De verteller gaat de krant redden
Gortdroge nieuwsberichten zijn passé. De toekomst is aan de verhalende journalistiek. Tenminste, als het aan Mark Kramer ligt. Zelf schreef hij veel mooie verhalen, en won daarmee zelfs de Pulitzer Prijs. Nu draagt hij zijn ideeën uit.
Over anderhalf uur zal Mark de middagmaaltijd moeten bereiden voor zijn zoon, die dan uit school komt. Hamburgers heeft hij hem beloofd. Niet zo gezond, maar ach. Hij heeft nog even de tijd. Eerst, vanuit zijn werkkamer die uitkijkt op de herfstkleurige tuin, een interview met een Nederlandse journaliste, wie was het ook alweer? Nou ja, dat hoort hij wel als hij haar spreekt. Wat is Boston toch mooi, denkt hij als hij naar buiten kijkt. Straks moet hij ook een lezing gaan voorbereiden voor een symposium bij het Dartcenter voor journalisten met oorlogstrauma’s. En misschien wordt het tijd om vast wat op papier te zetten voor zijn keynote speech op de VVOJ-conferentie in Nederland, eind november. Het wordt weer een drukke dag. Eerst maar eens een kop koffie. Met zijn zwart-witte mok gaat Mark achter de computer zitten. Hij zet webcam en microfoon aan en belt skype-correspondent ‘jacqwess’. Het interview kan beginnen.
Zo zou dit verhaal eruit kunnen zien als het was geschreven in de ‘verhalende’ (narrative) stijl die Pulitzer Prize winnaar Mark Kramer – artikelen in onder andere The Boston Globe, The New York Times, The Atlantic Monthly – zo’n beetje overal ter wereld promoot. Op zijn website, in zijn boeken, en in lezingen en cursussen, van Boston tot Singapore. Hij was de oprichter en jarenlang directeur van de ‘Narrative Journalism Conference’ aan Harvard University, waar hij inmiddels het stokje heeft overgedragen aan anderen.
Vaak wordt hem gevraagd, zegt hij, of journalistiek op papier anders is dan online journalistiek of radio en tv. ‘Het gaat om de soep en niet om de kom, zeg ik dan. De definitie van nieuws wordt heel erg bepaald door de taak die de organisatie erachter zich stelt. Kranten zijn bijzondere beesten. Onthullend voor mij waren in eerste instantie de namen van kranten. Zoals The Sentinel, de Wachter, de soldaat die op wacht staat. Of De Koerier, of de Standaard, dat is de vlag die een bataljon meevoert… Namen die refereren aan militaire functies.’
Wij hebben er hier één die De Stentor heet…
‘Al die namen zeggen iets over de stem van de krant, inderdaad. Als je het nieuws opgelepeld krijgt met een stentorstem, of met de stem van iemand die met een standaard, een bataljonsvlag, loopt, of die dienst doet als koerier – dat zijn allemaal onprettige stemmen. Als je tegen mij zegt: “Mark, het huis van de buren is gisteren afgebrand” en ik zeg: Nee maar, Jacqueline, wat is er gebeurd? En jij antwoordt: “Een brand heeft gisteren het huis op de hoek van de Sparrenweg en de Iepenstraat in de as gelegd. Drie gezinnen zijn dakloos geworden, de schade wordt geschat op de 450.000 euro volgens het adjunct-hoofd van de brandweer, Karel J. Pietjepuk. De oorzaak van de brand wordt onderzocht. Voor zover bekend, zijn er geen slachtoffers.”
Als je me zoiets vertelt, maak ik me zorgen om je geestelijke gezondheid. Maar voor een krant wordt dit geacht de normale manier van vertellen te zijn. Dat komt voort uit haar functie: die van de wachter op de stadsmuur. Buiten de poort moet hij zien wat eraan komt dat last kan opleveren. Binnen de poort moet hij letten op redenen voor tevredenheid. En als er al emoties aan te pas komen, zijn dat er maar een paar: we hebben een hekel aan criminelen want ze geven overlast, we hebben medelijden met kinderen op de brandwondenafdeling van het ziekenhuis want ze vormen de toekomst van onze stam. En we zijn heel trots op onze vlag – welke dan ook.’
Berichten als van de ‘schildwacht’ bereiken de mensen niet echt, betoogt hij. Om ze erbij te betrekken, moet je een beroep doen op hun emoties. ‘Voor verhalende of literaire journalistiek heb je een verhaal, een setting, personages nodig: het materiaal en de techniek die je ook voor fictie gebruikt. Maar er is ook nog de verteller zelf. Die verteller moet uitleggen, laten zien, en ook authentiek zijn, emoties tonen. De lezer ook is meer dan alleen die burger binnen de stadsmuren. De lezer is een compleet persoon met een heel scala aan emoties. Daar moet je ook op in zien te spelen, net als een romanschrijver dat doet. Ja, die verhalen zijn wat langer dan het gebruikelijke nieuwsbericht en dat gaat in tegen de tendens van kort-kort-kort. Maar lezers hebben niets tegen lange verhalen, integendeel. Als ze hem maar aanspreken.’
Dat werkt het best, denkt hij, met betrekkelijk kleine doelgroepen. Een regio, een stad als gemene deler is niet voldoende, vindt Kramer. Je moet dezelfde sociale achtergrond en dus dezelfde emoties delen.
‘Als je naar oude beelden van sportwedstrijden kijkt, zie je in het stadion reclames die je niets meer zeggen. Adverteerders weten hun doelgroepen steeds beter te definiëren en zich aan hen aan te passen. Terwijl het krantenmodel al honderdvijftig jaar hetzelfde is.’
Maar gesteld dat je kranten kunt maken voor zulke kleine doelgroepen, jongeren bereik je er niet mee, want om de mooie verhalen te ontdekken, moeten ze al die krant lezen. En dat doen ze niet.
Kramer geeft het toe. Zijn kinderen lezen ook nauwelijks, ‘al weten ze heel veel…’ Dan trekt hij een gezicht als een goochelaar die een konijn uit zijn hoge hoed gaat toveren. ‘De oplossing: Kindle 6.’ Een zeer geavanceerde e-reader, wil hij maar zeggen. ‘Een stuk lichter dan de huidige modellen en multimediaal. Dan wissel je geschreven tekst en foto’s af met filmpjes of geluidsopnamen… En daarin zijn jongeren wel geïnteresseerd. Het maakt niet uit welk medium je gebruikt om een verhaal te vertellen, als je maar in die rol van verteller kruipt. En als je eindredacteur je daar de ruimte en tijd voor geeft. Dan weet ik zeker dat je ook jongeren kunt bereiken. Maar we zijn nu bij Kindle 2, dus we zijn er nog lang niet.’
Ja, en dan moet hij echt een eind maken aan het gesprek. De jonge generatie komt eraan en heeft honger.
www.tellingtruestories.com www.vvoj.nl


Praat mee