foj 2019

— vrijdag 5 oktober 2012, 11:29 | 0 reacties, praat mee

Schrijf je geschiedenis en doe het nu

Voor Marijke Hilhorst is de vraag niet waarom er zoveel mensen in het verleden van hun ouders, grootouders of overgrootouders duiken maar waarom er nog mensen zijn die de familiehistorie ongeschreven laten. Zeker als die mensen journalisten zijn. Zelf schreef ze ‘De vader, de moeder & de tijd’.

Er gaat een opa dood. Een oma. Later volgt een oom of tante, allemaal op afstand nog. Maar op een dag is het je vader of moeder en is er, naast heel veel meer, spijt om wat je nooit gevraagd hebt, niet genoeg, niet zo dat je het echt begrijpt. Nu sluit zich het verleden. Wat weet je van de stam waaruit je geboren bent?’ Aldus historicus en presentator van het televisieprogramma ‘Andere Tijden’ Hans Goedkoop in het voorwoord van zijn recent verschenen: ‘De laatste man’. Na de dood van zijn moeder, vier jaar geleden, besluit hij een verhaal uit de familie na te zoeken. Hij volgt de sporen van zijn opa, die als officier in Indië een operatie tegen de opstandelingen leidde en stuit op conflicten en geheime acties. Aanvankelijk schrijft hij zijn bevindingen gewoon voor zichzelf op, en voor zijn broers, het is tenslotte een familieverhaal, maar gaandeweg ziet hij het grotere belang en wordt het een boek.

Journalist Eveline Stoel vroeg zich tijdens haar zwangerschap af wat ze haar kind straks vertellen kon over zijn Indische wortels. Haar Indische schoonfamilie sprak nauwelijks over het verleden in Indonesië en vragen stellen werd niet gewaardeerd. Maar, dacht ze,als het voor een boek is dan moet ik wel doorvragen. Dat werd ‘Asta’s ogen’ en al gaat het over Stoels schoonfamilie, Indische mensen geven het aan hun kinderen of kleinkinderen omdat ze er hun eigen verhaal in herkennen.

Zo blijken de twee belangrijkste gebeurtenissen in het leven – geboorte en dood – aanleiding om familieverhalen vast te leggen. Voor mij viel het besluit een familiekroniek te gaan schrijven toen de dood werd aangekondigd. Ik realiseerde me dat het grote afscheid was begonnen toen we wisten dat mijn moeder aan de ziekte van Alzheimer leed. De eerste tekenen daarvan openbaarden zich toen ze begin zestig was en ze stierf, 68 jaar oud, in 1993.  Kort nadat we haar hadden begraven bleek dat ook mijn vader dementerend was. Hij stierf negen maanden na zijn vrouw, op 77-jarige leeftijd.

Wetend dat er van het geheugen van mijn moeder binnen de kortste keren niet veel over zou zijn, ben ik haar gaan bevragen. Ik verifieerde al lang bekende verhalen en vulde details aan, noteerde teksten van liedjes – die ze nog moeiteloos zong al bestond het lied uit meer dan tien coupletten – liet haar foto’s zien en schreef de anekdotes op die het bekijken ervan bij haar opriepen.

Ik voelde het als mijn verantwoordelijkheid dat wat zij wist in beheer te nemen, haar verleden te herinneren, en dus ook dat van onszelf, toen we te klein waren om zelf gebeurtenissen op te slaan. Tenslotte was ik van de acht kinderen de ‘schrijfster’. Uiteraard voerde ik ook gesprekken met mijn vader, schreef schriftjes vol, nog zonder een direct doel. Net als Goedkoop deed ik het gewoon voor mezelf.
Op een gegeven moment, ik meen dat het in 1991 was, bood ik NRC Handelsblad vier artikelen aan gebaseerd op die gesprekken. De verhalen waren gekoppeld aan thema’s: dieren, de eettafel, armoede, geluk. Tot mijn vreugde werden de verhalen in vier opeenvolgende weken op de achterpagina geplaatst, met een prachtige speciaal vervaardigde illustratie erbij. Nadat de tweede was verschenen belde er al een uitgever met de vraag of ik nog meer van dit soort familieverhalen had liggen of alsnog kon schrijven zodat het een boek kon worden. Ik zei nee, en ook dat ik geen plannen voor een boek had. Na de derde publicatie benaderden nog twee uitgevers me en toen pas ging ik serieus nadenken over de mogelijkheid er toch iets groters, iets publicabels van te maken, maar ik zag ook dat er in dat geval nog veel moest gebeuren.

Familiegeschiedenis is misschien geen genre dat is terug te vinden in officiële literatuurwetenschappelijk boeken maar is wel een aanduiding die direct wordt herkend. Globaal gaat het erom het nabije verleden te ontsluiten door over gewone mensen, (meestal) de eigen familie, te verhalen. De auteur zoekt zijn onderwerpen dicht bij huis en de periode waarover hij schrijft bestrijkt dikwijls niet meer dan enkele generaties.

Ook dat was bij mij het geval. Ik interviewde ooms en tantes over hun ouders en hun jeugd. Dat was nog een hele klus want beide ouders komen uit een gezin van tien kinderen. Daarnaast las ik boeken over hun beider geboortestreken, spitte de bewaarde correspondentie door, bekeek foto’s met andere ogen dan voorheen, doorgrondde de betekenis van tal van documenten van bonkaarten uit de oorlogsjaren tot consultatiebureauboekjes en verzekeringspapieren, ik hoorde leden van de Historische Kring uit, bezocht archieven en reconstrueerde ruim dertig, zorgvuldig in kleine stukjes gescheurde brieven en briefkaarten die ik volkomen toevallig aantrof bij een tante toen ik bij haar op bezoek was. Ze had net lekker opgeruimd. De snippers zaten in een Albert Heijn-tas die klaar stond voor de altijd hongerige papierbak. Het was een meditatief werkje dat geduld vereiste maar bleek achteraf zeer de moeite waard want in een milieu als dat van mijn ouders worden er meestal niet veel geschreven bronnen overgeleverd.

Bijna onvoorstelbaar, maar er is een tijd geweest dat het oversteken van de grote rivieren Maas en Waal zoveel betekende als emigreren. Mijn moeder heeft dat als 21-jarige, in 1947, gedaan omdat er meer werk was in ‘Holland’ dan in Brabant. Ze zou zeker teruggegaan zijn als ze niet verliefd was geworden op mijn vader – die in hetzelfde ziekenhuis in het Gooise Laren werkte als zij – en met wie ze in 1948 trouwde en een gezin stichtte. Dankzij die ‘emigratie’ van mijn moeder, werd er geschreven door haar zussen, haar ouders.

Ook stuitte ik op een geheim. Een goed bewaard geheim in de familie van mijn vader. Het ontrafelen daarvan heeft veel tijd en research gekost en toch zijn er uiteindelijk maar acht woorden aan besteed in het boek. Waarom? Het verhaal zou te veel afleiden van dat van de vader en de moeder, mijn hoofdpersonen en ik was niet honderd procent zeker van de versie die ik uiteindelijk had gereconstrueerd, terwijl publicatie ervan wel pijnlijk zou zijn voor de nog levende ooms en tantes.

Een familiekroniek dient meer te bevatten dan een verzameling feiten; de sociale omgeving moet geschetst. Op ‘geeltjes’ schreef ik begrippen als: seculariseringsproces, ontzuiling, emancipatie, afkalvend gezag, toenemende mobiliteit, scholing, kindertal, industrialisatie, toenemende welvaart, stad/platteland, mobiliteit, tradities, carrière, komst verzorgingsstaat en nog zo wat. Maar omdat ik over eenvoudige mensen schreef, wilde ik dat ook zij mijn boek zouden moeten kunnen lezen. Geen moeilijke woorden, niet te lange zinnen, meer impliciet de grote maatschappelijke veranderingen weergeven dan een term als ontkerkelijking laten vallen. Zo verpakte ik ‘afkalvend gezag’ in een scène waarin een jongere broer in verzet komt tegen onze autoritaire vader. En dan is het niet toevallig 1968. 

Ook las ik in mijn oude dagboeken en schoffelde flink in het eigen geheugen. Een lange periode heel intensief bezig zijn met het verleden zorgt dat er laatjes opengaan die welhaast dichtgetimmerd leken te zitten. Een fascinerend proces.

Op zoek naar een stuwende kracht in dat wat een boek moest worden, koos ik voor een chronologisch verslag van de aftakeling van mijn moeder, haar dood, de laatste maanden van het leven van mijn vader en op de laatste bladzijde sterft ook hij. Maar het ging me niet voornamelijk om hun tragische oude dag; ik wilde juist laten zien welke idealen ze koesterden, waarvan ze droomden, de tijd beschrijven waarin ze gelukkig, sterk en gezond waren, kinderen kregen, die grootbrachten. Daarom besloot ik de chronologische verhaallijn steeds te onderbreken door fragmenten die een beeld geven van de tijd dat ze in de kracht van hun leven zijn. En ik schets uit wat voor gezinnen zij afkomstig zijn, het milieu waarin ze opgroeiden.

Al schrijvende was ik me er wel degelijk van bewust dat er niet één werkelijkheid bestaat. Sterker nog, als ik nu opnieuw zou beginnen zou het een ander boek worden: ik ben veranderd, mijn voorstelling van het verleden is veranderd. Had een van mijn broers of zussen een dergelijk boek geschreven, dan was het ook een ander verhaal geworden met misschien hier en daar een overlap. Precies om die reden heb ik ze de kopij van te voren niet laten lezen. Het zou ze de illusie kunnen geven dat ze er wijzigingen in mochten aanbrengen en dat wilde ik niet; het was mijn verhaal over onze ouders. Wel heb ik het boek aan mijn broers en zusjes opgedragen. Gelukkig waren ze erg blij met ‘De vader, de moeder & de tijd’ toen dat in 1999 verscheen. Zij en ik beschouwen het als een monumentje voor de mensen die onze ouders waren. Op deze manier leven zij voort.

Het boek gaf ik een motto mee: ‘De zin van het menselijk bestaan ligt in de continuïteit. Je bent de zoon of dochter van een vorige generatie. Niet de officiële geschiedenis maar de persoonlijke, van geboorte, hartstocht, erotiek, dood geeft gewicht.’ Met deze woorden van de Hongaarse schrijver György Konrád ben ik het helemaal eens.

En wat ik hoopte gebeurde, het was een persoonlijk verslag maar had een universele waarde. Ook voor lezers die mijn ouders helemaal niet gekend hebben, bleek het een herkenbaar verhaal: ‘Zo waren hardwerkende ouders van grote gezinnen in de jaren ’50, ’60, ’70’, schreef een vrouw me , ‘het zou zo mijn boek kunnen zijn, ook al ben ik jonger dan jij en groeide ik op in Limburg in plaats van in ’t Gooi’.

Tientallen lezingen heb ik daarna gegeven en altijd waren er wel een paar mensen onder het gehoor die zelf hun familiegeschiedenis wilden schrijven maar niet wisten hoe te beginnen. Die besloot ik een handreiking te bieden door een boekje te maken met simpele tips om ze op weg te helpen. Dat werd ‘Hoe schrijf je een familiegeschiedenis’.

De historicus Arie van Deursen vond het vanzelfsprekend dat we belangstelling hebben voor onze voorouders. ‘We zijn het aan hen verplicht. Het zijn de mensen die ervoor gezorgd hebben dat wij hier zijn. Voor mij is het een kwestie van naastenliefde, die sluit ook gestorvenen niet uit.’

De vraag is niet waarom er zoveel mensen in het verleden van hun ouders, grootouders of overgrootouders duiken maar waarom er nog mensen zijn die de familiehistorie ongeschreven laten. Zeker als die mensen journalisten zijn.

Marijke Hilhorst
schreef ‘De vader, de moeder & de tijd’ (een familiekroniek, uitgeverij Augustus), ‘Hoe schrijf je een familiegeschiedenis’ (praktische hulp bij het schrijven van je eigen familiegeschiedenis, uitgeverij Augustus), ‘De kleine hel’ (vrouwen over ontrouw en bedrog, uitsluitend verkrijgbaar via de auteur, 5 euro exclusief verzendkosten) en ‘De opgewekte pessimist. Eenenzestig columns die het leven vieren’, € 14,95 incl. verzendkosten www.elsevier.nl/boeken of bel 0314-358358.

Bekijk meer van

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.