website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Het jaar 1936: Engelen van onpartijdigheid

Bas Kromhout — Geplaatst op zaterdag 20 augustus 2016, 09:00

© Ge van der Werff/ANP

120 jaar Villamedia en haar voorgangers bestaan deze maand 120 jaar. Dat vieren we met een speciale uitgave van Villamedia magazine. Online publiceren we elke dag een artikel uit onze jubileum-uitgave. Vandaag het jaar 1936. De opkomst van de fascistische NSB stelde journalisten voor dilemma’s. Moesten zij stellingnemen of zich onpartijdig opstellen? En mocht de persvrijheid worden ingeperkt om de verspreiding van antidemocratisch gedachtegoed via de NSB-kranten tegen te gaan?

Het boterde niet ­tussen de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert en de Nederlandse pers. Volgens de NSB maakten journalisten deel uit van de elite en daartegen voerde de beweging vanaf haar oprichting in december 1931 onafgebroken strijd. In de ogen van de nationaal­socialisten was de parlementaire democratie een corrupt stelsel, waarin een kleine politieke kaste alleen haar eigen belangen diende en niet die van het volk. Ook de dagbladpers deed mee aan dit vuile spel. Journalisten waren slippendragers van het establishment en schreven slechts op wat hun broodheren dicteerden.

Dit laatste zou niet alleen gelden voor wie tot een bepaalde politieke zuil behoorde, maar ook voor de redacties van commerciële dagbladen. Deze waren immers afhankelijk van advertentie-inkomsten en daardoor een speelbal in de handen van kapitalistische ‘plutocraten’ – van wie volgens de NSB velen Joods waren. Als Mussert eenmaal aan de macht was, zo beloofde hij, dan zou hij de bezem door deze zwijnenstal halen.

Het ultieme bewijs voor de verdorvenheid van de pers leverden de ontelbare ‘leugen- en lasterberichten’ over de NSB zelf. Kranten zouden opzettelijk de woorden van Mussert verdraaien om hem in een kwaad daglicht te stellen. Berichten over wrijvingen binnen de NSB heetten onwaar en tendentieus te zijn, evenals beweringen dat de partij banden onderhield met Nazi-Duitsland of dat Mussert een dictatoriaal schrikbewind voor ogen stond. ‘De Nederlandse pers, die zich maar al te graag verschool achter het woord neutraliteit, heeft het natio­naalsocialisme langzaam maar zeker voor het gehele Volk als iets duivels voorgesteld,’ schreef de tweede man van de NSB in 1941 in een terugblik op de jaren 30.

Had Mussert een punt? De berichtgeving over de NSB verschilde per titel. Kranten met een katholieke, gereformeerde of sociaaldemocratische signatuur konden inderdaad niet neutraal worden genoemd. Zij waarschuwden hun lezers openlijk voor het opkomend fascisme. Liberale en commerciële kranten daarentegen namen zeker in de beginjaren van de NSB geen stelling. Hun journalisten deden zo nu en dan verslag van een partijbijeenkomst, waarbij zij het gezegde zonder commentaar weergaven.

Deze kritiekloze houding kwam na verloop van tijd ter discussie te staan. De Journalist van 1 november 1935 openende met een redactioneel artikel over de kwestie.

‘Wetende, welk een machtig wapen de pers is, trachten de fascisten het Nederlandse volk te doordringen van de overtuiging dat ’t een van zijn “opdrachtgevers” afhankelijke, kneedbare, perfide, corrupte pers bezit, die lastert en liegt van de vroege morgen tot de late avond’, schreef de redactie. ‘En wat doen wij, die de dragers en de makers zijn van die pers? Wij? Wel, we drukken die beschuldigingen over. We gaan naar die vergaderingen heen; we zetten ons neer aan de tafeltjes voor de verslaggevers; we horen die woorden, die ons beroep èn ons werk bekladden; we schrijven ze op, waarachtig, we schrijven ze op, telkens opnieuw schrijven we ze op en misschien zetten we er nog wel “applaus” achter ook; dan laten we ze drukken en sturen ze het land in, opdat ons volk ze toch maar goed zal kunnen lezen. En protesteren ertegen doen we vrijwel niet.’

En er was meer:

‘Er komen invitaties om het NSB-kamp te bezichtigen en de “perfide pers” gaat erheen; kalkt allerlei cijfers op; laat zich trakteren op sigaren en thee. Dit laatste is onlangs in de residentie gebeurd, hoewel er één collega was – een zonderling – die de lekkernijen weigerde. Zo staan we tegen­over onze beschuldigers als engelen van goedheid, als onze-lieve-heersbeestjes van onpartijdigheid, als gekonfijte vruchten van een soort metafysische objectiviteit.’

De schrijver van het artikel riep een eerdere discussie in De Journalist in herinnering, die ging over de vraag of een journalist wel of niet moest weglopen uit een vergadering, wanneer de voorzitter een kwartier op zich liet wachten.

‘Weglopen, vindt men. Want men mag niet onbeleefd zijn tegen de pers. Prachtig. Zo’n onbeleefde rakker moet worden afgedroogd. En dan zitten we ’s avonds in de vergaderingen van de NSB, en als dan de perfide, corrupte pers aan de kaak wordt gesteld, die ons volk belastert en beliegt en vergiftigt, wie denkt dan aan weglopen? Nee, we schrijven het over en laten het in reuzenoplaag vermenigvuldigen.’ 

Door strikte neutraliteit te betrachten werkte de Nederlandse pers volgens De Journalist mee aan zijn eigen ondergang. In de fascistische heilstaat van de toekomst zou immers geen plek zijn voor een vrije pers.

De niet-verzuilde kranten veranderden vanaf 1935 hun omgang met de NSB wel enigszins. Zo sloot het Utrechtsch Nieuwsblad zijn kolommen voor mededelingen van de beweging, nadat Mussert in het voorjaar van 1937 opnieuw hard had uitgehaald naar de ‘gehele huisknechtenpers, beheerst door de Regeringspersdienst, de politieke partijen en de grotendeels Joodse adverteerders’. De redactie van De Journalist juichte de stap van de Utrechtse krant toe en drong aan op navolging. Het liefste zou zij zien dat alle kranten­redacties van Nederland gezamenlijk de NSB de wacht aanzegden. Musserts beschuldigingen aan het adres van de schrijvende journalistiek getuigden immers van ‘waanvoorstellingen, waartegen redelijke argumentatie niet kan baten’. Een krant als De Tele­graaf bleef echter op neutrale toon verslag doen van NSB-activiteiten. De nationaalsocialisten mochten klagen dat de pers een ‘eenheidsfront’ tegen hen vormde, in ­werkelijkheid was die bewering ongegrond.

De NSB gaf zelf ook kranten uit. Mussert was eigenaar van het weekblad Volk en Vaderland en Het Nationale Dagblad. Dit waren propagandabladen, die vol stonden met de bekende aanvallen op de elite, de ‘plutocraten’, de linkse partijen en de Joden. Niet-NSB’ers stoorden zich aan de grove en hetzerige toon. Mussert kreeg regelmatig boetes aan zijn broek. Vanaf 1934 was het namelijk strafbaar om de regering of een bevolkingsgroep te beledigen. Her en der gingen stemmen op die zeiden dat zwaardere juridische middelen nodig waren. Maar terwijl de Nederlandse Journalistenkring in het ledenblad wel aandrong op een meer weerbare houding tegenover de NSB, zag zij niets in maatregelen die de persvrijheid zouden beperken. 

Dit bleek toen een regeringscommissie in 1936 plannen bekendmaakte voor een Grondwetsherziening. De commissie wilde de overheid de bevoegdheid geven om ter bescherming van de openbare orde een tijdelijk verschijningsverbod op te leggen aan een krant of tijdschrift. Al voordat het definitieve voorstel bekend werd gemaakt, kwam de Journalistenkring hiertegen in het geweer. Samen met de Rooms-Katholieke Journalisten-Vereniging drong het kringbestuur er bij de regering op aan ‘af te zien van elke maatregel, welke de vrijheid van drukpers zou aantasten’. De actie leek succesvol. De regering nam het voorstel van de grondwetcommissie niet over.

Hoewel de katholieke en de ‘algemene’ vakverenigingen eendrachtig hadden samengewerkt om de persvrijheid te beschermen, brak daarna onenigheid uit. De katholieken kwamen namelijk op hun standpunt terug. In het verenigingsorgaan De Katholieke Pers van 15 juli 1938 schreef hoofdredacteur Frans Schneiders dat de dagelijkse portie ‘hetze, leugens en laster’ in Het Natio­nale Dagblad een gevaar voor de democratie vormde. De NSB zou de persvrijheid misbruiken en dat vroeg om een onorthodox antwoord. Misschien moesten de katholieke kranten de fascisten maar met gelijke munt terugbetalen en de fascistische ‘brul-journalistiek’ imiteren. Ruimere bevoegdheden voor de autoriteiten om in te grijpen zouden echter beter zijn. ‘Wie weigert mede te werken aan een gezonde beperking van [de] persvrijheid, werkt positief mede aan de ondergang van ons volk’, vond Schneiders.

Ongetwijfeld speelde mee dat de NSB-pers een campagne voerde tegen de katholieke minister van Justitie Carel Goseling. Hij was in opspraak gekomen door een aantal marechaussées in Oss te ontslaan, juist op het moment dat zij mogelijk een zedenschandaal in de katholieke kerk op het spoor waren gekomen. Volgens Het Nationale Dagblad was de affaire-Oss ‘een voorproefje van de katholieke dictatuur die zal volgen’. Dit soort uitlatingen deed Goseling in januari 1939 besluiten tijdelijk beslag te leggen op de persen.

De minister kreeg steun van de eigen katholieke pers. Een enkele krant pleitte zelfs voor een ‘persbreidel’. Maar de katholieken krijgen hier buiten hun eigen zuil niet de handen voor op elkaar. Het protestantse blad De Nederlander schreef dat de NSB’ers van meer repressie alleen maar zouden profiteren: ‘Zij immers willen niets liever dan de martelaar spelen, omdat zij [daarin] politiek voordelen bespeuren.’ De Journalist sloot zich hierbij aan en bleef pal staan voor de vrijheid van drukpers.

Niet dat de Nederlandse Journalistenkring zich geen zorgen maakte over het gebrek aan journalistieke ethiek bij de collega’s van de NSB-pers. Het bestuur vond echter dat de bestaande wetgeving genoeg mogelijk­heden bood om redacties die over de schreef gingen aan te pakken. Uiteindelijk was het aan de journalisten zelf om hun verantwoordelijkheid te nemen, verklaarde De Journalist van 3 mei 1939. ‘De ervaring leert dat vrije voorlichting door een eerlijke, zelfstandige pers zal zegevieren over de scribenten die speculeren op on­wetendheid en goedgelovigheid.’

Had De Journalist gelijk? Het lijkt erop. Musserts populariteit daalde vanaf het midden van de jaren 30 sterk en daarmee ook de oplages van zijn kranten. De NSB zou een stille dood zijn gestorven als niet in mei 1940 de Duitse nazi’s Nederland binnenmarcheerden. Toen gebeurde waar iedereen bang voor was geweest: de pers werd gemuilkorfd en gelijkgeschakeld, terwijl de bezetter alle ruimte gaf aan de propaganda van de NSB.

Vijf jaar duurde de nachtmerrie. Na de bevrijding zag het perslandschap er opnieuw heel anders uit, door de zuiveringen en het verschijnen van nieuwe titels die voortkwamen uit de verzetskranten. Er was geen plaats meer voor een NSB.

Bas Kromhout (1975) is journalist en historicus. Hij was lange tijd in vaste dienst van Historisch Nieuwsblad en publiceert nog geregeld in dit blad. Andere opdrachtgevers zijn Geschiedenis Magazine en Maarten! Sinds kort is hij hoofdredacteur van het magazine Haagse Historie, waarvan het eerste nummer in september verschijnt. Verder heeft hij boeken geschreven over de Tweede Wereldoorlog. Afgelopen mei verscheen ‘Fout!’, een becommentarieerde verzameling artikelen uit de NSB-bladen.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.