben dan er een beetje omheen te praten. Dat is gewoon een afweging. En ik vond het sowieso een goede datum en een goede plek om het totaal niet over die verkiezingen te hebben maar over iets anders.’

Je lijkt alom­tegenwoordig en werkt voor veel kwaliteitsmedia.

‘Hoofdredacteur Philippe Remarque van de Volkskrant zei laatst: “Je bent de enige medewerker die elke dag een column heeft”. Daar ben ik ook trots op. Ik neem geen vakantie. Ik vind: je kunt ook in je vakantie een stukje typen. Vakantie is voor mij dat ik niet aan een roman schrijf en alleen mijn vaste rubrieken schrijf. Dat gaat prima. Een dag is lang. Zaterdag is mijn vrije dag.
Ik ben toegewijd. Dat kan niet anders. Als je gaat denken: het maakt niet uit of die komma goed staat of niet, dan ben je verloren. Dat moet blijven uitmaken. Als een tennisser denkt: ach, het is niet erg als die bal uit gaat want ik sta toch al 30-0 voor… Dat moet wel blijven uitmaken. Je moet eigenlijk heel boos zijn op jezelf als je een fout maakt, hoe klein ook. Dat is de overgave, de liefde voor je eigen werk. Als je die niet hebt kun je ook niet verwachten dat anderen ook maar iets van liefde of respect of wat dan ook voor je werk opbrengen. Kijk, op een gegeven zal ik wel stoppen met die column. Maar voor nu. Een topsporter gaat toch ook iedere dag aan het werk?’

Voel je je een topsporter?

‘Dat klink misschien arrogant, maar als ik eerlijk ben wel.’

Hoe lang heb je nodig voor een column?

‘Als ik bedacht heb waar ik het over wil hebben duurt dat tussen de dertig en de zestig minuten.’

Komt het voor dat je geen onderwerp weet?

‘Niet vaak. Soms denk ik iets te hebben dat het toch net niet is. Maar heel vaak biedt dan toch de krant van die dag of het nieuws wel iets. Het leuke van reizen is dat ik altijd iets probeer te doen met de kranten die verschijnen op de plek waar ik ben. Het is heel grappig om te zien hoe elders soms heel anders tegen een zelfde kwestie wordt aangekeken.’

Als De Telegraaf je zou vragen om een column te schrijven?

‘Op de voorpagina? Zou ik meteen doen. Het zou een revolutie zijn. Dat zou gewéldig zijn! Dan kun je echt iets teweeg brengen, denk ik. Het is niet alleen belangrijk wát je zegt, maar ook op welke plek je het zegt. Ik denk dat je heel veel mensen bereikt die geen idee hebben wie ik ben - wat natuurlijk prettig is - en die mijn soort meningen of visies op de wereld nooit tegenkomen. Maar ik denk niet dat De Telegraaf me dat zou vragen.’

Bekijk meer van

platform makers

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.