Politici in de wurggreep van Binnenhof light
Ook op het Binnenhof is de ‘leuk’-benadering neergestreken. Een lichtere toets met meer brutaliteit. Rutger Castricum: ‘Ik moet er niet aan denken te horen bij die horde Haagse journalisten.’
Jakhals Erik Dijkstra van De Wereld Draait Door (DWDD) heeft een serieus gesprek met oud-minister Bram Peper in de kappersstoel. Ondertussen wordt zijn grijze kuif geknipt. ‘Vergeet u niet om het bonnetje te vragen na afloop?’, sluit Dijkstra het vraaggesprek af met een knipoog naar Pepers ‘bonnetjesaffaire’.
Een nieuwe toon voegt zich langzaam maar zeker bij de traditionele journalistieke geluiden op het Binnenhof. Guitig (zoals een carnavalsdansje met Kamerlid John Leerdam), humoristisch, gedurfd; soms ronduit brutaal of onbeschoft.
Programma’s als Triana (NPS), Het Binnenhof van Jaïr (Het Gesprek), CQC (Veronica), maar ook de Jakhalzen (DWDD), Rutger Castricum (GeenStijl), Sophie Hilbrand (BNN) en schrijver Peter Middendorp (De Pers) willen ‘iets anders’ laten zien uit Den Haag.
Wat, is niet altijd duidelijk. Als het maar afwijkt van de norm en liefst om te lachen is. Gevolg is dat politici niet altijd kunnen volstaan met commentaar op de zo geliefde ‘inhoud’, maar soms met de billen bloot moeten over privé, conflicten of trivia onder de Haagse kaasstolp – en een enkele keer gedwongen worden een serieus onderwerp anders aan te vliegen. Het is politici geraden hieraan mee te doen, zeker in verkiezingstijd.
‘Dit is toch een heel normale vraag’, drong Rutger Castricum aan bij toenmalig minister Ella Vogelaar, toen zij bleef weigeren in te gaan op de vraag of het inhuren van spindoctor Dig Istha al vruchten afwierp. Het onmachtige zwijgen hierop, genadeloos vastgelegd door de GeenStijl-camera (en eindeloos door verschillende media herhaald) kostte haar het ministerschap.
De voorlichter van Vogelaar zat vooral fout, oordeelt Ton Elias, oud-journalist en VVD-Kamerlid achteraf over de kwestie. ‘De overvalstrategie is niet nieuw. Als mediastrateeg oefende ik die tien jaar geleden al met mijn klanten om journalisten als Pieter Storms (Breekijzer, SBS, red.) van repliek te kunnen dienen.
De voorlichter had Vogelaar apart moeten nemen – nadat Castricum haar buiten haar gezichtsveld al belachelijk maakte – om drie opties voor te leggen: of we gaan weg, of je staat de verslaggever streng maar vastberaden te woord – dan had ze waarschijnlijk nog op haar post gezeten – of je maakt een grapje in de trant van: “Dig Istha is nog niet in dienst. Komt u maar terug als ik mijn training heb gehad”. Maar de voorlichter liet het allemaal gebeuren zonder in te grijpen en Vogelaar stond er daarna helemaal alleen voor.’
Werkt de komst van Castricum en consorten verfrissend op de mores in Den Haag? ‘Het beeld dat politici en Haagse journalisten onder één deken liggen’, zo analyseerde langjarig politiek verslaggever (en Nieuwspoort-voorzitter) Max van Weezel onlangs in een interview in Villamedia magazine (nr. 6, 2009), ‘klopt, het is de werkelijkheid’. De Nederlandse televisie zit volgens hem als het om politieke verslaggeving gaat in een ‘puberale fase’.
De bij Frans Bromet geschoolde GeenStijl-verslaggever Castricum moet er in ieder geval niet aan denken te horen bij de ‘horde’ Haagse journalisten die ‘allemaal dezelfde vragen’ stellen. ‘Daar ben ik te ongeduldig voor. Het lijkt me zo saai daar de hele dag rond te hangen. Ik ben altijd weer blij als ik er weg kan.’
Jakhals Erik Dijkstra, ziet zijn methode als toevoeging op de bestaande journalistiek. ‘Ik kan niet tippen aan de dossierkennis van Ferry Mingelen, die ook nog eens heel kernachtig kan duiden. Of Frits Wester, die als geen ander nieuws weet op te duiken. Maar ik kan wel een andere kant van de politiek laten zien, waarin vooral jongeren geïnteresseerd zijn.’
Dat Den Haag nog niet gewend is aan de nieuwe toon blijkt uit het verschil in reacties van politici op Castricums’ stijl. Waar voormalig mediaminister Ronald Plasterk vrij naturel – hooguit wat overdonderd – anticipeert op de omhelzing van Rutger Castricum toen hij Powned toeliet tot het publieke bestel, reageert Kamerlid Johan Remkes (VVD) verkrampt als hem tijdens het vragenuurtje in de wandelgang wordt gevraagd wat hij na de verkiezingen gaat doen. ‘Nu even niet’, zegt hij zichtbaar geïrriteerd voor de camera. ‘Ik ga naar de herdenking van Hans van Mierlo.’ ‘Van wie?’, roept Rutger hem sarrend na, terwijl een getergde Remkes het beeld uitloopt.
Dit soort beelden zijn schadelijk, zo weet iedere politicus of spindoctor. En dus houden voorlichters en coaches op het Binnenhof in hun mediatrainingen rekening met het effect dat een filmpje op GeenStijl kan hebben. ‘Zeker sinds het vertrek van Vogelaar’, weet Castricum. ‘Dat lijkt me ook vrij gezond’, constateert hij nuchter.
Maar het heeft geen effect op zijn werkwijze, waarvan de kracht in de improvisatie ligt. ‘Ik wil niet rellen om het rellen. Maar ik houd me gewoon niet krampachtig vast aan een vragenlijst. We bedenken op de redactie van GeenStijl globaal een idee en dan ga ik op pad. Zo goed als de politicus moet improviseren, moet ik dat ook. Vaak neem ik ook de voorlichter in beeld. Soms levert dat iets spannends op. Zo niet, dan gooien we het filmpje weg.’
Jakhals Dijkstra (DWDD) wil dat zijn items in ieder geval ‘humoristisch en begrijpelijk’ zijn. ‘De traditionele parlementaire journalisten vergeten soms de primaire vragen te stellen en zijn bang af te wijken van de platgetreden paden. Ik heb beelden gezien van Willibrord Frequin (destijds bij KRO Brandpunt, red.) die, met dat zuigende toontje van hem, op een persconferentie over de Lockheed-affaire in 1976 aan prins Bernhard vroeg: “En, heb je die steekpenningen nou aangenomen of niet?”. Of Frits Barend die in 1978 aan de Argentijnse generaal Videla vroeg: ‘Hoe zit het met die verdwenen mensen?’ Dat zijn dé vragen waar mensen antwoord op willen, maar ze worden te weinig gesteld. Ik bedoel, er is toch niks mooiers dan nu aan die Ratzinger te kunnen vragen: ‘Hee, hoe zit dat nou met het kindermisbruik in de kerk?’
Het mooiste vindt Dijkstra de items waarin humor en inhoud samenvallen. Zoals zijn vraag aan toenmalig minister Eimert van Middelkoop of het antwoord van het Kabinet op het rapport van de commissie Davids in het Irakees was opgesteld, omdat het zo lang duurde voordat het kwam.’ Maar soms werkt de tongue in cheek-methode niet, is hij de eerste om toe te geven. Als Maxime Verhagen in een interview continu antwoordt met de toevoeging ‘meneer de Jakhals’, ervaart hij dat als ‘denigrerend’ en wordt de angel uit het onderwerp gehaald. ‘Ik zeg toch ook niet steeds: “meneer de minister”.’
Elias – die in de jaren ’80 als journalistieke angry young man gold en bekend stond om zijn bijterige vraaggesprekken – noemt de aanpak van de Haagse nieuwlichters ‘hoepel-journalistiek’, waarbij de ondervraagde wordt gevraagd ‘een kunstje’ te doen in plaats van antwoord te geven op een inhoudelijke vraag. ‘Natuurlijk, ook deze mensen zijn toegelaten tot het huis van de democratie en dus gerechtigd hun vragen te stellen. De Kamer heeft dat aan allerlei regels gebonden. Iemand mag bijvoorbeeld niet met draaiende camera worden overvallen. Ik vind dat onzin. Die regels mogen van mij morgen worden afgeschaft.’ Anders krijg je juist krampachtige situaties, vindt Elias. ‘Zoals de overspannen ogende Kamervoorlichter (Jos Jochemsen, red.) die tussen de cameraploeg en Gerdi Verbeet ging staan met de mededeling dat zij zich niet aan de huisregels houden. Het leek werkelijk de Iraakse minister van Communicatie ten tijde van het regime van Saddam Hoessein wel. Onbegrijpelijk. Een Kamerlid moet zich altijd willen uitspreken.’
Elias weet niet of deze vorm van journalistiek veel toevoegt: ‘Dat betwijfel ik eerlijk gezegd.’
Ook Castricum is altijd op zoek naar ‘iets spannends of verrassends’, ‘iets dat net een andere werkelijkheid toont’. Is hij niet bang de Frequin van het Binnenhof te worden? ‘Nee, dat is echt een ander genre. Wij zijn zelfbevlekkender en relativerender.’ En het gevaar van een inflatoir effect? ‘Nee, wij haken gewoon aan op nieuwsfeiten. Die blijven zich altijd voordoen en onze eigen aanpak zal ook niet veranderen.’
Elias vindt dat vooral voorlichters ‘hun’ politici moeten leren om te gaan met light-berichtgeving uit De Haagse arena. Uit de school klappend over hoe hij als mediastrateeg zijn ‘klanten’ weerbaar maakte voor het journaille: ‘In 1991 trainde ik onderwijsminister Jo Ritzen, samen met de inmiddels overleden Feike Salverda. Na afloop schonk Feike een goed glas whisky en ik vertrok, zogenaamd. Toen Ritzen een uur en later en een paar glazen verder naar zijn auto liep stond ik hem daar op te wachten met een cameraploeg en een paar vragen die hij na de training goed had moeten weten te pareren. Maar hij ging erin, met boter en suiker. Die tape hebben we naar zijn huis gestuurd, in de hoop dat ook zijn vrouw zou kijken. Het was de ultieme les voor hem om altijd alert te zijn.’
foremus@villamedia.nl
——-


Praat mee