website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Het jaar 1996: Een liefhebberij, waarvoor je nog betaald wordt ook

Martin van Amerongen — Geplaatst op vrijdag 26 augustus 2016, 10:48

© Bob Bronshoff/Hollandse Hoogte

120 jaar Villamedia en haar voorgangers bestaan deze maand 120 jaar. Dat vieren we met een speciale uitgave van Villamedia magazine. Online publiceren we elke dag een artikel uit onze jubileum-uitgave. Vandaag het jaar 1996. Dood gaan we allemaal. Maar wat blijft zijn ‘onsterfelijke’ stukken. Zo ook dit artikel van wijlen Martin van Amerongen. Hij schreef het op basis van onderzoek naar tien jaar necrologieën (1986-1996) in het vakblad. Ter viering van het honderdjarig bestaan. Een herpublicatie.

Wie zijn wij, journalisten, eigenlijk wel? Op zoek naar een antwoord op deze vraag heb ik met mierenvlijt tien jaargangen van ons jubilerende vakblad (de jaargangen 1986-1996) doorgenomen. Daarbij concentreerde ik mij speciaal op de necrologieën, want wij (ook Martin van Amerongen, overleden in 2002, kreeg zijn necrologie in De Journalist van 17 mei 2002, red.) krijgen straks allemaal onze eigen tien vierkante centimeter, om het even of wij in het harnas zijn gestorven of gewoon, uitgeput en uitgevut, in ons bed. Deze necrologieën vormden opwekkende lectuur, ook al kwam ik bedenkelijk veel oude kennissen tegen.

Werkelijk, ik kan u verzekeren: Wij, krantenlieden, zijn – of waren – waarachtig niet de eersten de slechtsten. Integendeel, wij zijn – stuk voor stuk – een journalist in hart en nieren, een beminnelijk, een sociaal bewogen mens met een groot rechtvaardigheidsgevoel, zij het vaak een ‘Einzelgänger’. Vaklieden van ons slag zijn eigenlijk dun gezaaid. Wij kijken nuchter tegen de dingen aan en combineren een niet aflatende arbeidslust – in feite zijn wij vierentwintig uur per dag met de krant getrouwd – met een verbluffende kennis van zaken. Bovendien zijn wij gezegend met een groot gevoel voor humor, die overigens nooit provocerend of kwetsend is. Voor alles verstaan wij de kunst om een gecompliceerd onderwerp voor een groot publiek toegankelijk te maken.

Samenvattend: Wij zijn bekwaam, hulpvaardig, betrouwbaar, integer, opgewekt en stralen veel menselijke warmte uit. Is dit beeld strijdig met die jonge nietsnut die ons gistermorgen, bezijden het koffieapparaat, een grote mond heeft gegeven? Allemaal ‘jalousie de metier’. Wij behoren niet toevallig tot de oude garde, het bijna uitgestorven ras der generalisten en laten dus bij onze vrienden, dierbaren en collega’s uiteindelijk een grote leegte na.

Bovendien zijn wij de waakhond van de samenleving en soms zijn wij zelfs de luis in de pels. Is het niet prachtig?

Helaas, het is voornamelijk zelfbedrog respectievelijk necrologennepotisme. Het is immers een feit dat onze beroepsgroep, of wij het leuk vinden of niet, allang wordt gedomineerd door brave loonslaven, die de dagelijkse lunch gebruiken uit een Tupperware-trommeltje met een boterham met zweetkaas om uiteindelijk na gedane arbeid naar hun doorzonwoning te Purmerend te peddelen teneinde daar de geraniums te gaan verplanten.

De eigentijdse redactie van de doorsnee krant wordt allang niet meer bevolkt door een allegaartje van nieuwshongerige jonge straathonden en middelbare zonderlingen, met een deeltje Diderot in de zijzak van het asbemorste colbert, maar door gekwalificeerde doctorandussen, die precies kunnen uitleggen wat een zogenaamde baaldag is.

Hier klopt iets niet. Hoe kan men balen van een handwerk als de journalistiek, de volkshogeschool des levens waarin beroep en liefhebberij naadloos in elkaar overgaan? Is het romantische beeld dat de buitenwereld van het journalistieke métier heeft, wellicht door de feiten achterhaald? Jazeker, de onvermoeibare, rokende en drinkende, hoerende en snoerende, alom-inzetbare alleskunner, die voornamelijk met zijn schrijfmachine of tekstverwerker is getrouwd, is allang dood en begraven, hij is al vele jaren geleden bijgezet in de betonnen massagraven van de Basisweg en de Alexanderpolder.

Het beroep heeft altijd minder glamour gehad dan de buitenwereld (én een deel van de binnenwereld) veronderstelde. Een kleine minderheid onder ons zont zich in een zekere publieke bekendheid. De betrokkene mag af en toe, in ruil voor een fles Albert Heijn-wijn, zijn ponem op de televisie vertonen. Twee dagen later gasteert hij op een symposium over de journalistieke verantwoordelijkheid jegens mens en samenleving. Af en toe bundelt hij zijn eendagsvliegen tot matig verkopende boekjes die dan ook binnen een jaar zonder pardon naar de firma De Slegte worden getransporteerd. Voor de rest bestaat de journalistiek voornamelijk uit maagzweerstimulerende galeienarbeid: het schrijven en herschrijven van kul­berichten, het bijwonen van overbodige persconferenties, het verslaan van godverlaten vervelende vergaderingen en het interviewen van opgeblazen autoriteiten, gechaperonneerd door een zogenaamde voorlichter, die is ingehuurd om hohoho te roepen als zijn baas toevallig iets interessants dreigt te gaan zeggen.

Wat weten wij, journalisten, van onszelf? Er is vanzelfsprekend wetenschappelijk onderzoek naar verricht. 48 procent onzer stemt op de Partij van de Arbeid, 20 procent stemt D66 en 11 procent stemt Groen Links. CDA en VVD – goed voor 13 procent der journalistieke aanhang – kunnen daarentegen weinig goeds in onze ogen doen. Wij staan dus in merendeel links van het midden. Daar houdt ons maatschappelijk engagement zo’n beetje op. Waakhond? Waarheidszoeker? Luis in de pels? Het is het beeld, dat de geïmporteerde buurman van ons heeft. In werkelijkheid zegt slechts 5 procent van het journalistenbestand zijn vak als een ‘roeping’ te beschouwen.

Qua imago bewegen wij ons tussen de reclamemaker en de autohandelaar. Intellectuelen zijn wij ook al niet. Wij zijn niet degelijk, wij zijn nauwelijks betrouwbaar, wij zijn – in de ogen van de publieke opinie – voornamelijk losbandig. Onze sociale status is lager dan die van een advocaat, een notaris of een arts, en zelfs lager dan die van een leraar, makelaar of politicus.

Onze honorering is navenant bescheiden. Een journalist brengt maandelijks minder naar huis dan een kraanmachinist, een predikant, een marktkoopman, een beroepsduiker of een directie­secretaresse. Om precies te zijn: een dagbladjournalist met vijf jaar ervaring heeft een salaris van 53.883,- gulden bruto per jaar. Dat is op een paar gulden na precies hetzelfde als een bootwerker.

Zij hebben allemaal, zowel de predikant als de kraanmachinist, een diploma nodig. Wij, journalisten niet, ondanks al onze journalistenscholen en postdoctorale cursussen. Dat is maar goed ook.

Elke poging om het bedrijven van journalistiek aan kwalitatieve of pseudo-kwalitatieve criteria te onderwerpen is immers strijdig met artikel zeven, eerste lid, van de Grondwet, het artikel dat bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om door de drukpers gedachten en gevoelens te openbaren, hoe onbenullig of aanstootgevend deze wellicht ook zijn.

Met het gevolg dat Jan en Alleman zich journalist mag noemen. Ook de jongste bediende van de Nieuwe Drogist, onafhankelijk vakblad voor de drogisterijbranche. Ook de hoofdredacteur van Vlees & Vleeswaren, onafhankelijk vakblad voor de slagerij. Ik lees dit soort bladen trouwens graag. Vlees & Vleeswaren, bijvoorbeeld, publiceerde ooit tot mijn innig genoegen een vier pagina’s omvattende, rijk geïllustreerde dieptereportage over de heropening van slagerij Blom te Putten. Er speelt zich in zo’n gemeente meer af, dan wij in onze Randstedelijke hoogmoed denken. Het is er die dag vrolijk toegegaan. De vernieuwde nering werd geopend door vleesambassadeur Willy Worst, er was door de organisatoren ruimte geschapen voor een gebraden-gehaktballen-kwis en –  ik citeer ‘om nog eens extra ludiek uit de hoek te komen droeg iedereen een slaapmuts’. Het is een proeve van journalistieke berichtgeving die je elders in de pers niet vaak zult tegenkomen en het zegt veel over de gestalten en schijngestalten, die de Koningin der Aarde pleegt aan te nemen. De wakkere verslaggever van het onafhankelijk vakblad Vlees & Vleeswaren omschrijft zichzelf in zijn paspoort ongetwijfeld als journalist – en ik weet zeker dat zijn salaris een veelvoud van het mijne bedraagt.

Wij, redacteuren van echte kranten, voelen ons ver boven dit mercantiele gescharrel verheven. Wij zijn anders – en beter. Niettemin, zelfs de nederigste samensteller van de meest routineuze visserijberichten, heb ik de indruk, is verslaafd aan het beeld dat de buitenwereld aan ons heeft opgedrongen via de Amerikaanse B-films, met hun investigating reporters, een cynische oneliner op de lippen, althans op het moment dat daar geen sigaretje tussen bungelt. Omdat journalisten roken en zuipen, hoeren en snoeren, het een en ander in een situatie van permanente overspanning, worden zij niet oud, zo wil het volksgeloof. Dat is immers de tol die de verslaggever betaalt voor een ongedwongen en afwisselend leven. ‘Most of us die in their late forties or early fifties’, zei Timothy Cruise, voormalig journalist bij de Washington Post. Het is een facet van ons journalistieke zelfbeeld, waarbij ik niettemin enige kritische kanttekeningen wil maken.

Andermaal baseer ik mij op de necrologieën die het afgelopen decennium in De Journalist zijn verschenen. Het waren er 159. 151 mannen en 8 vrouwen – geen zorgen, de dames komen over een jaar of dertig aan de beurt. Mijn onderzoek concentreerde zich op leeftijd en doodsoorzaak. In een achtste van de gevallen was de leeftijd niet meer te achterhalen. In een kwart van de gevallen bleef de doodsoorzaak ongenoemd. Het maakt mijn onderzoek niet voor honderd procent sluitend, maar het materiaal is, statistisch gezien, betrouwbaar genoeg om conclusies te trekken.

Een kwart onzer ex-collega’s stierf aan een hartaanval. Een tweede kwart stierf aan ouderdomskwalen die niet nader werden gespecificeerd. Vijftien procent overleed aan wat over het algemeen ‘een slopende ziekte’ wordt genoemd. Vijf procent kwam bij een ongeluk om het leven. De resterende vijf procent overleed aan een hersenbloeding, aan aids of aan suikerziekte. Het zal u, met het oog op de aanstaande receptie, interesseren dat ik tussen die torenhoge stapel necrologieën slechts één geval van levercirrose heb aangetroffen.

Hoe oud of jong zijn wij, als ons de pen definitief ontvalt? Ik laat de verkeersongelukken en de fameuze ‘slopende ziekte’ buiten beschouwing, die immers zelden leeftijdsgebonden zijn. In 106 gevallen is bekend hoe oud de betreffende collega is geworden. Nu volgt een dramatisch statistisch gegeven: 23 van de 37 hartaanvallen vielen beneden en 14 vielen boven de zestig jaar. Is deze drempel echter genomen, dan komen de vijfenzestigplussers opgerukt. Massaal! Niet minder dan 61 hunner, bijna zestig procent, heeft zijn pensioen gehaald’. Om er nog vele jaren van te genieten: De gemiddelde leeftijd, waarop de vijfenzestigplussers overlijden is tachtig jaar.

De conclusie is duidelijk. Tot het 60ste levensjaar is het bedrijven van journalistiek een levensgevaarlijke aangelegenheid. Bereiken wij echter de 65, dan zijn wij, journalisten, niet van de aardbodem af te branden. En de conclusie uit deze conclusie is: Ondanks al dat roken en zuipen, hoeren en snoeren is de journalistiek een door en door gezond beroep, waarmee je hoogbejaard kunt warden. Zeker, het is een vak voor stressbestendigen. Maar ben je inderdaad tegen een hoge werkdruk bestand, dan kun je je gelukkig prijzen met een vak zonder noemenswaardige oppervlakteschommelingen.

Er wordt wel eens geklaagd over het feit dat de Nederlandse journalist zo weinig aan zelfkritiek en zelfbezinning doet. Maar waarom zou hij? Wij maken immers de braafste kranten ter wereld en de doodenkele keer dat het lijkt alsof wij over de schreef zijn gegaan, worden onze daden beoordeeld door onze eigen Raad voor de Journalistiek, een orgaan dat uit zulke inkeurige dames en heren bestaat dat het een genoegen is door hen te worden berispt. Iets dat bovendien hoogst incidenteel geschiedt.

Het is toch eigenlijk geen vak, die journalistiek, het is een beroepsmatig beoefende liefhebberij, waar men nota bene ook nog geld voor krijgt, een beroep — ik citeer H.J.A. Hofland— met een minimum aan rangorde en een maximum aan arbeidsplezier. ‘De journalistiek biedt in onze gecollectiviseerde, gebureaucratiseerde labyrint-maatschappij’, zegt Hofland, ‘een van de weinige mogelijkheden om nog in vrijheid een redelijk bestaan te voeren’. 

Het is bovendien een vak dat, naar mijn ervaring, door aardige mensen wordt beoefend. Journalisten zijn aardig, ik kan er niets aan doen, zelfs de wijsneuzen en de domoren, de blitskikkers en de waterdragers onder hen. De journalist heeft, behalve plezier in zijn werk, vrijwel altijd een opgeruimd karakter, hij heeft joie de vivre subsidiair een gezonde dorst, en hij heeft altijd wel één of meerdere fraaie verhalen te vertellen.

Slechts één ding hebben de journalisten niet: een gemeenschappelijk kenmerk. Want er zijn zoveel verschillende soorten journalisten als sterren aan het firmament. De redacteur die met de eiertermijnmarkt is belast en de man die de slagvelden wordt ingestuurd hebben slechts het feit gemeen, dat hun bevindingen uiteindelijk in de krant belanden.

De journalist bestaat niet. Er is hoogstens een soort prototype voorhanden, zoals er prototypische autoslopers bestaan. Dit prototype is niet collega Kuifje van De Morgenster, laat staan collega Argus van De Rommelbode. Het is, als je het mij vraagt, collega Coen van der Plaats (59), al jarenlang redacteur dijkverzwaringen bij het Nieuwsblad voor de Alblasserwaard. Nette kerel, geen haar kwaad bij, altijd bereid je een dienst te bewijzen. Inmiddels misschien wat moegestreden, maar mag dat, na bijna veertig jaren trouwe dienst! De aanstaande vut is hem dus niet onwelkom – en dat geldt dus ook voor het aansluitende pensioen, waarin hij eindelijk tijd zal hebben om ...

Dat ook hij met ere de honderd moge halen!

Martin van Amerongen, oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, was jarenlang als columnist aan De Journalist verbonden.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

expertisedag 2019

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.