— woensdag 3 oktober 2012, 21:38 | 1 reactie, praat mee

Nieuws is geen gratis goed

‘Ik zou willen pleiten voor een ‘slow journalism’ dat zich, net zoals Woodward en Bernstein, twee jaar de tijd durft te geven om een dossier uit te spitten, die terug waakhond in plaats van windhond durft te zijn. Journalisten voor wie waarheidsvinding belangrijker is dan het bespelen van de waan van de dag of het uitvergroten van de emotie van de dag. Die kritische zin niet verwarren met een blinde anti-establishment houding, die feiten belangrijker vinden dan meningen.’ Dat betoogde Yves Desmet in zijn Joost Divendallezing 2012 ‘Waakhond of windhond’, die werd uitgesproken in Amsterdam.

Ik wil u vooreerst danken voor de gelegenheid die u me biedt met u enkele bedenkingen over het mediawereldje te delen. En ik wil u tweemaal bedanken omdat zulks gebeurt in een lezing die de naam draagt van Joost Divendal, die ons twee jaar geleden veel te vroeg ontviel op 55-jarige leeftijd.
Ik kende Joost omdat ik tijdens zijn kundige hoofdredacteurschap van wat toen nog ‘De Journalist’ heette, het vakblad voor de Nederlandse journalisten, een column verzorgde. Zowat tien jaar heb ik dat volgehouden, en in de loop daarvan had ik regelmatig de kans om met Joost van gedachten te wisselen over dit prachtige vak, zonder blind te zijn voor de gevaren die het bedreigen.
Het kan dan ook geen toeval zijn dat ik behoorlijk wat ideeën en bedenkingen die ik vanavond met u wil delen, in een eerste versie genoteerd werden tijdens een vakantie in Italië, meerbepaald in Venetië, de stad waar Joost zo verliefd op was dat hij er verschillende boeken over schreef.

We waren generatiegenoten, en misschien verklaart dat waarom we allebei een genuanceerde visie op ons vak hadden. We hadden net genoeg ervaring om te weten dat ondanks alle mogelijke kritiek het vroeger toch niet beter was. We hadden vroeger namelijk zelf meegemaakt.
Ons beeld strookte niet met dat van de mediakritiek die vandaag zo welig tiert, en het op vele universiteiten en hogescholen zelfs tot academische discipline heeft geschopt. Een mediakritiek die vertrekt van het axioma dat de pers al decennia systematisch achteruit boert, met een kwaliteit die zo drastisch slinkt dat ze inmiddels nog slechts in homeopathische dosissen aanwezig is.
Een pers die alleen maar in functie denkt van oplage- en kijkcijfers, kranten die niet langer de waarheid, maar alleen het oplagecijfer als criterium nemen om te beslissen wat er al dan niet verschijnt. Actualiteitsrubrieken op televisie die hun onderwerpen kiezen in functie van de kijkcijfers, en niet van hun maatschappelijke relevantie.

Heel dat systeem zou dan worden aangedreven door gewetenloze en geldbeluste uitgevers, persbaronnen die hun journalisten verplichten af te wijken van de gouden regel die zo lang de voorpagina van The New York Times sierde : “All the news that’s fit to print’, en dat vervangen hebben door het motto “All the news that’s fit to sell”.
Zo wordt dat vandaag voor waarheid aangeleerd aan toekomstige studenten journalistiek.
Ik heb het ooit meegemaakt dat een pas afgestudeerd jongmens op de redactievloer verscheen, en na een dag hogelijk verbaasd bleek dat Christian Van Thillo, de eigenaar van mijn krant en van nogal wat kranten hier te lande, hem niet hoogstpersoonlijk was komen vertellen wat en hoe hij iets diende op te schrijven. Want dat had hij zo geleerd, dat het zo werkte.

Mocht u ook lijden aan de genetisch aangeboren neiging van de mensheid om het verleden te idealiseren, dan is daar een probaat middeltje voor: ga naar een openbare bibliotheek en vraag er wat kranten en tijdschriften uit de jaren ‘70 of ‘80 op. U weet niet wat u ziet. Vervelend, slecht geschreven, beperkt in inhoud, mager in grafiek en foto, vaak de mond napratend van hun politieke broodheren, die de kranten destijds meestal ook financierden. In vergelijking met toen, en ik werkte toen al als journalist, en ik kan het dus weten, hebben we een quantumsprong voorwaarts gemaakt. De media zijn vandaag ongebondener dan ooit, rijker en gevarieerder in inhoud dan ooit voorheen in de geschiedenis, worden meer wel dan niet gemaakt door professionals die hun job kennen en expert zijn in het gebied waarover ze berichten. In overgrote meerderheid proberen mijn collega’s naar eer en geweten, en met alle kennis waarover ze beschikken, u dagelijks de best mogelijke versie van de waarheid te brengen.

Het probleem is dat u mij op dit moment niet meer gelooft. U denkt nu: als die Belg nu echt denkt dat we deze laudatio op zijn stiel zo maar vlotjes zullen aannemen, zet hem dan snel op de Thalys naar Brussel, kan deze avond misschien daarna toch nog interessant en leuk worden. U bent niet alleen om dat te denken. Uit alle vertrouwensbarometers blijkt dat journalisten in het vertrouwen dat ze van het brede publiek genieten zich ergens situeren tussen prostituées en politici. We hebben dus een probleem, en dat hebben we aan onszelf te danken.
De afgelopen decennia heeft de mediawereld de grootste technologische sprong uit haar bestaan gemaakt. De afgelopen decennia heeft de mediawereld een omslag gemaakt van een in hoofdzaak door publieke middelen en politiek geld gefinancierde omgeving naar een commercieel model, gedreven door winst. Dat heeft een aantal grote voordelen gehad, maar ook heel wat nadelen. Het heeft mechanismen en werkmethodes opgeleverd waarvan we het gevaar niet altijd correct hebben ingeschat, en die ervoor zorgen dat er steeds meer uitschuivers en fouten gemaakt worden die vermeden hadden kunnen worden.
Van waakhond naar windhond

Zelf ben ik de journalistiek gestapt toen ik als jonge student ademloos geboeid de ontwikkelingen in het Watergate schandaal volgde. We schrijven midden jaren zeventig, en twee piepjonge journalisten van The Washington Post, Bob Woodward en Carl Bernstein, onthullen beetje bij beetje hoe president Nixon en zijn ploeg een parallelle geheime inlichtingendienst hebben opgericht, met geheime financiering, die erop gericht is het democratische proces te omzeilen. Omkoping, inbraken in het hoofdkwartier van de Democratische partij, cover-ups, het hield niet op, tot ze uiteindelijk, na meer dan twee jaar spitten in het dossier, zoveel bewijzen hadden bovengehaald dat er Nixon geen andere keuze meer overbleef dan om als eerste president in de geschiedenis zijn ontslag in te dienen.
Nooit eerder had de pers zich zozeer waakhond van de democratie getoond, nooit eerder had ze haar rol als vierde macht, die van de bewaker en controleur van de andere staatsmachten, met zoveel verve ingevuld. Dat wou ik ook doen, en alle verhoudingen in acht genomen, ben ik daar ook voor een stukje in geslaagd. Als journalist en later als hoofdredacteur zijn we er met onze ploeg in gelukt behoorlijk wat onfrisse praktijken en zaken boven te spitten. Corruptiegeld van een Italiaanse helikopterbouwer die in de kassen van de Socialistische Partij was terechtgekomen. Wie de moordenaars waren van de socialistische partijleider André Cools, wij waren de eersten die het uitbrachten. En we deden dat omdat we er de tijd voor namen.

Dat is namelijk de eerste vereiste om de waakhondfunctie uit te kunnen oefenen: tijd.
Ik zei het al, Woodward en Bernstein hebben meer dan twee jaar fulltime op het Watergatedossier gewerkt vooraleer ze resultaat boekten. Het heeft meer dan een jaar geduurd voor andere Amerikaanse kranten de berichtgeving van The Washington Post serieus begonnen te nemen en ook over Watergate begonnen te berichten.

Ik geef toe, vandaag is dat moeilijker geworden, misschien zelfs bijna onmogelijk. En dat komt omdat de afgelopen decennia de versnelling in het nieuws exponentieel is toegenomen. Waar er vroeger één deadline per dag was, waarop de krant naar de pers diende gebracht, is er in het internettijdperk sprake van een nooit ophoudende deadline, waar iedereen voortdurend op zoek is naar de allernieuwste primeur om op de site te kunnen zetten. Of die primeur ook klopt, is vaak niet langer het criterium, wel de ongelooflijke dwingende verplichting om de eerste te zijn.
Die drang om de eerste te zijn is zo overweldigend geworden dat die ten koste gaat van de aloude journalistieke deontologische regels: check en dubbelcheck, controleer je bronnen, zorg dat je meerdere onafhankelijke bronnen hebt voor je een bericht publiceert.
Vandaag gebeurt vaak het omgekeerde: een onjuist maar spectaculair bericht wordt vaak binnen enkele minuten via de copy-paste functie op tientallen nieuwssites verspreid, en gaat zo een eigen leven leiden, waarbij niemand nog de waarachtigheid van de gegevens controleert. Wanneer later blijkt dat het onjuist is, wordt het volgens hetzelfde patroon weer rechtgezet, in het beste geval, volgens de cynische regel dat een bericht en de ontkenning van een bericht in totaal twee berichten opleveren.
Dat fenomeen neemt alsmaar toe, in frequentie en in schaalgrootte.

Eén van de bekendste voorbeelden werd beschreven door journalist Nick Davies van de Britse krant The Guardian. Hij is een voorbeeld van hoe journalistiek ook vandaag nog steeds de waakhondfunctie kan vervullen, want hij is de man die het afluisterschandaal van de Britse kranten van de Murdoch-groep aan het licht bracht. Davies is ook de auteur van ‘Flat Earth News’, een boek dat ik u van harte aanbeveel, omdat het naar mijn bescheiden mening zowat het beste mediakritische werk is dat momenteel op de markt is. Hij beschrijft daarin bijvoorbeeld de wereldwijde massahysterie die zich voordeed in het jaar 1999. Volgens zowat alle kranten ter wereld dreigde er toen de millennium bug, die op 1 januari 2000 zowat alle computers ter wereld zou vernietigen. Er zijn bossen verloren gegaan om het papier aan te leveren waarop wereldwijd deze catastrofe werd aangekondigd. Niet alleen de pers, ook de overheden deelden de hysterie, en gaven miljoenen en miljoenen uit om het onheil af te wenden. En herinnert u zich ook nog dat er op de gestelde Dag des Oordeels uiteindelijk hoegenaamd niks gebeurde? Niet in de landen die miljoenen hadden uitgegeven, maar evenmin in landen die helemaal niets hadden gedaan. Davies onderzocht hoe die angst voor ‘Y2K’ terug te brengen is tot één paragraaf in een interview met een Canadese technologieconsultant uit 1993 die waarschuwt voor mogelijke problemen bij de eeuwwisseling. De consultant geeft bij Davies toe dat hij “de angst bewust wou opdrijven” om zijn punt te maken. Zijn interview bleek de spreekwoordelijke vleugelslag van de vlinder in het regenwoud die een orkaan doet ontstaan.
D
ergelijke vormen van mediahysterie worden pas echt aangeblazen als het nieuws begint rond te kaatsen in wat Davies de ‘echokamer’ noemt. Dat fenomeen doet zich voor wanneer ook mensen die absoluut niet weten waarover ze het hebben, maar die zich toch een expertenstatus aanmeten, hun alarmerende mening beginnen te verkondigen. Zeker wanneer ze daarbij iets te verdienen hebben. Geen enkele computerexpert heeft ooit het millenniumbugverhaal ontkracht, en dat ze aan de dreiging daarvan heel wat lucratieve opdrachten overhielden, is daar waarschijnlijk niet vreemd aan.
Zo’n hysterie zie je met steeds grotere frequentie. Een tijdje terug voorspelden de Belgische media dagelijks dat er in de arme migrantenwijk Anderlecht in Brussel een ‘veldslag’ op stapel stond tussen jonge allochtonen en voetbalhooligans. Bron: een sms’je van onduidelijke afkomst. De politie stuurde voor de zekerheid een contingent agenten, wat vervolgens door dezelfde media geduid werd als bewijs dat er echt wel hommeles op komst was. ‘Gespannen rust’ was in die week een staande uitdrukking in alle kranten.

We hadden ook, naar waarheid, kunnen schrijven dat er niets gebeurde. We hadden kunnen wegblijven uit Anderlecht. Dat deden we niet, uit angst dat er toch wat zou ontploffen en de krant dat als enige zou hebben gemist. Je zou zomaar eens de primeur kunnen missen.
Verleden jaar in mei had een lokale twitteraar in Abottabad in Pakistan een kleine honderd volgers. Op het einde van de dag had hij er meerdere honderdduizenden. Zijn eerste tweet die dag was dat hij gevechtshelikopters had horen overvliegen. Later bleek dat die op weg waren om Osama Bin Laden uit te schakelen. Niet dat die brave man dat wist, of ook maar enigszins andere nuttige of relevante informatie kon verstrekken, maar hij was wel de eerste die ‘iets’ had gehoord. Zo fascinerend is snelheid geworden.

Naast de snelheid is er ook de overvloedigheid gekomen. Het aantal mediakanalen, zeker via internet, is exponentieel toegenomen, en allemaal moeten ze 24 uur per dag, zeven dagen op zeven, hun nut en waarde bewijzen aan hun lezers en kijkers. Wel, het is mijn stelling dat er eenvoudigweg niet genoeg nieuws is om dat monster te blijven voeden, maar toch doen we allemaal mee in een tot mislukken gedoemde poging het toch te proberen.
Als we al niet genoeg materiaal hebben om het te vullen, waar zouden we nog de tijd vandaan halen om het ook nog eens te controleren op zijn waarheidsgehalte? Daar zouden redacties voor nodig zijn met een omvang die niet te financieren valt, niet met publieke en ook niet met private middelen. Dus jakkeren we verder, hopende dat het op het einde van de dag wel zal meevallen.

Dat doet het natuurlijk niet. Want op het einde van de dag blijkt er toch weer dat zovele ongecontroleerde berichten als waarheid het internet hebben gehaald.
Niet alleen de waarheid lijdt onder de toenemende versnelling. Nieuws heet van de naald mag zelfs accuraat zijn, daarom worden we er niet veel wijzer van. Eén van de grootste gevaren die Amerikaanse soldaten in Somalië, de Golfoorlog of Irak bedreigden, was dat ze zouden struikelen over de kabels van de TV-ploegen van CNN, de uitvinders van het 24 uur per dag live-nieuws. Maar of die beelden, heet van de naald, u bent er live en rechtstreeks bij! – ook maar iets hebben bijgedragen aan het begrip van de Amerikanen en de rest van de wereld over de echte motieven en achtergronden van deze interventies is zeer de vraag.
Want het is wel live en rechtstreeks, via pseudo-objectieve nieuwsberichtgeving dat de grootste leugen van het afgelopen decennium ongecontroleerd verspreid kon worden: de bewering dat een aanval op Irak gerechtvaardigd was omdat Saddam Hoessein beschikte over massavernietigingswapens. Het ‘objectieve’ nieuws was dat de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell die stelling poneerde in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en dus werd die stelling zelf niet gecheckt. In veel media werd al snel de bron - de Amerikaanse overheid - uit het verhaal geknipt, en bleven de massavernietigingswapens als ‘feit’ over. Dat de argumenten van Powell vals waren, is pas veel later aan de oppervlakte gekomen.

Maar iedereen waste de handen in onschuld, want de woorden van Powell waren immers accuraat en dus juist weergegeven.
Samenzweringstheoretici zullen zich verlekkerd in de handen wrijven. Zie je wel dat achter de massamedia een complot schuilgaat van de machtigen der aarde, om hun eigen wereldbeeld en economische belangen te verstevigen? Zij dwalen. “Een samenzwering kan doorbroken worden; chaos is moeilijker te controleren”, schrijft Nick Davies.
Het is die chaos die vandaag regeert, de chaos van de snelheid, van de talloze kanalen die tegelijk en permanent moeten worden gevuld. Het is de chaos die ontstaat wanneer nieuws niet langer te controleren valt en ook niet meer gecontroleerd wordt.
Howard Rozenberger en Charles Feldman, gereputeerde Amerikaanse journalisten met een Pullitzer-prize op hun naam, werkten allebei jarenlang voor CNN, tot ze dit systeem niet langer konden aanzien. Ze schreven er vervolgens een boekje over, met de alleszeggende titel ‘No time to think.’ Geen tijd meer om nog na te denken.
Natuurlijk speelt de rol van de commercialisering hierin mee: hoe dunner de redacties worden die steeds meer inhoud moeten leveren, hoe minder tijd er overblijft om te checken, te duiden, achtergrond te geven, feiten van fictie te onderscheiden.
Maar het is meer dan dat: de cultuur van de vluchtigheid heeft de hele samenleving bevangen. De Italiaanse auteur Alessandro Barrico schreef daar een interessant essay over, dat hij ‘De Barbaren’ titelde. Zijn stelling is dat internet ons concept over expertise en kennis ten gronde veranderd heeft. Vroeger was de expert iemand die verticaal werkte. De grootste Bach-expert was hij die er het meeste over gelezen had, die elke noot vanbuiten kende, elke opvoering had beluisterd, hij had een mijnschacht van kennis verzameld waarin hij alleen de weg nog wist. Vanuit die diepe schacht van opzoekwerk en ervaring bracht hij de kennis naar de oppervlakte om die daar te delen met de mensen aan de oppervlakte. De huidige expert is horizontaal geworden.

Niet zijn hoeveelheid kennis telt, wel zijn vermogen om al surfend op het net van de ene hotspot naar de andere te gaan en zijn Facebookvrienden of Twittervolgers daar het eerst van op de hoogte te brengen. De laatste samenzweringstheorie, de sappigste roddel over een bekende Nederlander, het primeurtje over de regeringsvorming. Alsof je een plat keitje over het wateroppervlak laat stuiteren. Het aantal keren dat je per dag contact maakt met een nieuwsje bepaalt je expertise en je aantal volgelingen. Of dat nieuws ook klopt, of het al dan niet gefundeerd of relevant is, maakt niet zo veel meer uit.

Het volume dat dagelijks nodig is om de mediakanalen gevuld te krijgen, is niet meer te behappen door de redacties.
Dus zijn er graag mensen die deze leemte invullen. Zo kopte mijn krant een jaar gelden: “Bijna drie miljoen Belgen lijden aan een hersenkwaal.”
Het hallucinante cijfer van drie miljoen hersenpatiënten was een weinig objectieve som van (pseudo-)kwalen, waarvan neurologische en farmaceutische lobbygroepen een medische en door de overheid terugbetaalde behandeling nastreven. Het was een soortgelijke lobbygroep, de European Brain Council, die het bericht verspreid had. Het public relations-persbericht verscheen in de krant als nieuws, zonder wederwoord, zonder dubbelcheck.
Nick Davies zou deze hersenkwakkel een typevoorbeeld van ‘flat earth news’ noemen. Met die term bedoelt hij “een onbetrouwbare stelling die door buitenstaanders wordt gecreëerd, meestal voor hun eigen commerciële of politieke voordeel, die in de bloedbanen van de media wordt geïnjecteerd door een persagentschap, waarna het gaat circuleren in de hele wereld van massacommunicatie.” Simpel vertaald: als iemand vandaag zo gek wil zijn om de stelling te verspreiden dat de aarde plat is, dan bestaat de kans dat ergens ter wereld een persbureau dat ‘bericht’ zonder meer overneemt.

Thomson Reuters beroemt er zich op ‘s werelds grootste internationale multimedianieuwsagentschap te zijn. Het voedt wereldwijd duizenden redacties met nieuwsberichten en beelden. Gaandeweg zijn de persgiganten Reuters en Associated Press (AP) welhaast een monopolie gaan opbouwen in de internationale nieuwsgaring. Die afhankelijkheid van steeds minder primaire bronnen lijkt nog te vergroten, nu kranten en nieuwszenders uit financiële noodzaak hun buitenlands correspondentennetwerk steeds verder afbouwen. Tot genoegen van Reuters, overigens: “Het is een vreselijk periode voor kranten, maar zolang de patiënt niet sterft, is het een fantastische periode voor persagentschappen”, liet Thomas Glocer, CEO bij Thomson Reuters, zich ontvallen op een symposium in het Amerikaanse Carlsbad. “De kranten snijden in hun personeelsbestand en in hun buitenlandse afdelingen en worden zo steeds afhankelijker van persbureaus.”
Verdraai en versimpel
Het risico van die afhankelijkheid wordt treffend verwoord in ‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk. Met dat boek uit 2006, inmiddels al aan zijn 22ste druk toe, veroorzaakte de vroegere correspondent van de Volkskrant, NRC Handelsblad en de NOS een schokgolfje in Nederland. Hij prikte genadeloos de illusie door dat met name buitenlandse correspondenten de wereld van ter plaatse kunnen duiden. Nuchter legt hij uit waarom “je bladerend in kranten en zappend langs de journaals vaak dezelfde beelden en verhalen” ziet. Dat zit zo: “De mannen en vrouwen op de redactie bleken inderdaad verstandig, maar ze overzagen niet de wereld. Ze overzagen de persbureaus, en daaruit maakte de baas, ‘chef’ in het jargon, een selectie.” Maar die selectie heeft vaker wel dan niet te maken met de werkelijkheid.
Wie de laatste weken terug het journaal volgde, kreeg de indruk dat er een wereldwijde moslimopstand tot stand was gekomen als protest op een idioot filmpje van een Amerikaanse man. In werkelijkheid gingen de protesten wereldwijd hooguit om enkele duizenden betogers, terwijl er miljarden moslims te vinden zijn. Maar dat is niet het beeld dat u kreeg. U kreeg een selectie.

Het kan nog erger. Pas echt alarmerend is wanneer foute verhalen doelbewust als een zogenaamde ‘hoax’ in de wereld worden gebracht. Dat toont aan dat sommigen zich erg bewust zijn van de huidige kwetsbaarheid van de globale media en kansen zien om daar misbruik van te maken. Om een misselijke grap uit te halen; om een reclameboodschap te verspreiden; om de politieke agenda te bepalen; en uiteindelijk om de geloofwaardigheid van de media zelf in het gedrang te brengen.
Onderzoek van de Universiteit van Cardiff toont aan dat de vijf Britse kwaliteitskranten liefst 70 procent van hun binnenlandse nieuwsberichten geheel of gedeeltelijk overnemen van het nationale persagentschap Press Association en zijn lokale broertjes. Er is geen reden om aan te nemen dat dat cijfer in België of Nederland noemenswaardig lager ligt.
Journalisten worden steeds meer geestesarbeiders die aan de lopende band verhalen moeten produceren. De tijdrovende bezigheid van waarheidsvinding is niet langer de regel, een ontwikkeling die nog versterkt wordt door de concurrentie van het internet, dat als een deeltjesversneller ongecontroleerd nieuws uitbraakt.

Daar ligt de ware verantwoordelijkheid van mediabazen. Zij voeren de druk op hun redacties niet op om hun eigen ideologie te verspreiden, zoals de complottheoretici graag geloven, maar om hun winst te maximaliseren. Met de filosofie van ‘kruideniers’ besturen zij hun nieuwswinkels: “Productiekosten besparen en omzet verhogen.” Daar zit de infernale dynamiek.
Veilig voor alles
Dat model heeft zeer ingrijpende gevolgen voor de nieuwsselectie. Nieuws moet in de eerste plaats ‘goedkoop’ zijn: snel in te blikken en veilig om te publiceren. Veilig nieuws is bij voorkeur officieel nieuws. Journalisten wordt daarom subtiel aangeraden weg te blijven bij de ‘prikkeldraad’, een metafoor voor het gedonder waarmee redacties of verslaggevers te maken krijgen als ze uit de groene zone van dat officiële nieuws stappen. Een journalist die een PR-bericht onwaar noemt, krijgt de firma en haar advocaten op zijn dak, een politiek journalist die een schandaal onthult, mag woedende reacties van woordvoerders en de betrokken politicus verwachten. Waarom zou je, bovenop de vier artikels die je al die dag moet schrijven, ook nog eens dat ongemak over je hoofd heen trekken?

Een typevoorbeeld van ‘veilig nieuws’ dat wel gehoorzaam de officiële leidraad volgt, is de ‘embedded’ journalistiek met reporters die zich in oorlogszones laten inkwartieren bij het leger. Redacties verdedigen die techniek omdat ze aldus een verslaggever op een relatief goedkope en veilige manier ter plaatse kunnen brengen. Een groot nadeel is wel dat de blik van de journalist per definitie vernauwd wordt tot het perspectief van de strijdmacht. De lijst fouten en doelbewuste leugens over de oorlog in Irak die door ingebedde journalisten op de wereld zijn losgelaten, is ontstellend lang. Het is een vaststelling die ook Luyendijk maakt: “‘We hebben nu bevestiging. Zouden die journalisten van CNN en BBC dat zelf geloven? De taak van een leger is toch niet om betrouwbare informatie te leveren, maar om met minimale verliezen de vijand uit te schakelen.”
De peiling: rien à signaler
Bij uitstek snel, veilig nieuws levert een opiniepeiling op: gemakkelijk te begrijpen, in een strakke kop te vatten. Of het nu gaat om Wilders die wint of verliest, ‘nieuws’ is het altijd. Zelfs als er geen nieuws is, blijft een peiling nieuws, al was het maar omdat er door redacties fors voor betaald wordt. Het leidt tot absurde en vaak foute koppen en de redacties weten perfect dat de waarheid zelden wordt gediend door een peiling. In het beste geval gaat het om een momentopname, maar zelfs dat is meestal te hoog gegrepen voor de snel uitgevoerde, wetenschappelijk betwistbare, vertekende en later herwogen telefonische enquêtes waarmee de nieuwsconsument overspoeld wordt.
Enquêtes geven de publieke opinie wellicht niet weer, ze oefenen er wel een zekere invloed op uit, en in tweede orde ook op de politieke besluitvorming. Als vlak na een emotioneel beladen straatincident uit een ‘exclusieve’ peiling blijkt dat ‘de’ Vlaming wil dat er strenger wordt opgetreden tegen jeugddelinquenten, verdringen de politici zich in de tv-studio’s om hun Nieuwe Harde Aanpak voor te stellen. Media kunnen zichzelf niet langer ontslaan van verantwoordelijkheid voor hun aandeel in die retorische spiraal.
En dat brengt me tot een specifiek aspect, met name de evolutie van de politieke journalistiek. Ik citeer hierbij graag uitvoerig een paar vaststellingen van mijn collega Bart Eeckhout, die jaren rondliep in de Wetstraat en een maand in het Binnenhof en enkele gelijkende fenomenen noteerde.
Ook hier zie je de fenomenen van snelheid en vuldrift opduiken. Er is, simpeler gezegd, gewoonweg te veel ‘politiek’ in de publieke ruimte. Als een exotische slingerplant overwoekert het politieke nieuws alle andere maatschappelijke vraagstukken, van de ontbijtprogramma’s op de radio over de opiniepagina’s in de dagbladen tot de late night shows op tv. Die focus op ‘de politiek’ in enge zin is niet gezond voor het debat.
Burgers, de mensen die buiten de stolp leven, zijn best bereid om zich over politiek en haar georganiseerde meningsverschillen te informeren. Maar als elk meningsverschil opgepompt wordt tot een crisis van het staatsbestel, dan haakt die burger af. Als er vanuit de Wetstraat en het Binnenhof elke dag geschreeuw komt, hoor je op het eind nog enkel ruis. Ziedaar de kloof tussen burger en politiek.
Voor die ruis draagt ook de politieke journalistiek een deel van de verantwoordelijkheid. Ik heb politieke journalisten altijd opgedeeld in twee soorten: die van de knikkers of die van het spel. Knikkerjournalisten wroeten zich door de taaie overheidsdossiers. De schatten waar zij op jagen zijn scoops uit het beleid of informatie die de regering liever verborgen houdt. De journalisten van het spel kijken naar politiek als strijdperk met voortdurend wisselende kansen en met de macht als inzet. Meteen toegegeven: ik ben zelf altijd een journalist van het spel geweest. Gaandeweg is evenwel het evenwicht zoek geraakt tussen de knikkers en het spel in de berichtgeving. Het lijkt of vandaag elke journalist enkel nog met het spelletje begaan is. Hoewel er vandaag meer dan ooit over politiek bericht wordt, dreigt de politieke pers daardoor haar rol als waakhond net minder op te nemen. Die ontwikkeling heeft met overdreven vereenvoudiging te maken. Het is zoveel gemakkelijker om een ideologische discussie over de toekomst van onze pensioenen uit te leggen dan ‘ruzie’ tussen socialisten en liberalen.
Meningsverschillen worden dan verdraaid tot personengevechten, ideologische keuzes tot boksmatchen. De pers is windhond geworden: ze ruikt waar het volgende mogelijke slachtoffer ligt, en begint er nijdig rondjes omheen te draaien, blaffend en keffend, de geur van bloed in de neus. Omgekeerd ruikt ze de volgende grote belofte, de nieuwe messias die alle problemen binnen de vijf minuten zal gaan oplossen, draait er kwispelstaartend omheen en geeft hem likjes.
Soms zijn we niet langer bezig met waarheidsvinding, maar met het uitvergroten van de emoties en de hoe dan ook tijdelijke voor- en afkeuren van de natie. Aan Nederlanders hoef ik dat na de laatste jaren niet meer uit te leggen.
Het ergste gevolg voor onze democratie is dat deze dynamiek van het begrip compromis een beladen term heeft gemaakt. En dat kritiek niet langer met de waarheid heeft te maken, maar vaker met anti-elitaire gevoelens.
Ik probeer dat wat beter uit te leggen.
Politici halen vandaag gemakkelijk publiek succes als ze erin slagen om zichzelf te distantiëren van het politieke establishment.
Dat geldt voor Bart De Wever, in mijn land, dat gold hier tot voor kort ook voor Geert Wilders. Op cruciale momenten van besluitvorming – van het pensioenakkoord tot de Eurocrisis – gaf Wilders niet thuis. Hij haalde wel telkens uit naar de ondoorzichtige compromisvorming die boven de hoofden van ‘Henk & Ingrid’ heen bedisseld werd. In de media werd daarbij te weinig moeite gedaan of nu na te gaan of hij wel of niet de waarheid sprak, de meeste aandacht ging naar het effect van zijn uitspraken op de peilingen. Die achteraf nog eens ongelooflijk fout bleken te zijn.
Journalistiek als waarheidsvinding, als waakhond, moest het afleggen tegen de windhondjournalistiek, snuivend naar bloed, winnaars en verliezers. Ik moet dan ook graag bekennen dat de laatste verkiezingsuitslag hier balsem voor mijn ziel was, het bewijs dat zelfs in zo’n mediaklimaat een normalisering nog altijd mogelijk is. Al blijft Nederland een uitzondering, want overal elders in Europa blijven voorlopig de politieke krachten die zo ver mogelijk van het centrum staan de wind in de zeilen hebben.
De plotselinge afkeer van het compromis als resultaat van een politieke onderhandeling is geen exclusiviteit van de Benelux. In de VS verzetten zich eerst de rechtse Tea Party en vandaag ook de linkse Occupy Wall Street-beweging tegen de financieel-economische politiek van Washington. Er is de overal oprukkende euroscepsis in Europa. De politieke stroomversnellingen in Europa – in België maar ook in Finland, Frankrijk of sommige voormalige Oostbloklanden blijven voor grote onrust in Brussel zorgen.
Wat al die soms tegengestelde bewegingen hoe dan ook met elkaar verbindt, is de radicale afwijzing van ‘het compromis’ als ultiem symbool van het politieke establishment. Vergelijken worden per definitie in beslotenheid gesloten, ze wijken altijd af van het eigen gelijk. Ze zijn moeilijk uit te leggen, of toch tenminste moeilijker dan de kreet dat het been wordt stijf gehouden.
Dat maakt elk compromis kwetsbaar voor verwijten van achterkamerpolitiek en elitarisme. En in omwentelende tijden, zoals we ze nu meemaken, knoopt een ruim publiek dat soort verdachtmakingen gemakkelijker in de oren.
Daar moet dan wel meteen aan toegevoegd worden dat de ‘compromissenmakers’ de geslaagde aanval op hun positie zelf mogelijk gemaakt hebben. In representatieve kiesstelsels met een sterk versplinterd partijlandschap, zoals in België en Nederland, is de zekerheid van partijtrouw bij het kiezerskorps er veel minder. Wie zich naar het midden begeeft, in de hoop bij de regeringsvorming ‘middenin het bed’ te liggen, laat de eigen flank openliggen voor vrijbuiters.
Traditionele regeringspartijen hebben ook de neiging ontwikkeld om een compromis koppig te verkopen als een eigen overwinning. Die strategie werkt contraproductief: de nogal zinloze ontkenning dat er aan de onderhandelingstafel altijd water bij de wijn wordt geschonken, leidt net tot meer wantrouwen bij de kiezers. De indruk ontstaat immers dat er gelogen wordt of toch minstens dat er schimmige akkoorden gesloten worden die het daglicht niet verdragen.

Wie zich afkeert van het compromis, blijkt succesvol. Wie zich tegen de elite keert, eveneens. Dat is best ironisch, want als grote partij maken Bart De Wever bij ons en Geert Wilders hier zelf deel uit van dat establishment. Centraal staat evenwel de aanval op het compromis als logisch uitvloeisel van het democratisch proces van botsing van meningen.
Het compromis had traditioneel een positieve of minstens neutrale bijklank, als garant voor vrede en pacificatie tussen tegengestelde opvattingen. “Per slot van rekening brengen we maar zelden tot stand wat bovenaan op onze prioriteitenlijst staat, of we nu individuen zijn of collectieven. Door omstandigheden gedwongen moeten we genoegen nemen met minder dan waarnaar we streven. We komen tot een compromis”, schrijft de Israëlische filosoof Avishai Margalit in ‘Compromissen en rotte compromissen’ (2009), een voortreffelijk traktaat over de waarde van het compromis in internationale betrekkingen.
Maar bij een groeiend kiezerskorps heeft die visie op het compromis een negatieve draai gekregen. Het sluiten van een vergelijk alleen al wordt beschouwd als “het opgeven van de groepsidentiteit, en dus als de daad van verraad.” (nogmaals dixit Margalit) Dat op zich is niet nieuw in de politiek: zweeppartijen hebben altijd hun plaats gehad in de westerse parlementen.
Nieuw is wel dat er nu partijen opgestaan zijn die hun compromisloosheid uit de marge naar het hart van de politiek gebracht hebben als hun belangrijkste electorale verkoopargument. ‘Het is genoeg geweest’ is hun even krachtige als zinledige motto.
De subtiliteit in het discours is daarbij van enig belang. Net om te vermijden dat ze weggezet worden als onproductieve extremisten, beweren ze dat ze wel degelijk tot een compromis bereid zijn, maar dan een ‘eerlijk’ compromis, dat wil zeggen eentje op hun voorwaarden.
Dit is wat gedragseconomen het schenkingseffect noemen: de neiging onze eigen toegevingen als echte offers op te vatten en de concessies van de anderen te bagatelliseren, stelt Margalit vast. “Dit verklaart ten dele waarom ‘duiven’ het als lastig ervaren om een compromis te verkopen, waardoor ze telkens weer blootstaan aan een beschuldiging door de haviken: ‘U bent niet bezig met een compromis maar met een capitulatie.’”
Je kan moeilijk beweren dat de pers haar best heeft gedaan om deze diabolisering van het compromis af te zwakken. Integendeel, ze heeft deze gevoelens vaak versterkt. Het is opvallend dat leden van de zetelende elite altijd harder worden aangepakt dan hun tegenstrevers, want wie wil nu bij de verfoeide elite horen, of zelfs maar de indruk wekken dat hun argumenten misschien beter zouden kunnen kloppen dan die van de tegenpartij? Dat is in Nederland zo in overdrive gegaan dat er nu mediakanalen zijn die van het beschimpen en beledigen van elk elitefiguur hun handelsmerk hebben gemaakt, en die de hufterigheid, de onbeschoftheid en de lompheid tot het nieuwe politiek correcte denken hebben gemaakt.

Dat we inmiddels in een omwentelend tijdsgewricht leven mag duidelijk zijn. De financieel-economische crisis van 2008 woekert nog altijd verder, en wel in die mate dat de welvaart in grote delen van Europa ernstig bedreigd wordt.
De crisis van de Europese economie is vooral ook een crisis van de instellingen. Bij gebrek aan voldoende eensgezinde politieke en economische sturing slaagt de Europese Unie er niet in de brand te bedwingen. Omdat de Europese Unie bijgevolg weinig efficiënt uit de hoek komt, winnen anti-Europese stemmen vanzelf aan kracht. Op die manier komt de EU in een neerwaartse spiraal terecht: politieke leiders, die op het thuisfront onder druk gezet worden hebben amper nog beweegruimte om tot een vergelijk te komen, waarna de indruk van onvermogen nog versterkt wordt.
Bij de zoektocht naar een verklaring voor de groeiende populariteit van het verzet tegen compromis en consensus ontsnappen ook de media niet aan een zelfonderzoek. Enerzijds maakt de toenemende druk vanwege de alomtegenwoordige media het voor politici erg moeilijk om nog in overleg tot een onderhandelende oplossing te komen. Anderzijds leidt een vereenvoudiging en popularisering van mediadebatformules ertoe dat een verdediger van het compromis bijna per definitie aan het kortste eind trekt. In de keuze tussen zwart en wit is grijs altijd de verliezer.

Een ander gevolg van die dubbele beweging van vermenigvuldiging en vereenvoudiging is dat het Haagse Binnenhof of de Brusselse Wetstraat worden neergezet als oorlogszones, waar een permanente staat van conflict heerst.
Politieke berichtgeving is vandaag een wingewest geworden om een groter publiek aan te trekken, vandaar de verleiding om een politiek debat te vernauwen tot een bokskamp. Verbaal agressieve leidersfiguren met een talent voor tactiek en cynisch spel zijn genetisch bevoordeeld in dergelijke voorstellingen.

Interessant daarbij is de haat-liefde-verhouding tussen beide partijen en de media, waarvan grote delen steevast door N-VA of PVV mee tot het verderfelijke establishment worden gerekend. ‘De’ media – meestal ook in die grove, veralgemenende term samengevat – worden weggezet als ‘links’ en ‘politiek correct’. Geert Wilders weigert consequent deelname aan programma’s als Pauw & Witteman, omdat die tegen hem zouden zijn, en ook andere media, zoals De Volkskrant, krijgen geregeld een veeg uit de PVV-pan.
In Vlaanderen mag ook Bart De Wever zich graag beklagen over de vijandige behandeling in de pers (en tegenover de grote Franstalige media RTBF en Le Soir wordt zelfs min of meer een boycot volgehouden). Wetstraat-journalisten zouden hun eigen agenda doordrukken en zo de probleemloze vorming van een regering zonder de N-VA bewerkstelligen.
Dat is ironisch omdat De Wever die klacht bijna wekelijks ten gehore kan brengen in een uitgebreid interview op radio, tv, of in de weekendbijlage van telkens weer een andere krant.

Die ironie speelt ook in Nederland. Geert Wilders geeft relatief weinig dragende interviews, terwijl hij zich wel voortdurend beklaagt over de gebrekkige of vijandige media-aandacht. Het politieke debat leek niettemin de afgelopen jaren bijna uitsluitend over Wilders te gaan.
Het generationele aspect is daarbij vanzelfsprekend en wordt misschien net daarom vaak veronachtzaamd bij die analyse van de populistische voedingsbodem. De positieve waarde van verzoening die de voorbije zestig jaar aan het concept compromis werd gehangen, is door gewenning in de vergeethoek geraakt.
De grote compromissen in de sociale zekerheid of het onderwijs konden afgedwongen worden omdat zij een garantie boden op sociale en levensbeschouwelijke vrede. In de eerste decennia na de tweede wereldoorlog was die ‘vrede’ nog geen leeg begrip. Vrede op het continent was ook de drijfveer achter de eenmaking van Europa.
Die argumenten behouden vandaag nog slechts een historische waarde, nu de mensen die de tijden van voor de ‘grote compromissen’ aan den lijve hebben ondervonden uit het hart van de samenleving verdwijnen.
De partijen waarvoor zij traditioneel gestemd hebben, verdwijnen stilletjes met hen mee.
Voor jongere kiezers is de waarde van het compromis geen vanzelfsprekendheid meer. De voordelen van een maatschappelijke consensus worden als verworven recht aangenomen, van de nadelen willen ze meteen verlost worden. Betalen voor de Walen, betalen voor de ouderen, betalen voor de banken, betalen voor de Grieken: veel gekker moet het in hun ogen niet meer worden.

Dat het Europese compromis geboren is uit een waarborg voor vrede op het continent, maakt vandaag geen indruk meer. In haar belangrijke toespraak voor de Duitse Bondsdag haalde bondskanselier Merkel het oorlogsargument nog eens van stal om steun aan het Europese noodfonds te bepleiten. Ze kreeg er ruim applaus voor. Het zou interessant zijn om te zien of ook minister-president Rutte met zoveel bijval zou wegkomen in de Tweede Kamer als hij zich van soortgelijke retoriek over Europa zou durven bedienen.
Nochtans is Europa de grootste compromissenmachine die er bestaat, waar dagelijks met 27 lidstaten een consensus moet gezocht worden. Een broodnodige consensus, want we dreigen met zijn allen te vergeten dat het enige alternatief voor een compromis een oorlog is.
En wat nu?
Tot zover een probleemschets. Laat me ook proberen wat oplossingen te formuleren.
Een aantal jaren geleden zaten een paar Italiaanse vrienden op een mooi plein, toen ze tot hun ontzetting zagen dat er daar een groot spandoek hing, dat de opening van een nieuwe McDonald aankondigde. Op dat ogenblik werd de ‘Slow Food’ movement geboren, een beweging die ijvert voor authentieke streekproducten, traditionele en ambachtelijke teeltmethodes en bereidingswijzes, kortom, alles wat industrieel fastfood niet is. De beweging telt inmiddels duizenden en duizenden boeren, producenten en horeca-uitbaters, die elkaar met raad en daad ondersteunen en promoten, en die meer en meer uitwaaiert naar andere Europese landen.
Ik zou willen pleiten voor een ‘slow journalism’ dat zich, net zoals Woodward en Bernstein, twee jaar de tijd durft te geven om een dossier uit te spitten, die terug waakhond in plaats van windhond durft te zijn. Journalisten voor wie waarheidsvinding belangrijker is dan het bespelen van de waan van de dag of het uitvergroten van de emotie van de dag. Die kritische zin niet verwarren met een blinde anti-establishment houding, die feiten belangrijker vinden dan meningen. Die terug lange stukken schrijven, waarin ruimte is voor nuance, grijstinten, achtergrond en duiding, en niet kiezen voor de 140 tekens van een snelle Tweet, en de overtuiging dat ze daarin alles gezegd krijgen.

Maar het probleem is dat zulks niet gratis is. Net zoals een artisanaal opgekweekte en van goed voedsel voorziene kip uit Bresse tot tienmaal meer kost dan een chloorkip die met vismeel in een legbatterij opgroeide, heeft kwaliteit een prijskaartje.
En dat is misschien wel de grootste fout die de mediawereld de afgelopen tien jaar heeft gemaakt. We hebben de allereerste generatie laten opgroeien die oprecht denkt dat nieuws een gratis goed is, want zo hebben ze het toch altijd van internet gekregen. Ik weet niet in hoeverre dat waanidee al definitief verankerd is, maar we zullen het er opnieuw uit moeten krijgen.

Professionele nieuwsgaring met respect met voor de deontologie en de waarheid vereist professionals en tijd en dus ook geld. Onderbemande en overproductieve redacties die aan de lopende band artikels in elkaar draaien kunnen dat niet leveren.
En dat brengt me bij mijn laatste punt, met name u, de lezer en de kijker. Want laten we wel wezen, wanneer vandaag de fastfood-media in meerderheid de dienst uitmaken in medialand, dan is dat alleen omdat zij de meeste klanten trekken, zo werkt dat nu eenmaal.
Laat mij u een mooie anekdote vertellen. Peter Vandermeersch, nu hoofdredacteur van NRC, was daarvoor mijn genegen concurrent. Ik was toen hoofdredacteur van De Morgen, de Vlaamse Volkskrant, zeg maar, hij van de Standaard, het Vlaamse equivalent van NRC. Eén van zijn webredacteurs had – snel, snel – zoals dat hoort, het bericht op de site geploft dat een Vlaams liberaal minister een liefdesaffaire had aangeknoopt met een bekende TV-journaliste. De redactie werd overspoeld met negatieve mails, dat het een schande was dat een kwaliteitskrant zich verlaagde tot het schenden van de privacy van een politicus, dat het niet meer dan sensationeel rioolnieuws was, hooguit geschikt voor de roddelblaadjes. Peter schrok, en liet onmiddellijk een peiling op zijn site uitvoeren, waarin hij vroeg of de krant het bericht al dan niet had moeten brengen. Liefst 90 procent van de lezers vond van niet.
Duidelijker kon niet, vond Peter, en daags nadien stelde hij op zijn redactievergadering voor om zich in de toekomst van dergelijke berichten te onthouden. Toen stak de webmaster van De Standaard zijn vinger op: het bericht over de liefdesaffaire bleek wel het meest aangeklikte te zijn. Niet van die dag, niet van die week, niet van die maand, maar van het afgelopen jaar.

Ik wil maar zeggen, dames en heren, it takes two to tango. Wij dragen het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor wat er misloopt in de media, maar niet alle verantwoordelijkheid. Hou die gedachte bij wanneer u de volgende keer een krant uitkiest of al zappend langs de TV-kanalen gaat.

blijven voeden lijkt het mij goed.

Yves Desmet

Bekijk meer van

Praat mee

1 reactie

J.C. Roodenburg, 12 oktober 2012, 12:11

Ik heb nog meegemaakt in de jaren ‘80 dat twee collega’s anderhalve week bezig waren met een onderzoeksverhaal voor 1 pagina en nieuws op de VP. Er zijn maar weinig dagbladen (of radio/tv) die daarvoor geld en tijd over hebben. Toen al hadden andere journalisten bezwaren, waren soms jaloers en vonden de productie de tijdkosten niet waard. Deze ‘commerciele’ mierenneukers kom ik steeds meer tegen.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.