‘Verhalen die nu uit Egypte komen, zijn topje van de ijsberg’
‘Wat gebeurt er na Moebarak?’ is de vraag die al jaren in elk artikel over Egypte terugkomt, en onbeantwoord blijft. Nu het antwoord dichterbij komt, is het te gevaarlijk om je werk doen. Geen journalist is meer veilig in de straten van de Egyptische hoofdstad. Trouw-correspondent Eduard Padberg was een van de eerste journalisten die klappen kreeg.
Op de allereerste dag van de demonstraties loop ik ’s nachts vanuit mijn huis richting het Tahrir plein om te kijken hoe het ervoor staat. Nog voor ik het plein bereik word ik belaagd door een agent, die me zonder aarzelen met zijn wapenstok op mijn hoofd slaat. Een tiental agenten volgt zijn voorbeeld, en beukt op me in. Een officier behoedt me van een complete afranseling. Het incident, dat uitgebreid door de Nederlandse media werd opgepikt, zou een voorbode zijn van wat er te gebeuren staat.
Toch voorspelde op dat moment niemand hoe groot de opstand zou worden en met hoeveel geweld het regime zou reageren. Waar voorheen bij demonstraties in Egypte buitenlandse journalisten werden gespaard, zijn we nu doelwit geworden in een overheidscampagne om de onafhankelijke media de mond te snoeren. Nu, ruim twee weken na het losbreken van de opstand, is voor journalisten het Tahrir plein de veiligste plek in Caïro, ondanks de veldslagen van afgelopen weken. Erbuiten is het levensgevaarlijk. Vooral correspondenten zijn een geliefd doelwit van pro-Moebarak supporters die worden bijgestaan door politie in burger en veiligheidsdiensten.
De staatstelevisie jut de Egyptenaren op zich te weren tegen de ‘buitenlandse machten’, die de demonstranten voorzien van voedsel en wapens. Natuurlijk is Israël de grote boosdoener, maar ook Europa wordt geregeld genoemd als bron van verderf. De campagne heeft succes; een groot deel van de Egyptische bevolking heeft als enige informatiebron de staatsmedia en gelooft nu heilig in een samenzwering. Het gevolg is dat elke buitenlander in Caïro nu opgejaagd wild is, in het bijzonder de correspondenten ‘die de naam van Egypte te grabbel gooien’.
De heksenjacht gaat door tot diep in de nacht. Ver na het verstrijken van de avondklok wordt er op de deur van mijn huis geklopt. Tot twee weken geleden was Caïro een veilige stad, waar je zelfs in de armste wijken niet bang hoefde te zijn. Maar in deze turbulente tijden, met bendes plunderaars op zoek naar slachtoffers en gewapende milities die in de straten patrouilleren, is een klop op de deur genoeg om alle alarmbellen te laten rinkelen.
Ik hou me stil, maar het afgaan van mijn telefoon verraadt dat ik thuis ben. Door de deur heen vraag ik wie het is. ‘Doe open’, is het weinig overtuigende antwoord. Ik bewapen me met een bezem en keukenmes en herhaal de vraag, die op dezelfde manier wordt beantwoord. Het angstzweet breekt me uit.
‘Een van hen laat me op enkele centimeters van mijn gezicht zien hoe scherp zijn mes wel niet is.’
Na enig aandringen identificeert de stem zich: ‘veiligheidsdienst’. Ik slik en open het raam in de deur. Vijf mannen – vier spierbundels en een jonge officier – vullen het kleine gangetje. Ik vraag ze nogmaals wat ze willen. ‘Wij zoeken journalisten en mensen die voor Israël werken. Open de deur.’
Het feit dat de officier het algemeen verwoordt, biedt hoop. Maar ik weiger ze alle vijf binnen te laten en dwing na bemiddeling van een buurman een compromis af; als de spierbundels weggaan, laat ik de officier binnen. In goede Arabische traditie antwoord ik ontkennend op al zijn vragen. Maar de officier, die overigens niet onvriendelijk is, neemt er geen genoegen mee en begint mijn huis te doorzoeken. Raar genoeg pakt hij uit mijn boekenkast alleen de Lonely Planet reisgids, waar hij aandachtig doorheen bladert. Ik verberg mijn camera en opnameapparatuur snel onder een jas. Dan valt zijn oog op de politie-insigne die ik op straat had gevonden na de hevige rellen in mijn buurt. Mijn hart zinkt, maar de officier werpt de insigne met een minachtende blik in mijn richting terug op tafel. ‘We zien elkaar’, zegt hij terwijl hij de deur uitloopt.
Ik haal opgelucht adem, maar de misselijkheid blijft. Ik kan geen kant op. ’s Nachts als buitenlander de straat op is levensgevaarlijk, ook zonder camera. Er zit niets anders op dan de deur te barricaderen en te wachten op daglicht. Het is een lange nacht – maar niets in vergelijking met de nacht van de tientallen collega’s die wel zijn opgepakt.
Ook bij daglicht is het niet veilig voor journalisten. Omdat veel straten zijn afgezet, gaat de vlucht naar een van de grote hotels waar veel collega’s toevlucht hebben gevonden, noodgedwongen door een arme buurt waar jongeren elke honderd meter een versperring hebben opgeworpen. De mannen hebben overenthousiast de rol van de politie overgenomen. Met messen wordt op de ramen getikt. De vragen zijn elke keer hetzelfde. ‘Journalist? Israëli?’
Bij het voorlaatste roadblock wordt de situatie echt dreigend. De auto wordt gedwongen te stoppen en enkele jongeren komen de auto binnen. Een van hen laat me op enkele centimeters van mijn gezicht zien hoe scherp zijn mes wel niet is. Een andere man, met een gezicht vol littekens, laat me de punt van zijn zelfgemaakte mes/boksbeugel voelen. Hij schept op over de Israëlische spion die ze gisteren ge- lyncht hebben. Of het waar is of niet; dreigend is het zeker. Als iemand in mijn paspoort een oude boardingpass naar Amman vindt, wordt de sfeer nog vervelender. Mijn spullen worden doorzocht door vier jongens tegelijk, op zoek naar camera’s of ander bewijs dat ik een journalist ben. Na een half uur laten ze me gaan. Een van de jongens rent achter de auto aan. Hij steekt zijn hoofd door het raam. ‘Sorry.’
Dat werken in een politiestaat niet gemakkelijk is weten we. Maar het gebrek aan cijfers, het noodgedwongen weglaten van namen en de ontkenningen van alle berichten die het regime niet uitkomen, neem je voor lief. Eigen waarneming is onmisbaar. Zelfs na het afsluiten van het internet en de telefoonverbindingen op de ‘Dag van de Wraak’ konden we werken. Na een helletocht door de traangasnevels langs de hotels vond ik uiteindelijk een werkende telefoonlijn waarmee ik mijn verhaal – hoe chaotisch ook – kon doorbellen. Het kostte veel moeite en het was niet zonder risico, maar het nieuws kwam naar buiten. Al was het maar een ooggetuigenverslag van een plek in de stad.
Nu lukt dat niet meer. Als het enige positieve element van de politiestaat – veiligheid – wegvalt, is werken bijna onmogelijk. Niemand heeft meer overzicht en het is te gevaarlijk om je buiten het Tahrir plein te begeven. De verhalen die momenteel uit Egypte komen, zijn het topje van de ijsberg. Door het hele land vinden de meest verschrikkelijke dingen plaats die nooit verslagen zullen worden. En dat is precies het doel van het regime.
Het regime controleert de informatie meer dan ooit. Behalve journalisten belagen, het plunderen van kantoren, het uit de lucht halen van zenders en het vernietigen van apparatuur worden ook de cijfers op grote schaal gemanipuleerd. Zo is het officiële dodental een lachertje. In de buurten die ik de afgelopen weken bezocht heb zijn meer doden gevallen dan het totaal dat het regime opgeeft.
De organisaties die zo goed en kwaad als ze kunnen de incidenten bijhouden, zijn er niet meer. Tientallen mensenrechtenactivisten zijn opgepakt of ondergedoken. Ik ben, net als veel collega’s, naar Nederland gevlucht. De journalisten die zijn achtergebleven doen goed werk, maar zijn noodgedwongen zeer beperkt in hun verslaggeving. Een van de gevolgen is dat de opstand nu aan momentum verliest. Zonder onafhankelijke berichtgeving regeert de angst. En dan is de opstand gedoemd te falen.


Praat mee