banner printplaza 1

— woensdag 10 december 2008, 16:35 | 0 reacties, praat mee

Lunshoflezing: over populisme en incidenten

‘Zowel pers als parlement geven er bij tijd en wijle blijk van heel goed met incidenten om te kunnen gaan. Denk eens aan de berichtgeving en enquête over de IRT-affaire, denk eens aan de Bijlmerenquête, denk eens aan…
Maar… waarom moet het water ons steeds tot de lippen stijgen eer we zo’n hoogstandje uitvoeren? Waarom is dit niet dagelijkse praktijk? Laten we ons spiegelen aan het Amerikaanse congres waar onderzoeken en hoorzittingen aan de orde van de dag zijn.’ Dat betoogt Arthur Docters van Leeuwen in de eerste Kees Lunshoflezing, vernoemd naar de adjunct-hoofdredacteur en politiek commentator van De Telegraaf die vorig jaar november op 61-jarige leeftijd overleed.

Beste Kees, Excellentie, dames en heren,

1. Populisme
Op de een of de andere manier is populisme in. Het is een soort buzzwoord en het lijkt wel een globale trend te zijn, met in Zuid-Amerika linkspopulistische leiders, in Noord-Amerika overwegend rechts. En er is populisme in Europa. Ter rechterzijde (dat wisten we al) en ter linkerzijde (dat dringt nu tot ons door). Over de linkerzijde: ik was nogal getroffen door de puntige opmerking van de eminente Ralf Dahrendorf: ‘Angesichts dessen, was meist mit Globalisierung beschrieben wird, gibt es auch so etwas wie Linkspopulismus’. En er is ook populisme van het midden. Ralf Dahrendorf deelt daar New Labour net wel of net niet bij in. En bij ons hadden we Pim. Kenmerkend is dat er geen echte definitie van te geven is.

De schrijvers van Wikipedia maar ook Elchardus en Van Reybrouck noemen:
- afkeer van partijestablishment,
- ‘het volk’ op het voetstuk,
- de charismatische leider
- en het beroep op eenheid en vaderlandsliefde.

Overigens wijst Dahrendorf er mijns inziens terecht op dat de ‘grenzen vaag zijn’: ‘die Grenze zwischen beiden, Demokratie und Populismus, Wahlkampfdebatte und Demagogie, Diskussion und Verführung is nicht immer leicht zu ziehen’.

Maar als dat waar is, waarom zijn we er dan zo bang voor? Het hedendaagse populisme is half-parlementair, kent zijn ups, maar bepaald ook zijn downs; van Le Pen tot Berlusconi, van Pim tot Rita, zoals elke politieke stroming. Maar toch voelen we ons er niet echt prettig bij. Dat kan eigenlijk niet van dat – zo nu en dan, bepaald amateuristisch aandoende – populisme zelf komen. Wat zit er achter?

We zijn benauwd omdat ons bestel, en dan meer in het bijzonder het staatsbestel, wel eens zou kunnen wankelen. Dat zeggen we natuurlijk nooit, en we oefenen in het zo geloofwaardig en genuanceerd, maar toch krachtig uitspreken van woorden als democratische rechtstaat, burgerschap, participatie en integratie en we bezoeken trouw de party’s, in het jargon ‘haring party’s’ genoemd, waar wij elkaar keer op keer zien en in akelige opgewektheid op de kiek gezet worden door de vaderlandse hoffotograaf, het onvolprezen Stan Huygens Journaal.
Maar… wanneer het waas voor onze ogen – ontstaan door het felle licht van fotoshoot en persmoment – wegtrekt, zien we ‘de kloof’.


2. De Kloof
Ik vind het fenomeen dat we ‘kloof’ noemen vooralsnog veel interessanter dan het hedendaagse populisme, omdat ik denk dat het populisme voortkomt uit en gevoed wordt door datgene wat er op de bodem van ‘de kloof’ te vinden is. Bovendien komen uit die kloof ook andere fenomenen voort die ik veel gevaarlijker vind. Dus laten wij vooral de kloof eens onderzoeken. Welke ‘kloof’?
De kloof tussen kiezer en gekozene, maar algemener ook de kloof tussen de machtselite en de anderen.
Over de elite spreek ik voortaan als ik ons bedoel, dat wil zeggen degenen, bijna iedereen die hier zit dus, die dagelijks de maatschappelijke macht en in het bijzonder de publieke macht uitoefenen. Over het volk als ik degenen bedoel die af en toe eens, als ze in het stemhokje staan, maar zeker niet dagelijks, publieke macht uitoefenen.

Voorzover ik weet werd de kloof tussen kiezer en gekozene voor het eerst genoemd in een motie van Van Mierlo, begin jaren negentig, waarin geopperd werd om de kloof te dichten middels een commissie. De motie werd met algemene stemmen aangenomen; de commissie (i.c. de Commissie Deetman) kwam er, en daaronder hingen allemaal specifieke commissies die zich bijna allen kenmerkten door immobilisme. De Commissie De Koning was in mijn ogen het ergst. Die was namelijk tegen veranderingen in het kiesstelsel, omdat dat tot veranderingen kon leiden.
Aan dat immobilisme lag en ligt, de niet gangbare en dus veelal verzwegen, maar nog altijd niet minder bepalende opvatting ten grondslag, dat de kloof niet zou bestaan.

Ik persoonlijk meen dat de kloof wel degelijk bestaat. Het meest doorslaggevende vind ik het gegeven dat de tevredenheid van de Nederlandse burger almaar toeneemt; hij is tevreden met zichzelf, met zijn persoonlijk leven, wat niet al, maar zijn tevredenheid met ‘het Haagse’ neemt almaar af. Zie ook het Motivaction-onderzoek van half september jl.; slechts 37% van onze medeburgers is maar tevreden met de regering.

Ra ra, hoe kan dit?
Want dat persoonlijk geluk is voor een belangrijk gedeelte afhankelijk van de goederen en diensten die door de overheid worden geproduceerd. Neem alleen onze collectieve successen in de strijd tegen het water; u zult mij toch willen toegeven dat overstromingen zoals in New Orleans of Bangladesh niet bepaald bijdragen aan het persoonlijk welzijn. De lijst is uit te breiden tot een lofdicht. Die waren altijd nogal lang zoals u zich zult herinneren. En toch zijn hele grote aantallen mensen zeer ontevreden met hun regerende elite.
En ze zijn ook afkerig van de democratie: ook weer zo’n 30%, zie het onderzoek onder auspiciën van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling van vorig jaar. Ra, ra…

Soms is de kloof en het daarmee samenhangende populisme eenvoudig te verklaren. Immers als ik een arme proletariër was in Zuid-Amerika waar sinds de landing van de Spanjaarden de lakens uitgedeeld worden door een elite met een stenen hart, dan zou ik als lid van dat verdrukte volk ook wel de straat op gaan voor een president zoals Chavez nu en Peron (of zijn vrouw Evita) vroeger, die met groot showmanship de indruk weet te wekken dat hij of zij ‘met’ me is.
Daarentegen is de elite hier bezorgd, ja overbezorgd over het lot van de gewone, de kleine en zeker ook de arme man. Ook heb je hier geen aardbevingen, bloedige stammenstrijd, geen Colombiaanse of Joods-Palestijnse burgeroorlog, enzovoort.
Dat hebben wij allemaal niet, we zijn een van de rijkste landen ter wereld, waar bijna iedereen deel heeft aan de welvaart en er heel veel ontwikkelkansen zijn.

Logischerwijs zou dat moeten leiden tot een grote tevredenheid over degenen, die verantwoordelijk zijn voor de productie van al dit moois. Maar het omgekeerde lijkt eerder het geval.
Ik denk derhalve dat we de oorzaak van de kloof niet in het gebied van de ratio zullen vinden.

In het gebied van het willen kennelijk ook niet.
Want het is immers helemaal niet duidelijk wat de kiezer wil, vandaar onder andere die enorm toegenomen variëteit aan partijen. Ik denk dat de steile toenamecurve van kamervragen en spoeddebatjes en publicitaire proefballonnen zijn oorzaak vindt in het feit dat representanten in toenemende desperaatheid op zoek zijn naar degenen die ze zo graag zouden willen representeren.


3. De Poort van het Gevoel
Wij moeten dus vrezen dat de bron in de sfeer van het ‘voelen’ moet worden gezocht. Dat zou ons misschien wat minder verbazen als wij ons zouden realiseren dat wij inmiddels in de eeuw van het Voelen zijn aangeland. Grofweg was de negentiende eeuw immers de eeuw van de Verlichting, de Rede, die zich, zo hoopte men, na enige tijd ook zou uitstrekken tot de betrekkingen tussen mensen. Henriette Roland Holst schreef op de grens van de 19e en de 20e eeuw: ‘Redelijk willen stroomt over de aarde’.
En na de enorme wilsinspanning van de Eerste Wereldoorlog bleek de twintigste eeuw de eeuw van de Wil te zijn en niet meer van de Rede. Dat hebben we geweten. Weten we het nog? Hoort u het blaffen van de honden van de grootste oorlog aller tijden nog in de verte?

En nu het ‘Gevoel’. Wat is dat, het ‘gevoel’ van de 21e eeuw’? Het is kennelijk niet iets dat het beste tot zijn recht komt in stilte en eenzaamheid. Integendeel, het moet getoond worden in ostentatief gedrag, liefst voor een camera, met huilbuien, omhelzingen, stille tochten, luidruchtige begrafenisstoeten, duizenden knuffels, een overvol stadion waarin we samen, onder leiding van hogepriesteres Rachel, het afscheid doorleven van een volkszanger. Wij zien dus op heel veel plaatsen en tijden een extravert, theatraal, collectief streven naar beleving, het maakt niet uit van wat, samen vechten op leven en dood als hooligans, heavy metal, soms zelfs verstilling zoals bij het Prinsengrachtconcert.

Maar één ding is zeker: het gaat niet om de ratio. Zagen wij in de vorige eeuw diverse sprekers, van onze eigen Troelstra tot Clemenceaux, van Mussolini tot Churchill, via de uitdrukking van hun wil grote menigten tot begeestering brengen, nu gaat het om gevoel, overgebracht in stijl en vorm, van auto’s kopen (auto-emocion) via beurssentiment tot stille tochten.   

Om kort te gaan, dit mag dan voer voor massapsychologen zijn, als nederig amateur kan ik niet om de constatering heen dat heden ten dage het gevoel veel meer dan de ratio zal bepalen wat er in ons leven gebeurt, ook ons publieke leven.

Dat is een akelige boodschap voor het parlementaire stelsel en überhaupt voor stelsels, zoals overlegstelsels, die het van de ratio moeten hebben. Wij, de elite, hebben natuurlijk wel emoties, en zwijmelen net zo met de emotie-tijdgeest mee als de rest, maar in ons werk gaat het om taalconstructies, zoals wetten, bevoegdhedenstelsels, econometrische modellen en rechterlijke uitspraken.
Allemaal talige constructies, van woord- of mathematische taal of combinaties daarvan, die een ding gemeen hebben namelijk dat daaruit zoveel mogelijk emotie verbannen wordt.

Weliswaar verenigden wij ons politiek in de zuilen op overwegend niet rationele gronden zoals de religie of een ideaal, niettemin verkeerden we met elkaar op rationele gronden gericht op synchronisatie van ons aller welbegrepen eigenbelang. Zouden we als elite in dat machtsverkeer de emoties niet diep onderdrukken, dan zouden we in Nederland vermoedelijk nergens meer overeenstemming over bereiken en de natie zou zonder regering zijn. Wij, de elite, moeten dus wel zakelijk met elkaar omgaan.
Maar zullen wij – uitgaande van ‘onze’ zakelijkheid – ‘het volk’ wel bereiken? Voor hen begint alles immers met hun ‘gevoel’. Hun ratio is niet rechtstreeks meer te bereiken, maar alleen door ‘de Poort van het Gevoel’.


4. Wake Up Call
Voor zover het nog nodig mocht zijn een wake up call. We hebben helaas ook te maken met de overtreffende trap in casu; medeburgers die hun redelijkheid helemaal uitschakelen.
Een voorbeeld: meer dan 80% van de hulpverleners heeft met tegen hen gericht geweld te maken gehad. Een betere adstructie van mijn betoog is bijna niet te vinden. Wat is er nu irrationeler dan brandweerlieden, ambulancepersoneel, of je verpleegster of je dokter aan te vallen?

Wat hen precies beweegt weet ik ook niet, maar wel is duidelijk het dat het gaat om ongeremdheid en uitzinnigheid, om gevoelsuitingen waarbij de ratio is uitgeschakeld en de wil niet is ingezet om het gevoel te beteugelen. Dat is, schrijft Plato in de Politeia, wat wij mensen horen te doen. Ik ben het dan ook eens met Zijderveld en Kinneging in hun kritiek op de cultus van ‘Het Zelf’.

Immers, ik weet niet hoe het met u is, maar als ik in mijzelf kijk zie ik in de duisternis de vitale werking van zeker vier van de zeven hoofdzonden. Gelukkig heeft de uitwendige discipline, mij opgelegd in het gezin en op school, geleid tot een zekere inwendige discipline. Daardoor ben ik godzijdank niet mijzelf en val ik u ook niet lastig met mijn ‘natuurlijke’ neigingen en mijn ‘authentieke‘ gedrag.
We moeten dus helemaal niet onszelf zijn, maar een zodanige discipline nastreven dat we ons op zijn minst aanvaardbaar verhouden tot onze medemens. ‘Hij heeft een kort lontje’, zeggen de advocaat en de hulpverlener over hun cliënt die een hulpverlener aanviel in de hoop op strafvermindering. Waarom is dat ‘korte lontje’ niet strafverhogend? Betrokkene is immers ernstig tekort geschoten in het beoefenen van de maatschappelijk vereiste zelfdiscipline.

5. Het Incident als Scharnier
Maar over deze akelige vragen dachten we tot voor kort niet na want wij deden de duizenden gewelds- en bedreigingsincidenten die publieke dienstverleners de laatste jaren moeten ondergaan ‘af’ als een incident, dat wil zeggen dat de betrokken gebeurtenis geen reden was, en ook niet mocht zijn voor politiek relevante actie. ’Geen incidentenpolitiek’, verklaren wij, en we voelen ons daarbij standvastig.

Dat doen we immers heel makkelijk, we kijken zakelijk naar kwantiteit en kwaliteit, wensen en mogelijkheden en daarna trekken we een lijn, waarlangs we zakelijke overeenstemming kunnen bereiken en vasthouden, en die lijn noemen we beleid.
In dat beleid zit een beleidsdoelstelling en een beleidsmethodiek en – nog belangrijker – een veronderstelling over de werkelijkheid, anders gezegd: een veronderstelling over hoe de wereld in elkaar zit en zal veranderen tengevolge van de inzet van beleidsinstrumenten. Op afwijkingen in de echte werkelijkheid van de beleidsveronderstellingen reageren we liever niet, omdat ze de machtsovereenstemming in gevaar brengen.

De aanvallen op hulppersoneel passen niet in de ratio van de gangbare veronderstelling over de beleidswerkelijkheid. De beleidsveronderstelling over de werkelijkheid is, zo vermoed ik, in dit geval dat je diegenen die je zelf op een onverwacht moment, misschien wel over vijf minuten, nodig kan hebben, niet aanvalt. Al die aanvallen zijn met deze beleidsveronderstelling in strijd; zijn dus een incident, en krijgen derhalve geen beleidsambtelijke of politieke aandacht. Tot de kruik te lang te water is gegaan uiteraard.

U zag de kloof al eerder open gaan? Want de emotionalisten spreken en horen de taal van de rationalisten niet en omgekeerd.
Maar nu gaat de kloof pas wijd open! Hij scharniert op de beleving en behandeling van incidenten. Ten aanzien van de beleving: op een enkele mathematicus of jurist na wordt niemand in zijn ziel geroerd door emotieloze constructies van het denken, maar door het incident dat ons aangrijpt. Het is wel dat ene kind dat ons aankijkt vanuit een goederenwagon en het zijn niet de statistieken waar we van gruwen.
En nu in 2008 is het eens te meer zo. Ik spaar u de voorbeelden. Emoties worden geactiveerd door incidenten.
En wat doet de elite met die incidenten? Als het even kan niets, de machtsovereenstemming komt er door in gevaar en de emoties die een incident oproept tasten het rationele machtsverkeer aan. ‘Geen incidentenpolitiek’, daarover zijn ‘we’ het hartgrondig eens.


6. Het Grote Ongenoegen
De prijs die we betalen voor het ons afwenden, ja zelfs negeren, van incidenten die het volk beroeren, is de versterking van het grote ongenoegen, de ‘bad feelings’ die onder het volk leven jegens de maatschappij in het algemeen, maar jegens de machtselite in het bijzonder.

Voordat we gaan zwelgen in de opvatting dat het allemaal aan ons te wijten is: die mening ben ik in ieder geval niet toegedaan. Het lijkt me veel te veel eer om al die slechte gevoelens aan onze overheden toe te rekenen. Ik vrees dat er in onze bevolking een grote groep mensen leeft die als het ware behoefte heeft aan dat gevoel van teleurstelling, in de steek gelaten zijn, achterstelling en haat en angst.

Ik doe maar een gok, het kon wel eens vererfd zijn van het gevoel dat Marx al beschreef als vervreemding, en ik vermoed dat ook hetgeen ik elders beschreef als ‘ondraaglijk pluralisme’ het nu mede veroorzaakt. Maar door het duister kan ik niet heen zien en ik voel mij daarbij in goed gezelschap van David van Reybrouck, die de term ‘Duister Populisme’ introduceert. Hij haalt trouwens met instemming Karel de Gucht aan, die populisme ziet als ‘een formule die werkt voor iedereen die bang, kwaad of misnoegd is’.


7. Drie Bronnen
Maar wel weet ik dat dit cynisch maatschappelijke, anti-elitaire gevoel, als het latent is kan worden geactiveerd, en als het al in het bewuste aanwezig is kan worden versterkt door incidenten, meer in het bijzonder incidenten die met de publieke zaak te maken hebben.

Ik meen drie bronnen van dit soort activerende en intensiverende incidenten te kunnen onderscheiden:
- de interactie tussen overheidsorganen en burgers, vooral in een cliëntrelatie,
- de interactie tussen overheidsorganen onderling,
- en uiteraard de manier waarop politici en pers met incidenten omgaan.

Niet zonder reden staat als eerste bron genoemd ‘de incidenten die voortkomen uit de interactie tussen publiek en overheidsorganen’. Zelfs kleine incidenten roepen al aanzienlijke hevigheid op. Ik weet niet of uw taalgebruik nog rationeel en verdraagzaam is als u bij een gemeentekantoor komt om iets op te halen. Jawel, precies op de opgegeven tijd. Jawel, het ging om iets dat de gemeente op zichzelf best per post had kunnen zenden, maar alla… En dan blijkt het loket gesloten te zijn. Licht verhitte navraag bij een sudokuende portier levert zowaar een antwoord op: ‘Ze hebben geloof ik een heidag’. Toch ziet u nog wel twee ietwat Westfries ogende meisjes achter de lokettenrij druk met elkaar in gesprek… Ik weet heel goed wat er dan in mij omgaat. Laat ik maar zeggen dat mijn gedachtegoed opeens erg populistisch wordt. En ik daag u uit om nu openlijk te beweren dat die reflex bij u niet optreedt. Ook niet bijvoorbeeld als u ziet dat uw fiets gestolen wordt, en de surveillerende agenten niet achter de nog zichtbare gauwdieven aangaan, maar u uitnodigen de volgende week aangifte te komen doen.

En als u nog steeds de sereniteit zelve bent, nodig ik u uit eens het jaarverslag 2007 van de Ombudsman door te bladeren en bij u zelf de populistische emotietest te doen. Diezelfde Ombudsman ordent dit soort klachten op drie assen: persoonlijke benadering waar deze wel in de rede had gelegen, ontbrekende behoorlijkheid en participatie waar die verwacht had kunnen worden.

De Tweede Kamer reageerde dit keer niet positief. Het ging immers om incidenten en in vele domeinen ging het toch wat beter? Ja inderdaad. Het aantal beroepen en bezwaarschriften bij de belastingdienst betreft maar twee procent. De Ombudsman wijst er echter terecht op dat het dan nog steeds om duizenden en duizenden bezwaren en beroepen gaat.

In het gedrag van de Belastingdienst, maar ook van nog al wat instanties die sociale wetten uitvoeren, ja zelfs bij instellingen die fysieke zorg uitoefenen, zit vaak iets vijandigs, met als trefwoord onbeschoftheid, maar ook wreedheid komt voor.
Actief, jegens weerloze patiënten bijvoorbeeld, maar ook passief.

Als passieve wreedheid kwalificeer ik het voorbeeld van twee agenten die buiten blijven wachten op versterking die almaar niet komt, omdat ze niet naar binnen durven of mogen gaan om een eind te maken aan een marteling. De kreten van stervenspijn galmen door de straat tot het slachtoffer eindelijk dood is. Nog afgezien van het feit dat ik mij opeens niet meer kan herinneren wanneer ook weer de laatste politieman wegens heldenmoed geëerd is, vraag ik u: wat zou uw reactie zijn, als u familie was? Hoe zou dit uw gevoelens jegens de publieke zaak beïnvloeden? En zouden die gevoelens verzacht worden als u te horen kreeg: “Het waren er maar twee, twee van de 50.000 politiemensen, die allemaal waken opdat u gerust kunt zijn.”

Toch is dat wat wij blijven doen. Bij elk incident verklaren we: ‘Er gaat ook heel veel goed’, of ‘We moeten geen incidentenpolitiek bedrijven’. Terwijl ik dit schrijf hoor ik een hele typerende opstijgen uit de Korpschef van Midden Holland naar aanleiding van de Goudse incidenten. Houdt u vast: ‘Ik heb het gehad met politici die van iets kleins iets groots maken’.
Is bespuwd worden klein?Is aangerand worden klein? Is bedreigd worden klein?

Een goede pleiter moet weten wanneer hij moet stoppen. Voor wat betreft de relatie tussen de ‘kloof’, ‘populisme’, ‘het gevoel’ en ‘incidenten’ volsta ik daarom met de vraag: zou het uitmaken als wij te maken hadden met overheidsorganen waarvan de dienaren zich consequent behoorlijk gedragen, persoonlijk contact zoeken waar nodig, en participatie accommoderen waar aangewezen? Mag ik daaraan iets persoonlijks toevoegen: zou het wat uitmaken als ze ook beleefd waren? Overheidsorganen bovendien waarvan de leiding incidenten nooit, maar dan ook nooit minachtend af zou doen, maar ze altijd uitzochten en daarover altijd terug rapporteerden naar de door het incident getroffen burgers?

Ik vraag trouwens niet aan u of dit de oplossing zou zijn. Ik vroeg alleen of het wat uit zou maken.

Sta mij toe nu over te gaan naar de tweede bron van ongenoegen, gebreken in de interactie tussen overheidsorganen. Veel van de verhalen die we allemaal kennen en die bij ons allen dezelfde hevige en primitieve reacties oproepen komen hier uit voort. Wee de ingezetene die iets nodig heeft van meer dan een instantie. Of het nu vergunningen zijn of zorg. Degene die voor een aangelegenheid meer dan een instantie nodig heeft, stuitert al gauw van het ene kastje naar de andere muur, niemand die er het fijne van weet, en regelmatig ontstaan ten hemel schreiende situaties. En nu komt het merkwaardige: de aandacht die wij, de elite dus aan dit soort problemen schenken is minder dan minimaal. De wijzer beweegt niet bepaald ver van het nulpunt.

Ik weet van een paar hoopvolle initiatieven. Ik wil bepaald wijzen op het positieve werk van de Kafka-brigade die juist dit soort meervoudige knopen met engelengeduld ontwart.
Het reilen en zeilen van dit enthousiaste clubje jeugdige bestuurskundigen volgend en hun rapportages lezend valt mij vooral op de bijna afwezige ‘elitaire’ aandacht die dit soort ongelukken krijgt. Bij BZK nauwelijks, bij ACTAL niet, bij de beide Kamers van ons parlement niet, en ook niet bij de Secretarissen-Generaal. Zij publiceerden een rapport ‘De verkokering voorbij’, maar over dit soort problemen lees ik niets. En dat doe ik ook niet in de kabinetsnota die dezelfde naam draagt. Ook daar vind ik niets over samenwerking met het gezicht naar de burger. Uit een recent proefschrift geheten ’Bestuurders zijn van betekenis’ blijkt ook dat de oplossing van deze problemen in ieder geval niet in de top van de motieven voor samenwerking voorkomen. Het gaat vooral om schaalvergroting en efficiëntie, strategische partnervorming en dergelijke. Allemaal prachtmotieven maar het gaat niet over de burger die beklemd zit tussen het kastje en de muur.

Jammer is het wel, want wie ervaring heeft met samenwerken weet hoe moeilijk het is. In dit bestek kan ik niet uitvoerig zijn.
Heel fundamenteel is dat er voor zover mij bekend niet een overheidsinstelling is ontworpen met het oog op samenwerking. Ze zijn allemaal ontworpen of ze op hun eentje door de wereld moeten.

Ik vrees dat aan dit nare probleem een akelige wetmatigheid ten grondslag ligt. Stel immers dat een politicus door doelgerichte inzet van zijn apparaat een succes kan boeken, een succes dat hem en hem alleen zal worden toegerekend. Stel vervolgens dat hij bij een andere inzet van zijn apparaat ook succes kan boeken, maar dat succes dan zal moeten delen met een ander. Laten we realistisch zijn en aannemen, dat dat geen partijgenoot zal zijn. Denkt u dan dat de politicus in de regel zal of zelfs kan besluiten om voor het gedeelde succes te kiezen? Ziedaar.
Maar de machteloze burger is het haasje, en voelt zich terecht in de pan gedaan.


8.  De pers hoort bij ‘Ons’
Dan kom ik nu aan bij de laatste halte: het politiek-publicitaire complex. Beleefdheidshalve begin ik bij de pers. We zijn hier in Nieuwspoort nietwaar, en dit is de ‘Kees Lunshof’-lezing.
Eerst een enkel woord over Kees zelf. Ik moet u iets bekennen: temidden van de velen, die zich uit allerlei ‘Haagse’ hoeken en gaten manifesteren als ‘Vriend van Kees’, steek ik schril af. Ik was geen vriend van Kees. Daarvoor zag ik hem te weinig, maar ik vond hem bovendien nog al eens lijden onder een sterk parti-pris ten opzichte van personen; hij hield ook wel van een relletje en hij sloeg soms de plank met daverend geweld mis. Maar het was een aimabel mens, met wie ik tot tranen toe gelachen heb; het was een groot journalistiek vakman en een aanzienlijk democraat. Ik eer deze aanzienlijkheid met genoegen door hier te staan. Een applausje voor hem – niet voor mij – misstaat mijns inziens niet.

Maar ik moet door. U zou, zo vermoed ik, zich tekort gedaan voelen als u als leden van de pers niet ook een veeg uit de pan kreeg. Evenwel, in tegenstelling tot wat u van mij wellicht verwacht zou hebben is het maar een kleine veeg. Immers, de pers is van de publieke organen nog het meest gevoelig voor de gevoelens van de niet-elite, het volk en dus ook voor ‘het gevoel’. Ze moeten ook wel, omdat er anders niemand zou betalen of kijken. Zij zijn, net als verkopers van hagelslag en maandverband, vertrouwd met het feit dat je het volk, ook in zijn publieke en politieke dimensie, alleen nog maar kunt bereiken door de ‘Poort van het Gevoel’. De tv- en dagbladpers bestaat derhalve bij de gratie van incidenten.

So far, so good. Daarna wordt het verhaal wat somber. Ik werk af en toe aan een mechanistische theorie over de media, bruikbaar voor eenieder die de pers wil ‘manipuleren’. Een enkele greep eruit.

Fase een is uiteraard: ‘Hoe krijgen we de vlam in de pan’. Een recept daarvoor dat ik kreeg van een Belgische collega luidt: Vind als spindoctor iemand die wil zeggen dat iemand anders in opspraak is. Verwijs de pers ‘een beetje ‘hush hush’ naar die doodsvijand. ‘Bevestig noch ontken’ vervolgens de berichtgeving.

De rest is een ‘piece of cake’. Maak immers vervolgens gebruik van het Meute-effect: ’Wat nieuws is voor een, is nieuws voor allen’. Sluit aan met het Tricoteuse-efect: ’Onthoofdingen leveren mooi rood bloed op’; een en ander uiteraard begeleid door het Horroreffect; het Aansmeer- en het ‘Don’t Kill the Story’-effect. Sluit af (voorlopig) met het Rockwell- of UFO-effect: ‘Daar is het laatste woord nog niet over gezegd’.
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) noemt dit medialogica.
Uit de enquête van Sara Berkeljon blijkt dat de helft van de geënquêteerde hoofdredacteuren toegeeft te zwichten onder politieke druk.
Ik bedoel maar.

Maar misschien is het geen toeval dat ik juist vandaag een compliment moet uitdelen aan de Telegraaf, als linkse liberaal had ik niet gedroomd dat ooit te zullen doen, voor de wijze waarop dat blad omgaat met de Goudse incidenten. Volks uiteraard, maar feitelijk en vasthoudend, en goddank niet opstijgend naar de emotieloze beleidstalen van politiek en academici.

Wel ben ik van mening dat de pers meer zou moeten doen om zich te ontworstelen aan het odium van manipuleerbaarheid. Treurig is het te zien dat onderzoeksjournalistiek als te duur en, nog erger, als onnodig wordt beschouwd. Beseft u wel dat u daarmee uw eerstgeboorterecht verkwanselt? Het eerstgeboorterecht van het zijn van de representant van de vrijheid van de burger. De burger die niet deel heeft aan de dagelijkse machtsuitoefening maar wel zijn mening kan uiten. Die tegenmacht werkt alleen als die mening onafhankelijk van de machthebbers tot stand komt, dus gefundeerd op eigen waarheidsvinding en oordeelsvorming. Van dat ideaal bent u ver af geraakt, we spreken allen als een feit des levens over het politiek-publicitaire complex.

Voor ‘het gevoel’ betekent het dat het volk u ziet als ‘een pot nat’, perfect gerepresenteerd in Pauw en Witteman waarin bekende publieke Nederlanders voor de camera’s gezellig chatten met de topdogs van het journaille.
Is het zo goed, leden van Nieuwspoort?
Dan gaan we nu door naar het slotdeel.

9. De Golem
Ik wil geen afscheid van u nemen zonder nog even wat extra licht te werpen op een nieuw fenomeen: de emotionele antiburger.
We kenden al de ideologische antiburger, die in naam van de zuivere waarheid veel vrouwen en kinderen doodt. En we hadden natuurlijk altijd al de ‘penoze burger’ Daar is het heel goed mee gegaan.

Aan deze twee verschijningsvormen is een derde toegevoegd: de emotionele antiburger, die ik ook wel strijdburger zou willen dopen. Hij is immers de zuiverste uitdrukking van Hobbes’ strijd van allen tegen allen. Hebben de eerste twee categorieën nog een motief, ideologisch of commercieel, en bovendien een belang dat enige publieke ordening vereist; de nieuwe variant stort zich blindelings op een ieder die ordening, discipline, vooral de publieke discipline, met enige kracht representeert.

De legende vermeldt dat de Golem alleen beheerst kon worden door de naam van God of het hebreeuwse woord voor Waarheid op zijn voorhoofd te plakken. Dat is er kennelijk niet van gekomen want deze Golem valt zonder rationeel motief de Leviathan aan. De Leviathan is het door Thomas Hobbes geïntroduceerde symbool van de Staat die, met instemming van bijna allen, de strijd van allen tegen allen onderdrukt. Het is de discipline die van de Leviathan uitgaat die de Golem tot vernietigende razernij brengt.
Ziedaar de ultieme uitkomst van het anti-institutionele subjectivisme. De rede komt van God, zei de heilige Thomas. Deze Golem is goddeloos en ‘Wees Jezelf’ is zijn strijdkreet.

We zien hem overal, bijvoorbeeld studenten die even een wachthuisje – of elkaar – ‘verbouwen’; we zien onze Marokkaanse lieverdjes die kennelijk niet kunnen onthouden dat een messteek dodelijk is, ook als je elkaar steekt. We zagen al de min of meer gezeten Nederlanders die brandweerlieden, ambulancepersoneel, belastingambtenaren en wie eigenlijk niet, intimideren en gewelddadig tegemoet treden.

En we zien ook nog iets ergers, we zien overal ter wereld, tot in Nieuw Zeeland aan toe, dat deze Golems zich verenigen in gangs. Lees alstublieft het vreselijke boek van Ross Kemp hierover. Het is al vernietiging, verkrachting, slavernij, moord en onderdrukking wat de klok slaat.
De geschiedenis leert ons daarenboven, dat populisme op zichzelf niet zo gevaarlijk is, maar bijna onoverwinnelijk wordt als het zich verenigt met dit soort gangs, zoals Mussolini deed met de Fascio di Combattimento.

Het telt allemaal wel op, nietwaar dames en heren? Geen wonder dat Hobbes’ Leviathan een beetje bij de pakken neer lijkt te zitten.


10. Voorwaarts
Wat kunnen we doen? Ik zou zeggen: altijd beginnen met doen wat voor de hand ligt. In de eerste plaats moeten wij ons allen realiseren dat het verkeer tussen elite en volk net als alle andere communicatie in de eerste plaats bepaald wordt door gevoelens. De ratio is pas bereikbaar door de ‘Poort van het Gevoel’.
Die erkenning maakt ruimte voor hernieuwde politieke aandacht voor het incident, omdat het incident bij uitstek gevoelens oproept, maar de juiste behandeling ervan gevoelens ook kanaliseert.

U realiseert zich dat misschien niet, maar zowel pers als parlement geven er bij tijd en wijle blijk van heel goed met incidenten om te kunnen gaan. Denk eens aan de berichtgeving en enquête over de IRT-affaire, denk eens aan de Bijlmerenquête, denk eens aan…
Maar… waarom moet het water ons steeds tot de lippen stijgen eer we zo’n hoogstandje uitvoeren? Waarom is dit niet dagelijkse praktijk? Laten we ons spiegelen aan het Amerikaanse congres waar onderzoeken en hoorzittingen aan de orde van de dag zijn.
Heel praktisch: waarom heeft de Tweede Kamer wel een toch weer beleidsachtig debat gehouden over de Goudse incidenten, maar niet die Goudse korpschef gehoord, en ook niet zijn opperbaas,die de Kamer nog wel”voor de laatste maal waarschuwde”, en de hoofdofficier niet en de burgemeester niet en de Commissaris der Koningin ook al niet, etc.
Als u dat wel gedaan had, als u wel concreet onderzocht had in hoeverre de verantwoordelijken (van buschauffeur tot korpschef en verder) hun verantwoordelijkheden op een maatschappelijk verantwoorde wijze hebben gerealiseerd, ja dan… Ja dan zou men in Midden-Nederland, ja zelfs Holland, ja zelfs Nederland het gevoel hebben kunnen krijgen dat dit incident u heeft geraakt, en dat u bereid was uw stilerende en daardoor kanaliserende werk te doen. Ik roep u, journalist en politicus, op om voortaan dit soort kansen niet te missen.

We scheiden met zicht op een vergezicht.
Kinneging roept ons in herinnering dat we leven van uit drie soorten waarden, economische, esthetische en vitalistische. Vroeger zag je ook de vitalistische waarden terug in het publieke leven. Iedere stroming maakte er gebruik van; van de Katholieke Actie tot en met de Jonge Zionisten. Vlaggen, optochten, liederen, manifestaties waren veelgebruikte middelen om tot warme eenheid, solidariteit, ‘er bij horen’ en enthousiasme te komen. Het misbruik dat door Mussolini en zijn navolgers van het inzetten van dit vitalisme is gemaakt, heeft het vitalisme voor de hedendaagse Westerse politiek tot een taboe gemaakt. We hebben het verbannen naar de sport, en we kijken met miljarden – ik ook – ademloos naar de vitalistische demonstraties bij de opening van de Olympische Spelen in China.

We hebben deze ‘warme’ waarden uitgesloten van ons publiek bedrijf en doen het nu met de ‘koude’ calculaties van de ‘homo economicus’ en de ‘getemperde’ overpeinzingen van de ethicus. Geen wonder dat de stadions van de sport uitpuilen en dat de arena van de democratie veel lege plaatsen telt.

Ik volsta er mee u deze gedachte mee te geven voor onder de kerstboom, en sluit af met mijn oprechte dank voor uw aandacht.

Dag Kees,
Dank U wel.


A.W.H. Docters van Leeuwen
Den Haag, 10 december 2008

Dit is de eerste beschouwing die ik schreef als senior research fellow bij de NSOB (Nederlandse School voor Openbaar Bestuur).
Ik dank prof. Paul Frissen, Gert Jan Verhoog en mr. drs. Jurriaan Simonis voor hun opmerkingen, en Ria Meinema voor het redactiewerk.
R. Dahrendorf, Acht Anmerkungen zum Populismus. Eurozine, 18 september 2007.
M. Elchardus, De Dramademocratie. Terra-Lannoo, 2003.
D. van Reybrouck, Pleidooi voor populisme. Em. Querido’s Uitgeverij BV, 2008.
Vormen van Democratie. RMO, Advies 42, 2007.
A. Zijderveld, The Institutional Imperative. Amsterdam University Press, 2000.
A. Kinneging, Geografie van goed en kwaad. Uitgeverij Het Spectrum, 2006.
E. Kaats & W. Opheij, Bestuurders zijn van betekenis. Reed Business, 2008.
Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek. RMO, Advies 26, 2003.

Uit: M. Prenger (red.), Een selectieve blik. Zelfcensuur in de Nederlandse journalistiek. Spinhuis, 2007.
Thomas Hobbes, Leviathan, or The Matter, Forme & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill. 1651.
Ross Kemp, Gangs. Penguin, 2007.
Anthony L. Cardoza, Benito Mussolini, The First Fascist. Longman Publishing Group, 2005.

Bekijk meer van

Praat mee

banner loopbaanontwikkeling NVJ

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.