NVJ-voorzitter Folkert Jensma: ‘Draag in Gaza geen scherfvest met Press erop’
De wereld moet weten wat er in Gaza gebeurt, schrijft journalist en NVJ-voorzitter Folkert Jensma vandaag, op de Dag van de Persvrijheid, in een opiniestuk in Trouw. In geen enkel conflict werden ooit eerder zoveel mediamensen omgebracht.
In het souterrain van het NVJ-kantoor in Amsterdam hangen altijd leen-scherfvesten met het opschrift Press, met dito zware helmen op de plank erboven. Bestemd voor leden die verslag van een oorlog gaan doen.
Iedere keer als ik er langs loop tel ik m’n zegeningen. Ik kom er veilig (hybride) vergaderen, achter een laptop met camera. En voel diep respect voor collega’s die het conflict opzoeken en de wereld informeren als het erom spant. Zij laten zien hoe de macht dodelijk geweld gebruikt, waarom en tegen wie. Of dat binnen de afgesproken kaders blijft. Of er sprake van terreur of oorlogsmisdrijven is. Dat doen ze naar eer en geweten en zo onafhankelijk mogelijk.
Hoewel er niets zo moeilijk is om middenin een humanitaire catastrofe géén emotionele termen te gebruiken of politieke duiding te geven. In het vrije Nederland beoordeelt de burger gelukkig zelf wat hij ervan wil aannemen en wat niet. De journalist is daarbij een onontbeerlijk kanaal.
Op 3 mei, de Dag van de Persvrijheid, kan ik die scherfvesten aan de kapstok nauwelijks nog aankijken. Palestijnse collega’s die in Gaza zo’n vest dragen, maken zichzelf ermee tot schietschijf. Press op je kleding, je helm of je auto is voor het Israëlische leger een doelwit, een marker.
De scherfvesten van Palestijnse journalisten komen op hun lijkzakken terecht, als aanklacht. Helm ernaast. Wéér een dode collega – weer iemand minder met een camera, een laptop, een notitieblok. Juist dóór dat ‘Press’ konden ze op de korrel worden genomen, door Israël. Niet te geloven. In Amsterdam houden we de tel bij. Zo’n consequente moordaanslag op de journalistiek is in geen enkel conflict ooit eerder in deze omvang voorgekomen.
Nu is er in dit conflict meer uniek. Israël is in Gaza bezig aan een bewuste poging om een heel volk te vernietigen. Methodisch, door de infrastructuur te vernietigen, de bevolking te bombarderen, op te jagen en uit te hongeren. Maar ook door het gebied potdicht te houden voor journalisten van buiten – die staan aan de grens in beeld machteloos naar Gaza te wijzen. Zij kunnen de explosies alleen maar laten horen. We zijn dus totaal afhankelijk van Palestijnse journalisten ter plaatse. Maar hún telefoons zijn dus peilbakens voor geleide wapens geworden, hun ‘press’ borden en camera’s levensgevaarlijke herkenningstekens.
De gruwelijkheid van de genocide in Gaza, waarvan dit onderdeel is, valt inmiddels met geen pen meer te beschrijven. Er zijn nu bijna tweehonderd Palestijnse journalisten vermoord, veelal met opzet. Het is onvoorstelbaar dat dit anno 2025 gebeurt.
Organisaties van journalisten, waaronder die van ons, tekenen al geruime tijd fel protest aan. We waarschuwen voor de gevolgen. We dringen aan op herstel van humanitaire waarden, op respect voor de vrije pers. Maar resultaten zien we niet. En betekenisvol contact is er ook nauwelijks. Tegelijk weten we ook zeker dat er aan deze oorlog echt een einde moet komen. En dat Israël z’n campagne tegen de levens van journalisten, van hulpverleners en van burgers dient te staken.
Wij, journalisten in Nederland, vragen, nee eisen, veiligheid voor onze Palestijnse collega’s in Gaza, van alle betrokkenen. We vragen ook om toegang voor onszelf. Om hen zo te ondersteunen in hun werk, dat ook óns werk en dus onze plicht is. Om onze solidariteit te bewijzen, om hen te bedanken voor hun moed. Zij tonen ons wél het leed dat daar geleden wordt. Dat verhaal moet de wereld bereiken. Dit mag zo niet doorgaan.
Dit opiniestuk verscheen vandaag in Trouw.


Praat mee