— dinsdag 9 januari 2024 07:00 | 1 reactie , praat mee

Opinie: ‘Redacties moeten een ambassadeur inzetten voor begrijpelijke taal’

Opinie: ‘Redacties moeten een ambassadeur inzetten voor begrijpelijke taal’
© ANP / Vasily Pindyurin

Iedere journalist komt ze geheid af en toe tegen: die vervelende jargonwoorden die nodig zijn voor de essentie van je verhaal, maar waarvan je weet dat je buurman ze niet zou begrijpen als hij ze in de krant leest. Hoe ga je daar wijs mee om, zonder de juistheid aan te tasten en er te veel tijd aan kwijt te zijn? Verslaggevers zouden zo’n dilemma niet in hun eentje moeten trotseren en meer handvatten moeten krijgen, betoogt freelance journalist en eindejaarsstudent bij Fontys Journalistiek Evy Buitendijk.

Een te moeilijk woord toch laten staan, omdat het nu eenmaal een citaat is of omdat er geen synoniem lijkt te zijn dat de lading dekt. Je betrapt jezelf er vast weleens op. Of misschien ben je je er wel helemaal niet van bewust dat “demissionair” geen simpel woord is. En probeer daar maar eens een goed synoniem voor te vinden.

Tekstschrijvers van communicatiebureau Loo van Eck doen een goede poging: “ontslagen maar nog wel aan het werk tot de opvolger het overneemt”, al is dat alternatief wel direct elf woorden langer. Op hun site genaamd Ishetb1.nl kun je woorden invoeren, waarna een tool bepaalt of het B1 (“makkelijk en door bijna iedereen te begrijpen’’) is.

Een B1-woord of -tekst is geen officieel vastgelegde term. Toch wint het al jaren aan populariteit. Zo zijn er talloze cursussen over en communiceert ook Rijksoverheid.nl voortaan in B1. De term is afkomstig uit het Europees Referentiekader (ERK), dat bestaat uit zes niveaus. A1 is heel eenvoudig, C2 zeer moeilijk. Die niveaus zijn in eerste instantie nooit bedoeld als schrijfniveau, maar als leesniveau. Als we het hebben over een B1-tekst, bedoelen we dus eigenlijk een tekst die geschikt is voor mensen met taalniveau B1, menen de tekstschrijvers van Loo van Eck.

‘Het woord inflatie is te moeilijk’
BureauTaal kwam ooit met het idee om teksten op deze manier te kwalificeren. Het bureau stelt dat B1-teksten voor 95 procent van de Nederlandse bevolking begrijpelijk zijn. Genootschap Onze Taal meldt daarentegen dat de genoemde percentages tussen de 80 en 90 procent liggen. Volgens de Taalunie zijn er geen gevalideerde cijfers. Als we de beweringen toch moeten geloven, is B1 door een brede doelgroep te begrijpen. Daarbij lezen hoger opgeleiden ook meestal liever teksten op dit niveau dan de wat lastigere C1-teksten, aldus de Rijksoverheid.

NU.nl probeert sinds een tijdje zoveel mogelijk in taalniveau B1 te schrijven. Volgens eindredacteur Tamara Awwad mikken de redacteuren op zo’n 80 procent. De redactie gebruikt een hulpprogramma – Textmetrics - om te controleren of een woord makkelijk genoeg is. Het woord “inflatie” is volgens dat programma te moeilijk, maar economieredacteuren kunnen daar niet omheen. Als oplossing leggen zij het begrip in een latere zin uit.

“Hopelijk begrijpen de lezers door de zinnen eromheen toch wat zo’n woord betekent”, zegt Awwad.

De nieuwssite is - verrassend genoeg - een van de weinige die zo’n harde richtlijn heeft rondom een schrijfniveau. De NOS benoemt op haar site dat ze “vlotte en alledaagse taal” wil gebruiken, maar B1 wordt daarbij niet genoemd. In stijlboeken en richtlijnen van andere grote landelijke nieuwsmedia wordt doorgaans ook geen schrijfniveau vereist. Doen zij dan wel het optimale om hun lezers goed te bereiken? Zonder daarin te slagen heb je als journalistiek medium eigenlijk geen bestaansrecht.

Wat is dan begrijpelijke taal?
Dat redacties afzien van de term B1, komt mogelijk doordat het (nog) geen duidelijk criterium is. Dat is dan ook de reden voor Trouw om geen interne regels rondom het lees- en schrijfniveau aan te houden. Dat zegt Ilse van Heusden, chef eindredactie: “Het is aan de auteurs en eindredacteuren om begrijpelijke taal in de krant te zetten.”

Ja, stijlboeken instrueren vaak wel om te schrijven in “heldere” of “begrijpelijke” taal, maar wat is dat dan? Redacties zullen toch iets concreters moeten afspreken, al is het intern. Hoe zorg je er anders voor dat iedereen in dezelfde stijl schrijft? Met middelen zoals een ijkpersoon en een stijlboek misschien, maar daarin staan vooral veelvoorkomende woorden en afspraken omtrent inclusief taalgebruik. Niet wat je moet doen in die ene bijzondere situatie of met jargon uit een bepaalde sector.

Voorkom dat de ene redacteur denkt dat Ad uit Helmond (fictief ijkpersoon) graag op een moeilijk niveau (zoals C1) leest en de ander uitgaat van een simpeler niveau (zoals A2). Geef die ijkpersoon meteen een taalniveau, of dat nu B1 is of niet. Dat verschilt uiteraard per medium. Een artikel over hybridemotoren in een autovakblad hoeft niet per se B1 te zijn, maar een artikel over hybridemotoren in de krant wellicht wel.

Niet in je eentje uitvogelen
Het louter versimpelen van woorden en zinnen leidt nog niet eens tot dé oplossing voor begrijpelijkere teksten, volgens schrijftrainer Geerke van der Bruggen. Er is ook aandacht nodig voor structuur en inhoud. Oftewel: de tekst moet een logische volgorde en samenhang hebben en precies de informatie bevatten die de lezer nodig heeft. Het toegankelijker maken van teksten kost dus veel tijd en toewijding.

Als verslaggever heb je hoogstzelden zeeën van tijd, dan wel de adequate kennis of het juiste overzicht. Je zou het ook niet in je eentje hoeven uit te vogelen. Iedere redactie zou er daarom goed aan doen een ambassadeur voor begrijpelijke taal in te stellen. Dat kan bijvoorbeeld een eindredacteur zijn. Die ambassadeur is niet (alleen maar) bezig met het haastig controleren van berichten. Nee, zijn taak is om te streven naar toegankelijkere en begrijpelijkere taal, door aan een eensgezind schrijfniveau te werken en de verslaggevers daarvoor handvatten te bieden.

Zo’n ambassadeur houdt overzicht, zet goede alternatieven voor moeilijke woorden op een rijtje en ziet erop toe dat iedereen binnen het medium op hetzelfde niveau schrijft. Zo iemand is daarnaast een direct aanspreekpunt voor verslaggevers bij talige dilemma’s.

Afspraken die daaruit voortvloeien kunnen dan weer op lange termijn in een stijlboek worden geplaatst. Komt dat uiteindelijk toch nog van pas.

Bekijk meer van

Taalunie
NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee

1 reactie

joop@lahaise.nl, 10 januari 2024, 13:33

Over begrijpelijke taal bestaan nogal mijns inziens veel misverstanden. Het voor veel Nederlanders net aan leesbare taalniveau B1 levert voor de ander onbegrijpelijke jip-en-janneketaal op. Ook zonder in jargon en ambtelijke dieventaal te vervallen vergen sommige onderwerpen nu eenmaal een genuanceerdere, preciezere taal dan waar B1 in voorziet – om over nog lagere taalniveaus nog maar te zwijgen. Bovendien bepaalt niet alleen het onderwerp welk taalniveau toereikend dan wel vereist is, ook het medium en zijn doelgroep. Bovenstaand artikel noemt het verschil tussen een autovakblad en een krant. Alleen al dit voorbeeld toont aan dat het niet zo simpel ligt. Autovakbladen worden graag door technisch geschoolden, niet per se zeer taalvaardige geïnteresseerden gelezen, terwijl kranten als NRC, Volkskrant en Trouw qua taalniveau gerust wat sneller naar een hogere versnelling kunnen schakelen – om maar eens in het jargon te blijven.
Het is een misverstand te denken dat verlaging van het taalniveau het nieuws begrijpelijker maakt en ‘dus’ meer lezers trekt. Als pakweg de NRC zijn taalniveau naar dat van de gemiddelde Telegraaf-lezer verlaagt, zal dat niet meer lezers opleveren. Integendeel, veel lezers zullen afhaken, teleurgesteld in het verlies aan nuancering, accuratesse en diepgang. In z’n algemeenheid geldt bovendien dat wie niet leest, ook eenvoudiger opgestelde teksten liefst versmaadt. Versimpeling van de nieuwstaal leidt niet tot meer nieuwsconsumptie, laat staan tot een beter begrip van de wereld.
Er gebeurt wel iets anders: de onvermijdelijke versimpeling van het nieuws door nóg eenvoudiger taalgebruik (dan nu al bij de meeste populaire nieuwsmedia) leidt tot verschraling en debilisering. Dat is het laatste wat de journalistiek zou moeten nastreven in deze complexe tijd, waarin het eigen voortbestaan meer dan ooit op het spel staat.
Iets anders is dat vaktaal en politiek-ambtelijke argot moet worden vermeden, of desnoods uitgelegd. Bij jargon hoort ook groepstaal. Als wat meer ervaren lezer, journalist nota bene, behept met een achtergrond als neerlandicus en taalonderzoeker, struikel ik in vooral de magazines van Volkskrant en NRC nogal eens over modieuze termen die blijkbaar als bekend worden verondersteld. Dito politiek hypercorrect (‘wokistisch’) taalgebruik, met voor velen een sterk vervreemdend effect. Onder het mom van inclusie worden grote groepen lezers daarmee juist buitengesloten.
Mijn advies: gebruik zoveel mogelijk correct Nederlands en vermijdt goed bedoelde ideologische kleuring, modieuze groepstaal en jargon én nodeloze versimpeling. Praktische tip: stel tekstuele en journalistieke eindredactie verplicht voor nieuwsmedia, in plaats van de eindredacteur als sluitpost te beschouwen.