‘Wat doet een Belg
De Belgische Leen Vervaeke is journalist bij de Volkskrant. Het was even wennen. De verschillen zijn groot. Maar na zes jaar valt haar dat eigenlijk niet meer op: ‘Ik heb me aangepast. Ik ben directer, neem af en toe een collega in de zeik (humor!), en heb onvermijdelijke woorden als ‘lekker’, ‘gezellig’ en ‘doei’ overgenomen.’
‘Wat doet een Belg eigenlijk in Nederland?’ Ik sta aan de bar in een Utrechts zaaltje. De afgelopen twee uur heb ik een woelig debat gemodereerd, ik ben toe aan een biertje. Maar nog voor ik het glas aan mijn lippen heb gezet, klinkt De Vraag.
Ik woon nu zes jaar in Nederland, maar nog iedere dag krijg ik De Vraag te horen. Op reportage, tijdens een interview, aan de bar na een debat: zodra mijn gesprekspartner mijn ‘schattige Vlaamse accent’ hoort, wil hij weten waarom ik naar Nederland ben gekomen en hoe ik als fijngevoelige Belg overleef in dit kikkerland.
De Vraag geeft me steeds het gevoel alsof ik een bedreigde diersoort ben. Een homo sapiens belgicus, aangetroffen buiten zijn natuurlijke biotoop. Terwijl ik gewoon 200 kilometer noordelijker ben gaan wonen, in een buurland met min of meer dezelfde taal.
Ik weet wel, de vraagstellers hebben een punt. Ja, er zijn veel verschillen tussen Belgen en Nederlanders. Ja, ik wijk enigszins af van mijn Nederlandse collega’s op de Volkskrant-redactie. Het was even wennen voor mij, geboren en getogen in het Streuveliaanse West-Vlaanderen, land van stille en harde werkers, op een redactie vol flamboyante Hollanders – ik schrijf hier bewust niet Nederlanders – die van het hoogste woord voeren een levenskunst hebben gemaakt.
Ik herinner me mijn verbazing op mijn eerste redactievergadering. Toenmalig hoofdredacteur Pieter Broertjes stelde zijn plannen voor een nieuwe zaterdagkrant voor; de bestaande weekendeditie was in de vette krantenjaren zo dik geworden dat hij amper nog door de brievenbus kon. Hij deed zijn ideeën uit de doeken, toonde wat voorbeeldpagina’s en vroeg ten slotte om reacties.
Ik had wel wat bedenkingen, maar die hield ik voor mezelf, want ik kwam net kijken en Broertjes was mijn grote baas. Een typisch Belgische redenering. Mijn collega’s daarentegen uitten harde kritiek. Zowat iedereen, van ervaren rot tot jongste bediende, gaf zijn visie. Scherp en gevat, als was het een debattoernooi. Na zowat een uur brieste de adjunct-hoofdredacteur: ‘Genoeg! Dit is een bedrijf, geen democratie!’
Dat laatste werd bevestigd toen een paar weken later de vernieuwde zaterdagkrant vlotjes in de brievenbus viel: precies de krant die Pieter Broertjes had voorgesteld.
Ook de afbraakhumor van sommige collega’s was even wennen. Het duurde een tijdje voor ik inzag dat twee redacteuren die elkaar voortdurend de ergste verwensingen toe slingerden, eigenlijk dikke vrienden waren.
Ik herinner me ook een boekpresentatie, waarop ik als kersvers Volkskrant-redacteur was uitgenodigd. Oud-correspondent Peter Brusse had een boek geschreven over zijn belevenissen in Londen, en historicus Herman Pleij zou het boek aanprijzen. Pleijs exacte bewoordingen ben ik vergeten, maar het kwam erop neer dat de auteur een incompetente idioot was en dat het boek hooguit als brandstof voor de openhaard kon dienen. Ik kon mijn oren niet geloven.
‘Dat is ironie, Leen’, zei een collega belerend. ‘Kennen jullie dat in België niet?’ Ja, ironie kennen we wel. Maar dit vernederende cynisme?
‘Zullen we eens op zijn Belgisch lunchen?’, vroeg een andere collega een paar maanden later. Ik was benieuwd wat dat inhield. Het bleek: een broodje eten op een terras, mét een pint bier. Ik had er nog niet bij stilgestaan, maar dat was inderdaad on-Nederlands.
In tegenstelling tot het clichébeeld kun je in Nederland heel lekker eten, maar er is wel geen eetcultuur. Op restaurant krijg je hier geen Bourgondische maaltijden waarbij je je broeksknoop moet openzetten, maar verdienstelijke gerechten die je met wat kooktalent ook thuis kan maken. Parallel daaraan houden mijn collega’s ook geen lunchpauze op een terrasje om de hoek, maar eten ze in het beste geval in de kantine, en in het slechtste geval voor het computerscherm.
De verschillen zijn groot. Maar na zes jaar valt me dat eigenlijk niet meer op. Ik heb me aangepast. Ik ben directer dan zes jaar geleden, neem af en toe een collega in de zeik (humor!), en heb onvermijdelijke woorden als ‘lekker’, ‘gezellig’ en ‘doei’ overgenomen.
Bovendien heb ik ook veel gemeen met mijn Nederlandse collega’s. Er zijn verschillen tussen Belgische en Nederlandse journalisten, maar in de eerste plaats zijn we journalisten.
Als ik dan het medialandschap in de Lage Landen overzie, ben ik tevreden dat ik bij een Nederlandse krant werk. Ondanks de bezuinigingen is het nog steeds zo dat Nederlandse kranten, met 16 miljoen potentiële abonnees, meer kunnen investeren in kwaliteitsjournalistiek dan de Vlaamse, met slechts 6 miljoen potentiële lezers. Kijk naar het correspondentennetwerk van de Volkskrant, of naar de tijd die journalisten hier aan hun artikel kunnen besteden.
De Vraag is niet waarom ik als Belg bij een Nederlandse krant werk. De vraag is: waarom niet?
——-


Praat mee