foj 2019

— donderdag 29 oktober 2015, 08:39 | 1 reactie, praat mee

‘Met moralisme is niks mis’

© TRIK

Jean-Pierre Geelen is gestopt als televisiecriticus bij de Volkskrant. Vanaf december krijgt hij een dagelijkse column in het V-katern. ‘Ik zat niet handenwrijvend voor de televisie om te kijken wat ik nu weer met de grond gelijk kon maken. Neuh.’

Televisie recenseren is een zwaar beroep. Voor zijn onlangs verschenen boek ‘Zelf tv-kijken. Hoe blijf je overeind in de dagelijkse beeldenstorm’ - waarin Jean-Pierre Geelen (51) een kijkje in de keuken geeft en de tv-wereld fileert in thema’s - berekende hij dat hij in zeven jaar tijd één jaar en drie maanden onafgebroken televisie keek. Het resulteerde in 1600 televisiekritieken van 520 woorden, tezamen ongeveer 837.000 woorden.
‘Ik ben een beetje moe’, vertelt hij vanachter een cappuccino in café Dudok in Den Haag, zijn woonplaats. ‘Het is tijd voor iets nieuws. Ik had zelf al eerder het idee dat ik mijn ei wel had gelegd.’ De werkdruk van uren tv kijken, een dagelijkse column, gevoegd bij de ‘nazorg’ op Twitter en via de mail is de reden dat geen enkele collega direct zijn vinger opstak toen bekend werd dat zijn functie vacant was.

Wie wordt je opvolger?
‘Er komt een poule van tenminste vijf redacteuren die het bij toerbeurt een weekje doen. Ook omdat niemand zich aandiende die het dolgraag wil en het er voor over heeft de zware tol te betalen.

Als me nu opnieuw de vraag werd gesteld, zou ik me ook achter de oren krabben. Mijn dochter zag ik jaren niet tijdens doordeweekse avonden. Om half zes ging ik naar mijn werkkamer en ze lag op bed als ik eruit kwam. Voor je sociale leven is het ook niet echt goed. Ik leefde in een soort cocon. Alleen op vrijdag, als er de volgende dag geen recensie verscheen, kon ik iets voor mezelf doen. Daarnaast is het aanbod te groot geworden. Je moet het eindeloze Youtube-aanbod meenemen, dramaseries, nieuws en actualiteiten kijken en Twitter volgen; het is eigenlijk niet te doen voor één mens. Je kunt niet het héle internet volgen. Het praktische probleem van een poule lijkt me dat je wel één week in de maand tv-criticus kunt zijn, maar die andere drie weken toch moet blijven kijken. Maar dat probleem laat ik graag aan mijn opvolgers over.’

Jij krijgt nu een column in het V-katern.
‘Ik ga dagelijks een algemene column schrijven die over alles mag gaan wat V bestrijkt. Het zal dus nog wel eens over media en tv gaan, maar ook over taal, de tijdgeest of kunst. Ik mag ook de straat op. Het is nog zoeken en een potentiële valkuil, maar ik zie het grofweg zo: Bert Wagendorp doet de geopolitiek en het wielrennen, Sheila Sitalsing economie, Aaf Brandt Corstius en Sylvia Witteman zijn elke dag in de Albert Heijn; ik ga daar ergens tussen zitten. Lichter van toon dan de tv-kritieken. Ik ben meer van de U-bocht en de zijlijn waarin ik soms wel eens grote dingen wil beweren. Om in de sfeer te komen ben ik nu veel columnisten aan het lezen: Kees Fens, Joost Zwagerman, Koos van Zomeren, Henk Hofland, maar ook Peter Buwalda en Nico Dijkshoorn en buitenlandse columnisten.’

Is een tv-recensent nog van deze tijd, waarin het lineair kijken zijn einde nadert?
‘Vlak voor ik tv-criticus werd vroeg ik me dat hardop af. Toen ik het ging doen merkte ik hoe dominant tv nog aanwezig is in de maatschappij. Naar de jubileumuitzending van De Wereld Draait Door (DWDD) keken bijna twee miljoen mensen. Op dezelfde avond keken ook twee miljoen mensen naar Dance Dance Dance, dan heb je al vier miljoen mensen op twee zenders.

Je schreef een bijna lyrische recensie over DWDD toen het programma tien jaar bestond. Kun je een programma recenseren waar je zelf af en toe aan tafel schuift?
‘Toen ik als tv-criticus begon zat Hans Beerekamp van NRC wel eens in de DWDD. Daar heb ik een stukje over geschreven en gezegd dat ik dat wel vreemd vond. Nu zitten we er soms samen. Hij overtuigde me: Het is goed voor de krant en voor jou dat je daar zit - de journalist is een merk tenslotte . Zelf zie ik het als werk. Ik vind daar niet iets anders dan ik in mijn krant zou vinden. En ik voel me vrij om kritisch over DWDD te schrijven. Dat heb ik ook gedaan.’

Zijn dat geen drogredenen voor iemand die een beetje ijdel is?
‘O, ijdel zijn we allemaal. Maar ik heb ook dingen afgezegd. Ik ga geen programma over vogels presenteren, waarvoor ik door een tv-producent werd gepolst. Want ik vind het verkeerd wanneer je als criticus de verborgen agenda hebt zelf bij de televisiewereld te willen behoren.’

Jouw kritiek is soms wat moralistisch en principieel. Je voorganger Wim de Jong schreef veel lolliger.
‘Ja, met een zwierige stijl. Hoe ik het doe is nauw verweven met mijn persoonlijkheid. Ik kan moeilijk anders dan dat. Ik ben ook geneigd het medium serieuzer te nemen. Hij keek minder vakmatig. Ik heb tv recensies altijd een beetje geïnterpreteerd als mediakritiek, dat is iets anders dan een lollig stukje schrijven over ‘Boer zoek Vrouw’ van gisteravond. Ik vind het belang van de stukjes schuilen in het tonen aan de lezer hoe de tv-wereld werkt; dat die verslaggever daar wel staat met een microfoon maar eigenlijk niets zegt. Dat vind ik zinnig. En met moralisme vind ik niks mis, wat is daar eigenlijk tegen?
Je moet als recensent achter je woorden staan, dus je moet dingen ook met een zekere bravoure durven roepen. Mijn felste columns zijn ook echt voortgekomen uit boosheid, zoals over de wanstaltige televisie die ontstaat bij een actie als ‘Sta op tegen Kanker’. Of de lege handen-journalistiek bij het drama van de vermiste jongens Ruben en Julian - dan kots ik van mijn eigen vak. Tv-makers werden daar heel boos over en kwamen met een jij-bak: “Kijk eens wat de site van je eigen krant doet.” Ja, die hielden ook via een liveblog bij wat er gebeurde bij die rioolpijp (waar de jongens werden gevonden, red.), maar ik vind wel wat ik vind en daar blijf ik stevig achter staan. De tv-wereld verwijt mij vaak dat ik elitair ben en met dedain over televisie schrijf. Ik ontken dat altijd, want ik hou best van televisie. Maar niet van dát soort televisie.’

Je hebt ook belangstelling voor de lichtere kant. Als redacteur van De Journalist (voorloper van Villamedia) begon je een gossip-rubriek: Ons Soort Mensen (OSM).
‘Dat had toenmalig hoofdredacteur Piet Hagen voor mij bedacht omdat hij zag dat er wel een rioolrattige kant in mij zit. Tja, Ik heb ook mijn platte kanten, ha ha ha. Ik heb mijn valse trekjes en een ongezonde belangstelling voor onbelangrijke nieuwtjes. Ik volg het roddelnieuws wel en kijk elke avond naar Boulevard. In Curaçao ben ik ooit een weekje opgetrokken met Guido den Aantrekker van Story op een reisje van de Tros. We waren met een clubje journalisten, twintig artiesten en vijfhonderd Tros-leden. Ik deed als mediaredacteur van de Volkskrant verslag van dit evenement, een soort metaverhaal. Den Aantrekker was daar gewoon om roddeltjes te horen, leuke foto’s te maken en reportages te schrijven. Hij bleek een buitengewoon leuke jongen. Ontzettend intelligent, en terwijl hij dit genre met verve beoefent kan hij er de meest cynisch grappen over maken. Het is een industrie die me fascineert. Die BN’ers cirkelden constant om hem heen. Het was interessant te zien hoe Imca Marina steeds bij hem aanklopte om het te hebben over haar huwelijk of haar ziekte of wat dan ook. Hij was veel belangrijker dan ik, van de Volkskrant.’

Was het jouw eigen idee om te stoppen als recensent of voelde je een zachte hand?
‘Integendeel. Men had liever gehad dat ik het nog even bleef doen. Maar ik vond dat ik mezelf ging herhalen. Er zijn avonden dat er eigenlijk geen aanleiding is voor een stukje. De enige aanleiding is dan dat er een rubriek is. Voor de buitenstaander lijkt het lekker: de hele dag vrij en ‘s avonds op de bank met je vrouw tegen je aan en de poes op schoot. Maar het was behoorlijk hard en eenzaam weken. Ik moest om vijf uur eten om mijn deadline van half elf te halen. Om half zes zat ik in mijn werkkamer, want als ik EenVandaag miste en het nieuws van zes uur dan begon ik voor mijn gevoel al met achterstand. Ik maakte graag koppelingen naar andere programma’s, maar dan moet je dus wel alles zien. Er waren dagen dat ik om half negen de laptop aanzette en die ging s avonds om elf uur pas uit. Je voelt de druk van de actualiteit, want als er iets gebeurt in Nederland, dan zit de televisie tegenwoordig bovenop met live-persconferenties. Het gaat meestal nergens over maar het zijn uren televisie die je toch moet volgen. Het zwaarst vond ik dat je iedere avond iets moet vinden van het tv-aanbod van die dag. Je probeert het ding te vatten waar mensen het morgen bij het koffieapparaat over hebben. Maar van de bulk die op televisie verschijnt vind ik niet zoveel: het is niet onaardig, ook niet heel slecht. Maar er moet wel een stukje komen. Van 520 woorden.’

Lukte het altijd je stuk op tijd in te leveren?
‘Ik was een keer alleen thuis toen om een uur of acht ging de telefoon ging: de moeder van een vriendin van mijn dochter. Ze vroeg: weet jij waar onze dochters zijn? Ze zaten allebei op voetbal en hadden training gehad. Het was al donker en ze waren ruim een uur te laat.
Ik zei: geen idee, en realiseerde me tegelijk dat mijn dochter in stukken in een berm kon liggen, maar dat ik niet weg kon omdat ik nog geen stukje had voor die avond. Ik heb blinde paniek gekend als ik om tien uur – een half uur voor de deadline - nog geen flauw idee had wat ik zou schrijven. Je gaat steeds meer je deadline verschuiven - o, het is pas acht uur, nog vroeg - maar op een zeker moment is het tien uur en moet je onderhand weten wat je gaat doen. Je zet jezelf onder steeds grotere druk - die je ook nodig hebt. Dat is het zenuwslopende. Ik was wel eens jaloers op mijn collega Beerekamp, die tot zeven uur’ s ochtends kan kijken en nadenken.

Qua deadline is mijn rubriek Medialogica (over de mechanismen van media, in de zaterdagbijlage, red.) het lastigst. Je moet op woensdag een onderwerp vinden waarvan je denkt dat het zaterdag nog actueel is. Moeilijk, wat moet je woensdag over de gebeurtenis bij Charlie Hebdo schrijven dat zaterdag nog vers is. De columnisten buitelen dan over elkaar heen.’

In je boek noem je Gerrit Komrij (NRC tv-criticus in de jaren 70, red) een inspiratiebron. Als recensent vond hij dat ‘de beste manier om ons van tv te bevrijden is haar belachelijk te maken’.
‘Ik was het niet helemáál eens met zijn zienswijze maar ik vond hem fenomenaal. Ik houd meer van televisie dan hij ogenschijnlijk deed, maar ik deel zijn visie dat je juist ook op de lelijkste kant van televisie iets kunt aanmerken in de hoop dat het verbetert. Het is ook lekker om te doen - dat geef ik onmiddellijk toe. Maar waarom zou je de lelijke kant van het medium niet mogen beschrijven en aanvallen? Ik heb het er vaak over gehad met de hoofdredactie en collega’s; zij vinden mijn stukjes vrij genuanceerd. Ik heb een bepaalde stijl; licht vilein, soms ironisch. Maar ik zit niet handenwrijvend voor de tv om te kijken wat ik nu weer met de grond gelijk kan maken. Neuh.’

Je citeert in je boek Hans Dijkstal die over de rol van de media bij de opkomst van Pim Fortuyn stelde ‘dat televisiemakers geen idee hebben wat ze doen, televisie­kijkers geen idee hebben waar ze naar kijken en degenen die beroepshalve op de televisie moeten verschijnen niet goed weten hoe ze dat moeten doen’.
‘Waar ik Dijkstal het meeste in volg is dat tv-makers in de kern niet zo goed weten wat ze precies laten zien en welk effect dat heeft. Wij zijn de generatie waar tv er tijdens het hele leven was en in het licht van de mensheid wordt dat dan een gekke generatie. Want dat kastje heeft veel teweeg gebracht. Alleen al dat mensen iedere avond na het werk op de bank gingen zitten en de tv aanzette. Dat bestaat pas 65 jaar. Daarvoor was er radio, en daarvoor niks. Dat doet iets met een samenleving. En wat er gebeurt op die tv doet nog veel meer met die samenleving. Ik vind dus dat je als burger moet leren naar tv te kijken en het te kunnen beoordelen. Dat leer je helemaal niet.’

Biedt jouw boek die les?
‘Als verborgen les. De lezer kijkt met mijn ogen, en die zijn kritisch. Ik hoop dat de argeloze tv-kijkers, die televisie geloven, met andere ogen kijken als ze mijn boek hebben gelezen. Ik beschrijf kwesties waar televisie in mijn visie aan de haal gaat met de werkelijkheid. Of een werkelijkheid creëert op een manier waar ik bezwaar tegen heb. De lege handen-journalistiek, het emo-circus, reality. Ik hoop de lezer te laten zien wat er achter een bepaalde aanpak zit en welke bezwaren daaraan kunnen kleven.’

Je stelt dat het belangrijk is dat een recensent de canon van de televisie kent, en liefst Willem Duys nog heeft gezien. Zou het niet verfrissend zijn om een asielzoeker, die pas tien jaar in Nederland is, het tv-aanbod te laten recenseren?
‘Goed idee. Ik weet alleen niet hoe lang dat leuk blijft. Een week misschien, of een jaar lang iedere week. Maar iedere dag, met die ogen… Misschien dan eerder een jonge vrouw die veel naar TLC kijkt, of juist heel veel naar Tegenlicht of naar YouTube-achtige dingen. Of juist iemand die mij continu wijst op programma’s die op verre buitenlanden te zien zijn, zoals Amerikaanse HBO-series – daar kwam ik te weinig aan toe. Maar dat worden heel andersoortige stukjes: gericht op dat ene programma. En je kunt niet heel snel meer een vergelijking leggen met de eerste dramaseries die er op tv waren. Niet dat ik dat altijd kan. En je moet ook niet in ieder stukje gaan mijmeren over 1964, toen Peyton Place begon. Maar enige bagage is toch wel handig.’

Jean-Pierre Geelen (1964)
1986 SvJ Tilburg
1989 algemeen verslaggever Persunie
1991 redacteur De Journalist
1998 redacteur HP/DeTijd
2001 redacteur de Volkskrant
2009 tv-recensent de Volkskrant
2015 columnist de Volkskrant

Het boek ‘Zelf tv-kijken. Hoe blijf je overeind in de dagelijkse beeldenstorm’ verschijnt op 30 oktober bij uitgeverij Atlas Contact, ISBN 9789045030388, 256 pagina’s, € 19,99.

Praat mee

1 reactie

Arnold Marseille, 31 oktober 2015, 12:29

Nazorg

Ruim 10.000 uur TV kijken in 7 jaar. Nederlandse programma’s tot overmaat van ramp. Zes uur per dag. Zelfs de fervente voetbalkijker haalt dat amper tijdens een WK, eens in de vier jaar. Voor verslaggevers opererend in oorlogsgebieden is er nazorg, daar is voor dit specifieke geval vast nog nooit over nagedacht bij de vakbond. Terwijl de noodzaak er duimendik bovenop ligt. De antiheld neemt nu afscheid, wel, niet echt, hij komt terug. Dagenlang afscheid op de voorpagina en in zijn, voorlopig, laatste stukjes. Interviews. Hartverwarmende reacties van mensen die al jaren geleden de TV de deur uit hebben gedaan, alleen nog films kijken, of buitenlandse zenders, kortom de mensen die geen idee hadden waarover hij het had, en dankbaar zijn dat ze niets hebben gemist, daar doe je het toch voor. De martelgang wordt nu overgenomen door maar liefst vijf opvolgers. En het scenario dient zich aan, al in de la van de VK hoofdredactie. De dagelijkse columns hangen als los zand aan elkaar, al snel blijken een, twee recensenten meer populair, die zien de bui al hangen en gooien er onmiddellijk met de pet naar. Alle vijf hebben ze een levensgrote poster van de antiheld met bloeddoorlopen ogen boven hun TV en in chocoladeletters “Dit Nooit!” Na een, twee jaar hooguit gooit de hoofdredactie het balletje op om maar met de rubriek te stoppen. De antiheld, in de tussentijd worstelend om een niche met zijn mening over meer belangwekkende zaken te vinden in een krant vol meningen, vangt het balletje als gepland, met open armen. De kinderen zijn de deur uit, nog ruim 20,000 uur TV kijken tot het pensioen, minder dan 2.5 jaar in 14 jaar tijd, how bad can it be. De VK kondigt triomfantelijk het grote nieuws aan, op de voorpagina uiteraard, fêteren doet wonderen, dus drie keer: “He’s Back!” Op z’n 67ste het echte afscheid. Cadeau van de VK: een kamer vullende TV ingeklemd tussen twee geluidsspeakers ingebouwd in standbeelden van de antiheld. Op de TV een gouden exemplaar van het Guinness Book of Records, met ruim 30,000 uur TV kijken in 21 jaar een record dat vrijwel zeker nooit meer overtroffen gaat worden. Zelfs het record tandenstokers in een baard stoppen sneuvelt eerder. De antiheld blijft TV kijken, nu soms wel twaalf uur per dag. En schrijven, ingezonden brieven naar de VK: Hebben jullie dit gezien?! Zijn vrouw kan het niet langer aanzien en vraagt de NVJ om hulp. “Sorry, dat is er alleen voor actieve leden.”

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.