— zaterdag 21 april 2012, 13:52 | 0 reacties, praat mee

‘Soms voel ik de oorlog in mijn hele wezen’

Natalie Righton van de Volkskrant won De Tegel in de categorie ‘Onderzoek’ voor haar berichtgeving over de politietrainingsmissie in Afghanistan. Wonen en werken in een land in oorlog is haar niet in de koude kleren gaan zitten. ‘Normaal duurt een correspondentschap vijf jaar. Ik denk dat dat voor Afghanistan te lang is.’

Het is ruim een maand na de massa­protesten tegen buitenlanders in het Afghaanse Kabul als we Volkskrant-correspondent Natalie Righton (1976) proberen te bellen via Skype. Ze is in Kabul, haar woonplaats, in een ruimte die moet doorgaan voor een internetcafé. Een soort restaurant met een tuin en daaromheen een hoge muur met prikkeldraad en bewakers. De internetverbinding is matig, en ook als we het beeld – dat veel bandbreedte vraagt – uitzetten, blijft het geluid haperen. Een tweede poging via de betaalde dienst Skype­Out lukt ook slecht. ‘Dat is een van de grote uitdagingen van mijn werk: überhaupt online komen’, verzucht ze, om te worden onderbroken door een harde ruis en een hoge pieptoon. Ze geeft me haar Afghaanse mobiele nummer, en na tien minuten gehannes klinkt ze ineens kraakhelder door mijn mobiel. ‘Dat realiseren mensen zich vaak niet hè; dat zo’n 70 procent van mijn tijd opgaat aan dit soort logistieke zaken. Zorgen dat ik een telefoonverbinding heb, zorgen dat ik een artikel weg kan sturen via internet, zorgen dat ik een veilig hotel heb, vertalers, vervoer.’

Righton vertrok in januari 2010 voor de Volkskrant naar Pakistan. Van daaruit zou ze af en toe naar Afghanistan reizen. ‘Maar toen ik voor het eerst in Kabul kwam zag ik al dat de verhalen hier op straat liggen. In de Pakistaanse hoofdstad Islamabad kun je gerust een halfuur lopen en geen kip tegenkomen. In Kabul zie je de oorlog letterlijk om je heen. Elke ochtend bij het ontbijt vliegen de legerhelikopters over. Je ziet overal prikkeldraad, mannen met mitrailleurs. Als journalist is het goed om daar tussenin te zitten, om te voelen wat er gebeurt.’

Waren ze het daar bij de Volkskrant ook meteen mee eens dat je Pakistan verruilde voor Afghanistan?
‘De Volkskrant let natuurlijk op veiligheid. We vonden het toen, en ook nu nog, goed genoeg te doen. De vraag is hoe lang ik hier goed kan blijven functioneren. Afghanistan is, zeker na de massaprotesten van laatst, een kruitvat; je hoeft er maar een vonkje bij te houden en het ontploft. Vandaag kan ik rustig over straat lopen, maar als er morgen in het Westen weer iemand een koran in de fik steekt, kan het zomaar uit de hand lopen. Misschien komt er een moment dat ik moet gaan nadenken over de vraag of ik mezelf moet bewapenen. Ik denk dat dat het moment is dat het correspondentschap is afgelopen.’

Denk je niet dat je je grenzen zal verleggen, omdat je er toch al zit?
‘Het grootste gevaar is inderdaad dat je de spreekwoordelijke kikker in het kokende water wordt. Als je een kikker in koud water legt en je stookt het vuur op, dan heeft die niet door dat het te warm wordt en blijft hij zitten tot hij dood is. Als je een kikker in één keer in het kokende water gooit, springt hij eruit. Niet doorhebben dat het te heet wordt onder je voeten is een groot gevaar voor veel journalisten.

Een manier om dat te ondervangen is dat ik er regelmatig uit ga. Om de twee maanden verlaat ik Afghanistan. Ik dwing mezelf om dat te doen; ook als ik het niet wil of het gevoel heb dat het niet nodig is. Een jaar geleden kwam ik een restaurant uitlopen en zag ik vanuit mijn ooghoek een paar mannen met machinegeweren staan. Zonder daar verder aandacht aan te besteden stapte ik in de taxi die klaarstond. In de auto zei mijn vriend (fotograaf Ton Koene, red.): “Goh, wie waren eigenlijk die mannen met die machinegeweren?” Ik realiseerde me dat ik ze eigenlijk nauwelijks had opgemerkt. De alarmbellen waren niet afgegaan, omdat ik het normaal was gaan vinden. Dat zijn momenten waarop ik me realiseer dat ik eruit moet omdat ik niet meer scherp genoeg ben.

De tweede maatregel is dat ik in vaste dienst ben. Afghanistan was een freelance-post maar ik heb vooraf met de krant besproken dat ik bang was dat wanneer ik als freelancer naar mijn bankrekening zou kijken, en vervolgens naar het gevaar om me heen, ik misschien de verkeerde beslissing zou maken. De afweging om ergens te blijven mag nooit geld of het behoud van je werk zijn. De afweging moet altijd veiligheid zijn.’

Daar heb je grondig over nagedacht.
‘Zeker. Aan mijn vertrek zijn maanden gesprekken vooraf gegaan. Die gingen met name over veiligheid. Je bereidt natuurlijk een aantal worst case scenario’s voor – hoe vreselijk dat ook is. Wat gebeurt er als ik ontvoerd word? Wat gebeurt er als ik overlijd? Je wilt er niet aan denken, maar je moet. Dat is een heel raar proces. Aan de ene kant is het confronterend, aan de andere kant is het geruststellend om een plan te maken. Je weet: als het mis gaat, dan zijn er mensen die weten wat ze moeten doen.

En verder moet je van dat plan niet te veel maken hoor. Het zijn gewoon tien A4’tjes met wat de procedure is als het misgaat en wat ik wel en niet mag. Ik heb mezelf veiligheidsregels opgelegd, en daar houd ik me aan. Want het risico is dat je nonchalant wordt. De meeste mensen die iets overkomen, zijn niet de nieuwelingen maar juist diegenen die er al langer zitten en de eigen veiligheidsregels aan hun laars lappen.’

Over wat voor regels hebben we het dan?

‘Bij een veiligheidsplan denken veel mensen meteen aan bommen en ontvoering. Maar er staan ook regels in over hoe je je bijvoorbeeld gedraagt in het verkeer. Er zijn in Afghanistan waarschijnlijk meer mensen die omkomen door een auto-ongeluk dan door een bom, dus ik stap nooit in een auto zonder gordels. Ik heb een taxichauffeur ooit honderd dollar betaald om ze te laten inbouwen. Verder begeef ik me op straat vrijwel altijd met een mannelijke begeleider en vertel zo min mogelijk mensen over mijn reisplannen. Ook mijn chauffeur weet meestal pas op het laatste moment waar we heen gaan en wanneer we vertrekken. Ik vertrouw natuurlijk wel een paar mensen, maar je moet er in dit soort landen vanuit gaan dat de geheime dienst en andere groeperingen actief zijn die jouw persoonlijke vrienden onder druk kunnen zetten om informatie te verschaffen. Het is een land in oorlog, dus er gebeuren rare dingen.’

Dat vereist een constante alertheid.

‘Ik ben er altijd mee bezig. Ook als ik in Nederland ben, wat een beetje gek is. Als ik in een restaurant afspreek, zit het er gewoon ingebakken dat ik niet bij het raam ga zitten voor het geval er een bom afgaat. En toen ik de dag voor oud en nieuw in Nederland op mijn fietsje zat, dook ik er uit instinct vanaf toen er vuurwerk afging. Idioot!’

Je omschreef dat heel mooi in de Volkskrant. Dat je tintelingen in je armen hebt. De oorlog onder je huid, noemde je dat. Went het, of voel je dat constant?
‘Ik voel het bijvoorbeeld ook nu ik met jou aan de telefoon zit. Ik voel het letterlijk in mijn armen. Het zit tegen adrenaline aan, tegen het gevoel dat je zo moet gaan sprinten, ken je dat? Echte ontspanning is er nooit en er zijn momenten, als ik hier te lang zit, dat het te heftig wordt. Dan voel ik het in mijn hele wezen.

Als ik naar Nederland kom, spreek ik de eerste twee, drie dagen alleen af met mensen die Afghanistan kennen – vaak zijn dat collega’s. Ik zeg wel eens grappend: dat is mijn Kreta. Militairen gaan na hun uitzending allemaal een week naar Kreta om te ontladen en ik heb twee, drie dagen nodig om de oorlog van me af te praten en er zo voor te zorgen dat die tintelingen weggaan.’

Hoe lang kun je dat zo blijven doen?
‘Volgens mij ben ik gezegend met een vrij stabiel, sterk karakter. Maar eind vorig jaar, ik zat toen twee jaar in Afghanistan, heb ik een moment gedacht dat het mis zou kunnen gaan als ik niet zou stoppen. Gelukkig had ik een aantal maanden daarvoor al twee maanden verlof aangevraagd. Omdat ik aan een boek wilde werken, maar deels ook omdat ik aanvoelde dat ik er voor een langere tijd uit moest. Dit is niet iets wat je heel je leven kan doen. Normaal gesproken duurt een correspondentschap vijf jaar. Ik denk dat dat voor Afghanistan te lang is.’

Had je toen je naar Afghanistan vertrok een idee van wat je wilde laten zien?

‘Veel mensen vragen me waarom ik in Afghanistan zit. Het antwoord is dat hier de geschiedenis zich voor je ogen ontrolt. Daar wil ik getuige van zijn. De oorlog tegen het terrorisme heeft ons leven zo veranderd. Je ziet wereldwijd een ruk naar rechts, veel angst voor de Islam en relatief veel angst voor terreuraanslagen. Maar wat houdt het nou in, die oorlog tegen het terrorisme? En wordt ons Nederland er nou echt veiliger van? Wordt de wéreld er veiliger van?’

Je hebt heel duidelijk gekozen om dat niet embedded uit te gaan zoeken.
‘Ik reis 95 procent van mijn tijd rond zonder het leger. Ik vind het onzin als journalisten zeggen dat je alleen maar unembedded moet reizen, want je moet beide kanten van het verhaal zien. Soms reis ik dus wel met het leger mee. Om de sfeer te proeven, om te horen hoe militairen denken over Afghanistan, hoe ze aankijken tegen zo’n trainingsmissie. De volgende stap is wel dat ik unembedded in hetzelfde gebied rondreis en met burgers en de Taliban of andere gewapende oppositiegroepen praat. Pas dan kan je een eerlijk beeld geven van de oorlog. Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid en de waarheid ligt ergens in het midden. Die hoop ik op te schrijven.

Mensen vragen me vaak of ik voor of tegen de missie ben. En ik benadruk altijd maar dat ik niet voor of tegen ben. Partij kiezen is niet mijn rol als journalist. We hebben in Nederland een democratie waarin politici beslissen of het wel of niet goed is om daar te blijven. Het is mijn rol om de feiten op te schrijven en lezers van de Volkskrant kunnen op basis van mijn verhalen zelf een mening vormen. Ik merk bij Defensie wel eens dat – en nu moet ik voorzichtig zijn – het idee heerst dat ik tegen de missie ben. Dat is absoluut niet het geval. Ik wil ook niet zeggen dat ik er vóór ben; ik zeg helemaal niks.’

Dat denken ze vast omdat je ze kritisch volgt.
‘Het lot van de journalist. Als je iets kritisch volgt, heb je er blijkbaar meteen een oordeel over. Mijn laatste artikel ging bijvoorbeeld over dat het ministerie van Defensie geen idee heeft wat er met opgeleide politieagenten in Kunduz gebeurt, terwijl dat wel de afspraak met de Tweede Kamer is. De kolonel stond tegenover mij en ik vroeg: “Hoeveel van die politieagenten hebben er nou gevochten?” En hij zei: “Ik weet het niet”. Dan is het toch mijn taak om dat te melden? Ik voel wel aan dat sommige mensen bij Defensie en Buitenlandse Zaken dat lastig vinden. Net zoals ze het lastig vinden dat ik met de Taliban praat. Ik heb een verhaal geschreven waarin de Taliban zeiden dat de Nederlanders in Afghanistan op de dodenlijst stonden. Daar waren veel mensen over van slag; die vonden dat ik dat niet kon maken ten opzichte van de families van Nederlandse militairen. Maar het is de rol van Defensie om die families gerust te stellen, niet de mijne.’

Een van de doelen van de Taliban is natuurlijk om zoveel mogelijk angst te zaaien in het Westen. Hoe ga je met hun teksten om?

‘Soms schrijf ik letterlijk op wat ze zeggen: dat ze alle buitenlandse militairen willen aanvallen en ervoor zullen zorgen dat ze vertrekken. En dan zet ik erachter dat de Taliban er belang bij hebben om dit beeld op te roepen en Nederlanders angst aan te jagen, maar dat de uitspraak niet geheel terzijde kan worden geschoven als propaganda. Ik leg vervolgens uit wat ik zie; bijvoorbeeld dat het aantal aan­slagen van de Taliban toeneemt.

Natuurlijk schrijf ik niet alles klakkeloos op. Als ik alles zou geloven wat ze zeggen dan zouden er elke dag minstens vijf Amerikaanse helikopters uit de lucht worden geschoten. ISAF meldt hele andere cijfers. Ik probeer alle informatie op waarde te schatten en het zo op te schrijven dat Nederlanders daar hun eigen oordeel over kunnen vellen.’

Hoe verloopt het contact met de Taliban?
‘In principe is het een organisatie die je qua PR kan vergelijken met Defensie. Ze pakken het zeer professioneel aan. Zo hebben ze twee woordvoerders die je kan bellen, een e-mailadres, een website in vijf talen, ze zitten op Twitter, op Facebook, hebben hun eigen tijdschriften. Dus als jij de Taliban wilt bereiken, en je kent de juiste tussenpersonen die het meest recente telefoonnummer hebben – want dat wisselt steeds – dan maken ze tijd voor je.

De Taliban hebben een volledige ommezwaai gemaakt wat betreft hun mediatactiek. Ze zien journalisten tegenwoordig als vehikels om hun boodschap naar buiten te brengen. Tegen journalisten zijn ze meestal dan ook zeer vriendelijk. Ik word altijd netjes te woord gestaan en aan het einde van het gesprek bedanken ze me beleefd dat ik ze heb aangehoord. Het is waardevol dat ik open met ze kan spreken, net zoals ik open met Defensie kan spreken.’

Heb je het idee dat je alle verhalen kan maken die je wilt?
‘Zoals ik embedded meega met Nederlandse militairen, zou ik ook embedded mee willen met de andere kant, met de gewapende oppositie. Ik heb het meerdere keren gevraagd maar ze willen het niet. Ik weet ook niet of het veilig genoeg is, maar het zou interessant zijn om die jongens als mens te leren kennen. Wie zijn het? Waarom hebben ze op een dag besloten dat het een goed idee is om een wapen op te pakken of om zichzelf op te blazen? Als je met ze mee zou kunnen reizen, hun vrouwen en kinderen ontmoeten, dan zou dat veel inzicht geven in de voortdurende strijd en de vraag wie nou eigenlijk de vijand is.’


Natalie Righton (1976) studeerde bedrijfskunde en werkte zes jaar als persvoorlichter voor hulp­organisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen. Na een postdoctorale opleiding Journalistiek belandde ze op de buitenland­redactie van de Volkskrant. Ondertussen maakte ze samen met fotograaf en partner Ton Koene kinderboeken waar ze de wereld voor rondreisde. In januari 2010 vertrok ze voor de krant als correspondent naar Afghanistan en Pakistan. Het is de ‘optimistische planning’ dat dit najaar een boek verschijnt over haar ervaringen in Afghanistan.

Bekijk meer van

platform makers

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.