website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Aan cartoons en columns worden veel minder strenge eisen gesteld

Mira Herens — Geplaatst in Recht op dinsdag 24 februari 2015, 12:17

Opinie De vrije meningsuiting is niet onbegrensd. De rechter kan een cartoon, een krantenartikel, een televisieprogramma en iedere andere vorm van meningsuiting verbieden. Maar hoe komt de rechter tot een verbod? Mira Herens, advocaat bij de NVJ, legt het uit.

Op 7 januari 2015 werd in Parijs op gruwelijke wijze een aantal cartoonisten voor altijd de mond gesnoerd. Uit wraak voor hun - vaak beledigende en provocerende - cartoons. Wereldwijd gingen mensen de straat op voor de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van henzelf en die van anderen om hun mening te mogen uiten, of we het met die mening nu eens zijn of niet: ‘Je suis Charlie’. Hoewel deze protesten anders deden vermoeden, is de vrije meningsuiting niet onbegrensd.

De vrijheid van meningsuiting is als grondrecht vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Op grond van dit verdrag kan de meningsuiting worden beperkt als dat noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld in het belang van nationale veiligheid of ter bescherming van de goede naam van anderen. In civiele rechtszaken wordt pers dan aangeklaagd wegens schending van privacy of reputatie. De rechter beslist of het noodzakelijk is de vrije meningsuiting te beperken. Dat is geen sinecure want twee gelijkwaardige grondrechten staan lijnrecht tegenover elkaar: persvrijheid botst met privacy. De rechter zal deze grondrechten tegen elkaar afwegen en beslissen welk grondrecht voorgaat. Enerzijds gaat het om het belang van de journalist zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over kwesties die de samenleving raken. Anderzijds gaat het om het belang van de gekwetste niet ongerechtvaardigd te worden blootgesteld aan aantasting van zijn eer en goede naam. Bij die belangenafweging speelt een aantal factoren een rol. Hoe die factoren gewogen moeten worden hangt steeds af van concrete omstandigheden. 

Satire
Een belangrijke factor is de vorm van de meningsuiting. Niet iedereen is even vrij. Aan columnisten en cartoonisten komt een grotere vrijheid toe om hun mening te geven dan aan ‘serieuze’ journalisten.  Bij cartoons, en ook sommige columns kunnen onder die noemer vallen, is sprake van satire. Dit, zo zegt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is een vorm van artistieke expressie en maatschappelijk commentaar die door overdrijving en uitvergroting van de werkelijkheid wordt gekenmerkt en er op uit is te provoceren.  Dit heeft als gevolg dat aan cartoons en columns veel minder strenge eisen worden gesteld dan aan andere journalistieke genres. Zo was het columnist Koelman toegestaan een uiterst satirische column te schrijven over Gretta Duisenberg waarin zij op denigrerende en seksistische wijze werd neergezet als groupie van Yasser Arafat.  De column was ‘evident overdreven en zo absurd dat deze niet anders dan als humoristisch kan worden beschouwd’, oordeelde de rechtbank. En dan is het niet onrechtmatig. Er zijn meer voorbeelden uit de rechtspraak: Edwin de Roy van Zuydewijn mocht ‘een overduidelijk zieke leugenaar’ worden genoemd in een column in Het Parool, Jort Kelder mocht Bram Moszkowicz ‘beroepsleugenaar’ noemen, en Talitha van Zon (die van het Libische avontuur)  mocht in Quote worden omschreven als ‘golddigger’. Het stond namelijk in een opiniërend stuk waarin spot en overdrijving een toelaatbare vorm zijn, zo oordeelde rechtbank. 

De vorm is dus van belang, omdat die kan meebrengen dat het beledigende karakter aan een publicatie wordt ontnomen.  Kan, want dit is zeker niet altijd het geval. Kelder mocht Moszkowicz geen maffiamaatje noemen, en ook de column in de Vara Gids waarin Ron Boszhard werd geassocieerd met de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic was niet toegestaan, de satirische context kon het grievende karakter ervan niet wegnemen. Op dit moment buigt het gerechtshof in Den Bosch zich in hoger beroep over de (on)rechtmatigheid van een cartoon van Ruben L. Oppenheimer over strafpleiter Hiddema. De Maastrichtse rechter vond de woorden ‘louche advocaat’ die in het opschrift boven de cartoon staan in eerste aanleg onrechtmatig ten opzichte van Hiddema. Aan de satirische uitingsvorm is weinig gewicht toegekend. Het is de vraag of dit oordeel in hoger beroep stand zal houden. De uitspraak is niet alleen voor de cartoonist van belang, beperkingen opgelegd aan satirici zullen hun effect op andere journalistieke genres niet missen.

Feiten
In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen feitelijke berichtgeving en waardeoordelen. Waardeoordelen hoeven niet te worden bewezen. Het Parool hoefde dus niet te bewijzen of De Roy van Zuydewijn ‘een overduidelijk zieke leugenaar’ was. Bij feitelijke berichtgeving ligt dat anders. Publicatie van bijvoorbeeld strafbare feiten mag alleen als daar voldoende steun voor is in het beschikbare feitenmateriaal.
De vraag wat voldoende is, was recent aan de orde in de rechtszaak tegen freelance onderzoeksjournalist Sanne Terlingen van OneWorld. In dat magazine had zij twee artikelen gepubliceerd over kindersekstoerisme in Ghana. Ze schreef onder andere dat tegen de Limburgse vastgoedhandelaar Paes in Ghana aangifte was gedaan vanwege seks met minderjarige meisjes. Paes daagde Terlingen voor de rechter wegens laster. De aantijgingen tegen hem zouden (uit rancune) in de wereld zijn gebracht door ontslagen werknemers van een hotel dat hij in Ghana bezit. Paes eiste rectificaties en een flinke schadevergoeding.  Zowel rechtbank als Hof wezen de vorderingen van Paes af. De rechter oordeelde dat van een journalist niet hoeft te worden verwacht dat hij – zoals in een strafrechtelijke procedure - wettig en overtuigend bewijs levert van de beschuldigingen, zij het dat de beschuldigingen niet lichtvaardig mogen worden gedaan. Dat laatste was hier niet het geval. Terlingen beschikte over voldoende feitenmateriaal om tot publicatie over te mogen gaan.

Dat feitenmateriaal bestond onder meer uit aangiften, brieven van het Openbaar Ministerie in Ghana, artikelen uit Ghanese kranten en gespreken met (anonieme) oud-medewerkers van het hotel van Paes. Onder andere over de anonieme bronnen beklaagt Paes zich bij het Hof maar die wijst de klacht af: dat de bronnen anoniem zijn, betekent op zichzelf nog niet dat hun verklaringen, mede gezien het verklaarde door de overige bronnen, niet door Terlingen mochten worden gebruikt.

In de zaak Terlingen hechtte de rechter groot belang aan de ernst van de misstand die Terlingen in haar artikelen aan de kaak stelde, namelijk kindersekstoerisme. Hoe ernstiger de misstand, hoe groter het belang van het publiek om hierover op de hoogte te worden gebracht. Het privéleven en de reputatie van Paes zijn weliswaar aanzienlijk geschonden, maar dit gaf bij de belangenafweging niet de doorslag. De ernst van de misstand laat de rechter zwaarder wegen dan de privacy van Paes.

Publieke personen
Een andere belangrijke wegingsfactor, die in alle bovengenoemde zaken een rol speelde, is het feit dat het publieke personen betrof. Deze moeten een veel grotere inbreuk op hun privacy laten welgevallen dan gewone burgers. Hoge bomen, veel wind. Dat geldt in het bijzonder voor politici, omdat het publiek zich een oordeel over hen moet kunnen vormen. Daarom komt de pers in haar functie van publieke waakhond een zeer grote vrijheid toe in de berichtgeving over politici. Ook andere publieke figuren zoals bijvoorbeeld artiesten, captains of industry en opiniemakers moeten de nodige kritiek en kwalificaties kunnen verdragen. Dat geldt zeker als zij zelf regelmatig de media zoeken. Recent oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat ook een bestuurder van Buma/Stemra als publiek figuur heeft te gelden. De maatschappelijke positie van de organisatie brengt namelijk mee dat haar bestuurders ook zijn aan te merken als publiek figuur. Het bestuurslid was door PowNed beschuldigd van corruptie. Het verweer van dat hij geen publiek figuur was, trof bij de rechter geen doel; een publiek figuur is iemand die een belangrijke of verantwoordelijke positie in de samenleving bekleedt, en dat betekent dat de grenzen van toelaatbare kritiek ruimer zijn.

Ernst en impact
Ook de ernst en impact van beschuldigingen speelt een rol bij de belangenafweging tussen pers en privacy. Soms kan dat zelfs de doorslag geven. Vorig jaar werd een freelance journalist persoonlijk veroordeeld voor de reputatieschade van een financieel controller als gevolg van twee van zijn artikelen in Quote. Daarin had de journalist de volledige naam genoemd van de financieel controller, die verdacht werd van betrokkenheid bij het corruptieschandaal in de Rotterdamse haven. Zowel Quote als de journalist werden aangeklaagd. Zij verweerden zich met het feit dat het hier een ernstige misstand betrof en dat de financieel controller een publiek figuur was. Anders dan de rechtbank ging het gerechtshof Amsterdam hier niet in mee; een financieel controller is geen publieke functie en voor het aan de kaak stellen van de misstand was het niet nodig dat diens volledige naam werd genoemd. Bij de aansprakelijkheid voor de schade overweegt het Hof dat de journalist ‘extra behoedzaamheid moet betrachten’ omdat naamsvermelding zeer grote schade teweeg kan brengen. En nu die naamsvermelding niet noodzakelijk was voor het berichten over de misstand, wordt de journalist persoonlijk aansprakelijk gehouden voor de schade. Over de hoogte van schade, er was 100.000 euro gevorderd, wordt nog verder geprocedeerd, tenzij partijen het advies het Hof ter harte nemen en een schikking treffen.

Vrijheid van meningsuiting is niet altijd volledig vrij, de rechter kan grenzen stellen. Dat doet hij door de belangen van beide partijen tegen elkaar af te wegen. Verschillende factoren spelen daarbij een rol: de vorm van de publicatie, of het om een feitelijke beschuldiging of waardeoordeel gaat, de ernst van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, of het over publiek figuur gaat en de vraag hoe nadelig de gevolgen van de publicatie zijn voor de betroffene. De uitkomst van die belangen­afweging bepaalt welk recht voorrang heeft: de privacy en reputatie van de gekwetste of de vrijheid van meningsuiting van de journalist. Want ‘Charlie is not unlimited’.

Mira Herens (1978) is gespecialiseerd in mediarecht en auteursrecht. Zij is als advocaat werkzaam op de juridische afdeling van de NVJ en is verbonden aan de Authors’ Rights Expert Group van de European Federation of Journalists. Mira is een ervaren procesadvocaat, in 2007 won ze de Landelijke Pleitwedstrijden voor de advocatuur. Op dit moment staat ze Ruben L. Oppen­heimer bij in de procedure tegen Hiddema.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

expertisedag 2019

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.