— vrijdag 6 juni 2014, 15:21 | 3 reacties, praat mee

25 jaar wachten op bronbescherming

Deze zomer is het 25 jaar geleden dat de discussie over een Wet op de bronbescherming serieus begon. Ondanks herhaalde toezeggingen, zijn opeenvolgende kabinetten er niet in geslaagd een wet van die strekking door de Kamer te loodsen. Dat is slecht voor klokkenluiders, slecht voor journalisten en slecht voor het aanzien van Nederland in Europa, betoogt Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ.

Dit verhaal gaat over een jubileum. Maar niet eentje dat we groots willen vieren. Het gaat namelijk over een wetsvoorstel dat zijn ontstaansgeschiedenis kent in 1989 in een proefschrift van W. Korthals Altes en anno 2014 nog immer de status van voorstel bezit.

Het is destijds PVDA-kamerlid Erik Jurgens, die inziet dat Nederland een voor de journalistiek én democratie belangrijk uitgangspunt ontbeert, een wettelijk verankerd recht op bronbescherming.

Hij doopt zijn wetsvoorstel het “Journalistiek privilege” en misschien is het wel die titel, die het voorstel nog steeds niet uit het couveuse-stadium heeft kunnen halen.

De intentie van het wetsvoorstel is, anders dan de titel doet geloven, niet om journalisten een voorrecht te geven boven andere burgers. Het is bovenal bedoeld om de bronnen, die journalisten inzetten, te beschermen. Het is geen voorrecht dat journalisten moeten zwijgen over bronnen, die anoniem willen blijven, maar een bittere plicht voor de beroepsgroep om die anonimiteit te waarborgen.

Dat die bronnen kwetsbaar zijn en bescherming verdienen, daar zijn vriend en vijand het inmiddels wel over eens. Iedereen kent de namen van Ad Bos, Fred Spijkers, Bradley/Chelsea Manning en Edward Snowden en snapt dat bepaalde bronnen een hoge prijs betalen voor het publiek maken van misstanden.  De keuze om anoniem te kunnen blijven, bij het melden van misstanden of informatie aan journalisten, is dan ook van levensbelang, voor bron en burger.

Waar het om gaat, is dat de bron, de klokkenluider zo u wilt, zich beschermd weet als hij zich tot een journalist of medium wendt om aan een groter publiek een bepaalde misstand kenbaar te maken. Daarvoor is het noodzakelijk dat hij/zij er redelijkerwijs vanuit mag gaan dat het benaderen van een journalist niet meteen betekent dat iemand zijn anonimiteit opgeeft. En daarvoor is het dus noodzakelijk dat journalist het recht heeft om te zwijgen over diens bronnen.

En dat de omgeving van waaruit een journalist of medium werkt, in beginsel verboden gebied is voor politie, justitie en veiligheidsdiensten en andere organisaties, die graag deze bronnen met taps, mail- of telefoonverkeersgegevens zouden willen achterhalen.  Hoe die journalist gediplomeerd is of voor welk medium hij/zij werkt, doet niet ter zake. Het gaat erom dat hij/zij een breder publiek weet te bereiken en dus voor een bron een logische partij is om informatie aan te verstrekken.

Het is dus niet zozeer een journalistiek privilege alswel een journalistieke plicht, die een journalist alleen kan waarmaken, als de overheid hem daartoe in staat stelt.

Toch gaat het jarenlang bij de discussie over het wetsvoorstel over het verkeerde thema.  De vraag die politici en departement bezighoudt, is:  Waarom verdienen journalisten een bijzondere bescherming en zwijgrecht? Wie zijn dat nu helemaal, dat journalistenvolk, dat zonder enige vorm van professioneel keurmerk of geregistreerd diploma maar publiceren wat hen belieft? Als we al tot een beschermend wetsartikel over zouden gaan, dan moeten we toch eerst de beroepsgroep streng definiëren en die anarchistische media aan ethische banden leggen?

Het is de angst voor deze discussie, die mijn voorganger Hans Verploeg en mijn verre voorganger en leermeester prof. Gerard Schuijt ertoe brengen om het wetsvoorstel van Jurgens slechts halfhartig te steunen. Bronbescherming is belangrijk, maar een wetsartikel waarin onze beroepsgroep zou worden gedefinieerd, dat is vragen om moeilijkheden.

Dat zou immers het begin kunnen worden van het muilkorven van de beroepsgroep, want met de introductie van een wetsartikel over journalisten, zou het introduceren van allerlei wettelijke beperkingen op hun bewegingsvrijheid dichtbij zijn.

De redding lijkt in 1996 uit Europa te komen. In de Goodwin-uitspraak van het Hof in Straatsburg erkent de hoogste Europese rechter het beginsel van journalistieke bronbescherming.

Daarmee is ook meteen in Nederland dit beginsel van kracht, zodat een ongemakkelijk dilemma voor de journalistiek en NVJ verdwenen lijkt. Er is geen wettelijke regulering van de beroepsgroep nodig en toch kan diezelfde beroepsgroep zich op een bijzonder recht op bronbescherming beroepen, verwijzend naar deze Europese uitspraak.

Toch eindigt dit verhaal niet in 1996. Vrij kort daarna blijkt dat een Europese uitspraak niet gelijk staat aan een mentaliteitsverandering bij politie, justitie en veiligheidsdiensten in Nederland. Journalisten worden als doelwit gebruikt om bronnen te achterhalen en een rechterlijke toetsing voorafgaand aan het opeisen van journalistiek materiaal ontbreekt in de Nederlandse wet.

Bestaande wetsartikelen blijken materieel in tegenspraak met de uitgangspunten van bronbescherming.

Meerdere ernstige incidenten volgen, waarbij Justitie, maar ook de Nederlandse rechtsspraak het principe van bronbescherming niet erg serieus nemen. Drie van deze zaken worden door de betrokken journalisten met hulp van uitgevers en NVJ tot aan het Europese Hof uitgevochten en in alle drie de gevallen wordt Nederland stevig op de vingers getikt.

De eerste zaak betreft de journalist Koen Voskuil, die in 2000 in totaal 18 dagen door de rechter gegijzeld wordt, omdat hij weigert de bron te noemen, die de basis vormt voor een verhaal over een mogelijk niet rechtmatige inval in een huis van een wapenhandelaar in Amsterdam-West.

In de zaak Voskuil wordt aan Nederland duidelijk gemaakt dat het gijzelen van een journalist om hem te dwingen diens bron te onthullen, echt een middeleeuws middel betreft, dat niet past in een democratische rechtsstaat, waar nu juist een journalist een gerechtvaardigd belang heeft om zijn bronnen te beschermen.

Minister van Justitie Hirsch Ballin belooft in een reactie op de uitspraak beterschap. Er komt een nieuw wetsvoorstel om herhaling van een dergelijke zaak te voorkomen en journalistieke bronbescherming te waarborgen. We schrijven najaar 2007. 
En jawel, in 2008 ziet een nieuw voorstel op de bronbescherming het daglicht. Een voorstel waar behoorlijk wat op af te dingen valt, maar het is een begin.  Het voorstel zal het parlement echter nooit bereiken.

De tweede Europese zaak waarin de Nederlandse Staat wordt gekapitteld, in 2010, brengt daarin geen verandering. De inval bij de redactie van Autoweek en het in beslag nemen van journalistiek (bronnen)materiaal is een ernstige inbreuk op de bescherming van bronnen, die slechts na een serieuze voorafgaande rechterlijke afweging kan plaatshebben, zo stelt het Hof in Straatsburg.

Bij die afweging moet beoordeeld worden of alle andere, minder ingrijpende middelen zijn uitgeput en de kwestie zwaar genoeg is om een mogelijke inbreuk in de bronbescherming te rechtvaardigen. (Dit betreffen de zgn. subsidiariteits- en proportionaliteitseisen)
De hoofdredactie van Autoweek weigert in deze zaak foto’s af te staan van illegale streetcar races, maar Justitie dwingt overhandiging af, onder dreiging van het vastzetten van de hoofdredacteur en het plunderen van de volledige Sanoma-redactie.

Ook hier maakt de Europese rechter dus korte metten met de handelwijze van Justitie en constateert dat de Nederlandse wetgeving niet toereikend is. En opnieuw belooft de verantwoordelijk minister beterschap.

Het wetsvoorstel is nog steeds, – drie jaar later dus - , in de maak en zal kort daarna aan het parlement worden voorgelegd, zo wordt plechtig beloofd. Het is inmiddels 2010…

Een derde zaak lijkt nodig om Nederland tot werkelijke actie te brengen. Telegraaf-journalisten Bart Mos en Joost de Haas krijgen met een hele batterij aan misstappen van Justitie, AIVD en rechtelijke macht te maken. Het begint met het illegaal afluisteren en volgen van de twee journalisten om hun bronnen te achterhalen, daarnaast worden ze gedurende een aantal maanden bedreigd met strafrechtelijke vervolging en als sluitstuk worden ze drie dagen gegijzeld om hen alsnog te dwingen hun bron prijs te geven.

Ook hier moet uiteindelijk het Europese Hof eraan te pas komen om Nederland terug te fluiten. In 2012 komt de uitspraak, die voor de derde maal vaststelt dat Justitie en veiligheidsdienst ver buiten hun boekje zijn gegaan en volgt de oproep aan de Nederlandse staat om wetgeving aan te passen.

Nou, dat komt voor de bakker, zo belooft het trio Plasterk, Opstelten en Teeven in november 2012. Met de hun bekende voortvarendheid wordt, ik citeer, “binnen twee weken” een wetsvoorstel toegezegd.

In de tussentijd leven we halverwege 2014, ruwweg zeventig weken na de belofte van Opstelten c.s. en nog altijd blijft het oorverdovend stil op de burelen van het ministerie, dat sinds 2007 inmiddels van naam is veranderd en nu Veiligheid voorop heeft staan.

Een volgende principiële zaak dient zich alweer aan, de kwestie rond Telegraaf-journaliste Jolande van de Graaf, die geconfronteerd wordt met een inval in haar privé-woning en net als haar collega’s vier jaar eerder, ook afgeluisterd wordt door de AIVD, nadat ze informatie onthult over het optreden van onze inlichtingendienst.

En ook hier, eind 2013 inmiddels, verdedigt de Nederlandse staat zich met het verweer dat een Nederlandse wet echt aanstaande is. Uiterlijk het voorjaar van 2014 zal het voorstel naar het parlement worden gestuurd, dus een nieuwe Europese procedure is echt niet nodig, zo stelt de minister.

Nu duurt dit voorjaar nog 14 dagen, dus toch maar (weer) eens nagevraagd of we de komende twee weken iets kunnen verwachten. En het nieuws is: het wetsvoorstel komt voor het zomerreces in de ministerraad. Zou het er dan toch van komen?

Laten we positief afsluiten. Het enige voordeel van het lange wachten is dat we nu vrij eenvoudig het goede voorbeeld van andere landen kunnen overnemen. Want in alle ons omringende landen is de bronbescherming inmiddels wel goed geregeld. Het meest toegankelijke voorbeeld is de Belgische wet, die, sinds 2005, bewijst dat we inderdaad de bescherming van bronnen goed kunnen regelen, zonder in ingewikkelde definities van het vak terecht te komen.

En dat deze bescherming in deze tijden van overijverige inlichtingendiensten en kwetsbare klokkenluiders bittere noodzaak is, behoeft weinig betoog.

De Belgische wet functioneert en zou als een uitstekend voorbeeld kunnen dienen voor een Nederlandse regeling.

Nou minister, voor het zomerreces dan maar?

Thomas Bruning, algemeen secretaris NVJ
18 juni : klokkenluidersconferentie Pakhuis de Zwijger

 

Thomas Bruning is algemeen ­secretaris van de NVJ. Hij heeft verenigingszaken, persvrijheid, veiligheid, internationale zaken en woordvoering in zijn portefeuille. Bruning is secretaris van Stichting Persvrijheidsfonds, lid van het comité 3 mei (Dag van de Persvrijheid), bestuurslid en penningmeester van De Tegel (Jaarprijzen voor de Journalistiek) en bestuurslid van de Nederlandse Sportpers (NSP). Hij studeerde Nederlands Recht aan de Universiteit van Amsterdam, met als specialisatie media- en auteursrecht.

platform makers

Praat mee

3 reacties

J.C. Roodenburg, 12 juni 2014, 16:30

Mis toch wel een opvatting van de algemeen secretaris wat we moeten doen aan de cowboys in de journalistiek die er wat mij betreft helaas ook genoeg zijn. Een sanctie koppelen aan het lidmaatschap van de NVJ? Dat gaat mij ook wel erg ver.

EdJag, 24 juni 2014, 19:37

J.C. Roodenburg, 12 juni 2014, 16:30 schrijft:
“Mis toch wel een opvatting van de algemeen secretaris wat we moeten doen aan de cowboys in de journalistiek die er wat mij betreft helaas ook genoeg zijn”, ik zou daar aan toe willen voegen dat ik nog wel een dozijn opvattingen of wellicht beter misvattingen kan opnoemen in het verhaal van Thomas Bruning. Voor wat betreft de ‘cowboys’ in de journalistiek denk ik persoonlijk dat er meer cowboys zijn onder de zogenaamde ‘keurige’ journalisten dan onder de wilde zo je die zo noemen mag. Daarnaast is de NVJ zelf ook een best wel cowboy-organisatie en ook weer niet zo erg van belang voor de journalistiek hoor. Het is dat er die krankzinnige, welhaast demagogische en in ieder geval super ondemocratische regel is dat je EERST lid moet worden van de NVJ voordat je een perskaart kan bekomen. Bestond die regeling niet dan was er misschien geen kop lid van de NVJ. Eigenlijk best wel raar hé dat juist binnen een club van journalisten, die mannen en vrouwen die als eersten op hun achterbenen staan wanneer er ook maar ergens een fleem van demagogie, democratie of ongewenste/gedwongen lidmaatschap bestaat, dat juist binnen hun organisaties een dergelijk hoogst ongewenste regeling bestaat en dat er dan plotseling een angstaanjagend stilzwijgen en gedogen heerst. Als iemand het zou bedenken dat je eerst lid moet worden van het GPV (zo maar een afkorting) voordat je een OV-jaarkaart kan kopen, dan zou de wereld te klein zijn voor alle poep welke dan over die club uitgestort zou worden. Heel raar hoor dat er nu geen krant is daar een artikel over schrijft en bijvoorbeeld ook het CNV zich er maar bij neerlegt. Zij hebben het wel eens eerder aangekaart maar aangezien het CNV dus de perskaart niet mag uitgeven, kreeg men nauwelijks een poot aan de grond. Ja, het is best wel bizar dat de uitgifte van de perskaarten (de NVJ verstrekt nu ook de landelijke politieperskaart, die eerder uitgegeven werd door de Stichting Landelijke Politieperskaart) NIET door een volstrekt onafhankelijke organisatie gedaan wordt, maar door een vakbond, ongeacht of dit nu een grote of kleine is, algemene of Christelijke. Het is net zo bizar als het gegeven dat de Hells Angels in Nederland met instemming van politie bepalen of een (nieuwe) motorclub rond mag toeren met welke ‘colors’ op hun motorjack! Bizar, inderdaad! Net zo bizar als de verplichting dat je eerst lid moet worden van een vakbond voordat je in Nederland aan het werk kan gaan als journalist! Bizar. Het wordt de hoogste tijd dat de NVJ dat inziet en zelf stappen onderneemt die krankzinnigheid uit de weg te ruimen.

Dolf Rogmans, 25 juni 2014, 13:34

@ Edjag: om een politieperskaart te verkrijgen hoef je geen lid te zijn van de NVJ.
Als je een NVJ-kaart wilt ontvangen, dan dien je wel lid te zijn.
De vergelijking met de ov-kaart gaat mank. Met de ov-kaart koop je vervoer. Met de perskaart laat je zien dat je journalist bent. Door je bij een vereniging aan te sluiten waarvan de buitenwereld begrijpt dat er journalisten bij zijn aangesloten, maakt een perskaart van de NVJ meer indruk dan een willekeurig in elkaar geknutseld kaartje.
Wil je geen lid worden van de NVJ, is dat wel een optie: maak er zelf wat moois van.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.