— donderdag 7 mei 2009, 11:00 | 0 reacties, praat mee

Het verhaal vertellen, koste wat het kost

Er is een populaire grap in Birma. Hij bestaat in verschillende varianten, maar ik hoorde hem als volgt. Een Birmees met een ontstoken kies reist naar India om wat aan de pijn te laten doen. Maar jullie hebben toch ook tandartsen? vraagt de tandarts. Jawel, zegt de Birmees, maar wij kunnen onze mond niet open doen.

Ik hoorde de grap van de populaire Birmese komiek Zarganar. Hij had de slachtoffers van de cycloon Nargis die het land een jaar geleden trof geholpen en sprak daar openlijk met journalisten over. Toen ik hem ontmoette stond hij aan een van zijn twee mobiele telefoon voortdurend de media te woord. “Als de waarheid de autoriteiten niet bevalt, sluiten ze me maar weer op,’ zei hij. Dat is precies wat er gebeurde. Hij kreeg 35 jaar.

Zarganar maakt deel uit van een bont gezelschap van artiesten, schrijvers, journalisten en dissidenten. Het is dankzij mensen als zij dat wij buitenlandse journalisten ons werk in Birma en talloze andere landen kunnen doen. Ondanks alle gevaren willen ze praten, ze helpen met vertalingen, contacten, met suggesties voor verhalen. Anders dan wij ontberen ze vrijwel altijd de bescherming van een buitenlands paspoort, een ticket, verzekering en andere vormen van veiligheid.

De meesten van hen maken niet veel ophef over hun onmisbaarheid. Daarom wil ik dat hier wel doen. Over Birma kan ik het helaas in detail niet hebben. Het zou degenen die nog op vrije voet zijn meer kwaad dan goed doen. Daarom het verhaal over een collega in Irak, een verhaal dat symbool staat voor al zijn collega’s in andere landen.

Het was maart 2008 en ik wilde toch weer naar Bagdad. De voorbereidingen hadden een bekende routine. Ik pakte mijn zwarte abaya en Iraakse zonnebril in. Onzichtbaar was beter dan bulletproof. Ook de envelop die ik het kidnappakketje noemde ging mee: foto’s van mijn nichtjes en neefje voor het menselijke element met mijn eventuele ontvoerders en Engelstalige artikelen die duidelijk maakten dat ik journalist was. Zelfs de lichte zenuwpijn in mijn maag voelde vertrouwd. Ik wist ook dat die over zou zijn zodra ik in het vliegtuig stapte. Een beetje somber bekeek ik mijn adressenboek. De meeste Irakezen die ik de afgelopen vijf jaar had leren kennen waren gevlucht, sommigen waren zelfs dood.  Degenen er nog wel waren, liepen grote risico’s als ze met de pers spraken. Eerlijke getuigenissen over de gewelddadige, wetteloze chaos waarin Bagdad was ontaard, werden door geen van de strijdende partijen op prijs gesteld.

Zoals een jonge vrouwelijke arts die dag en nacht slachtoffers van het geweld opereerde. Ze was zo druk dat ze met haar man en baby in het ziekenhuis was gaan wonen. Toen ik haar net na de val van Bagdad in 2003 ontmoette, gaf ze me een rondleiding door het ziekenhuis. Ook daarna sprak ik haar nog vaak. Nu liet ze me weten dat het te gevaarlijk voor haar was. En een musicus die vroeger geen angst leek te kennen, schrok zo van mijn vraag of ik hem kon spreken dat hij “I have seen too many corpses” riep, en vervolgens op hing. Maar ik wist ook dat het wel zou lukken met mijn reis. Wat van veraf vaak onmogelijk en levensgevaarlijk lijkt, blijkt van dichtbij vrijwel altijd een lastige doch werkbare situatie met genoeg mogelijkheden voor verhalen. Bovendien zou Ghaith Abdul Ahad er zijn. Abdul Ahad was Iraakse journalist aan wie velen van ons niet alleen onze beste verhalen of ideeën voor verhalen dankten,  maar ook een fikse dosis inspiratie.

Nog maar nauwelijks was ik aangekomen of hij stond voor mijn deur. Een glas whisky als welkomstdrankje in zijn hand. Vanaf het balkon keken we naar de stoffige donkere stad. Elektriciteit was vijf jaar na de val van het bewind nog altijd een schaars goed. Over de straat denderden Amerikaanse pantserwagens. “We zijn nog steeds een bezet land,” zei hij. Er klonk pijn in zijn stem en probeerde me voor te stellen hoe ik me zou voelen als eenzelfde tafereel zich zou afspelen in de straten van mijn dierbare Amsterdam en als ik daarvan verslag zou moeten doen.

Aan de vooravond van de oorlog was Abdul Ahad zoals hij in een van zijn eerste artikelen schreef “s werelds slechtst betaalde architect, die lelijk werk maakte voor lelijke mensen die geld genoeg hadden om lelijke huizen te bouwen.” Hij was na zijn registratie voor de dienstplicht weggebleven, waardoor hij formeel gezien illegaal geworden was. Hij leefde op valse papieren en wisselde zes jaar lang regelmatig van adres. Een clandestien bestaan dat alleen maar mogelijk was omdat het regime eind jaren negentig van binnenuit aan het afbrokkelen was, al was dat te langzaam om de moed er in te houden.

Toen vielen in maart 2003 de eerste bommen op Bagdad. Zodra het standbeeld van Saddam van zijn sokkel was getrokken, begaf hij zich door de chaotische straten. Hij liep tien kilometer om bij de BBC te komen. Hij wilde het team bedanken omdat de radiozender jarenlang zijn verbinding met de buitenwereld was geweest. Hij blufte zich langs Amerikaanse controleposten door zich voor te doen als een Britse journalist wiens papieren door de Iraakse politie waren geconfisqueerd. Zijn optreden was voldoende zelfverzekerd en zijn Engels accentloos genoeg om dat geloofwaardig te maken. Toen bij de BBC niemand tijd voor hem bleek te hebben, besloot hij koers te zetten naar het presidentiele paleis van Saddam. Hij wilde met eigen ogen zien wat zich afspeelde in het oog van de storm. Hij vergaapte zich aan het interieur dat hem deed denken aan een Gotische kerk waarin Saddam de almachtige God was geweest. Onderweg naar het hoofdkwartier van de mukhabarat, de Iraakse geheime dienst, raakte hij aan de praat met een journalist van the Guardian. Die nam hem nog diezelfde dag in dienst. Hij en zijn collega’s werden de leermeesters van Abdul-Ahad. Al snel werkte hij fulltime als fotograaf en journalist. “The intoxication you get from reporting the truth after so many decades of lies is indiscribable,” schreef hij in the Guardian. Inmiddels is hij verbonden aan het fotoagentschap Getty Images en zijn werk verschijnt regelmatig in the Guardian, the New York Times, the LA Times, Stern en diverse andere internationale bladen. Zijn geschreven reportages worden gepubliceerd in the Guardian en the Washington Post en op talloze websites wordt er aan gerefereerd. Faam met een serie met dode en gewonde burgers in het centrum van Bagdad, die getroffen zijn door een Amerikaanse raketaanval vanuit een helikopter. Die reportage ging de wereld over, maar Abdul-Ahads gevoelens waren beladen en ambivalent. “Alle mensen met wie ik mijn schuilplaats deelde, zijn dood. “Die gedachte zal me altijd achtervolgen.” 

Zijn wereld is sinds de val van regime groter geworden en daar geniet hij van.

Maar zo simpel is uitvoeren van nieuwe plannen niet. Want altijd is er toch ook weer Irak. Niet voor niets gebruikt hij het woord verstoppen als hij refereert aan zijn regelmatige bezoeken aan Londen. Zoals die avond laat in september 2005 toen hij uit gewoonte de nieuwsberichten over zijn land nakeek. Ongelovig staarde hij naar het bericht dat zijn collega en vriend Fakher dood gevonden was met een kogelgat in zijn hoofd, met gebonden handen en een zak over zijn hoofd. Of zoals die keer dat hij op tv een voet zag die uit de laadbak van een politiewagen stak. Het was zijn oude schoolvriend Alan die als tolk voor de Amerikaanse journaliste Jill Carroll werkte. Hij werd vermoord toen zij in januari 2006 werd ontvoerd. Ruim veertig Iraakse journalisten kwamen sinds het begin van de oorlog om.

Maar onbevreesd was Abdul-Ahad allerminst. Hij praatte zonder gene over zijn angst. Hoe die zich als een virus in zijn lichaam nestelde en overal pijn veroorzaakte al, dagen voor zijn vertrek.  Om de paniek te bezweren nam hij tot in detail zijn trip door, als een toneelspeler die een generale repetitie houdt. “Veiligheid bestaat niet. Journalisten worden door iedereen bedreigd. Door de Amerikanen, de opstandelingen, de milities, de politie en de overheid. Uiteindelijk word je gedood,” zei hij.

Waar lag voor hem de grens? Hij wist het antwoord niet. “De grootste pressie om toch weer te gaan komt hiervandaan.” Hij sloeg met zijn hand op de krant en lichtte toe: “Een bericht over Irak op de voorpagina zien staan en denken: nee zo zit het niet, dat is het verhaal niet.” En dus reisde hij gedreven door een mengeling van schuld, verantwoordelijkheid en ambitie vroeger of later toch weer af naar Irak. Ook al voelde dat elke keer als een groter risico, als een nog verder tarten van het lot. Op de tafel voor ons lag een salami. Hij lachte kort en haalde de woorden van een collega aan: “Geluk is als een salami. Je snijdt er elke keer een plakje af.”     

We besloten die avond de salami niet helemaal op te eten.

In mijn ogen houdt Abdul Ahad een journalistiek principe hoog in de traditie van Kapuscinski, de wijlen Poolse journalist. In zijn boek Another Day of Life vertelt hij hoe hij in de zomer van 1975 een telefoontje van zijn redacteur kreeg met de vraag of hij het laatste vliegtuig naar Angola waar een burgeroorlog dreigde, wilde nemen. In een dergelijke situatie zeg ik altijd ja, zo redeneerde Kapuscinksi.

Ook hij voelde die onweerstaanbare drang om getuige te zijn van de geschiedenis en daar zo goed mogelijk over te vertellen. Misschien was Abdul Ahads gedrevenheid des te groter omdat hij onder een dictatuur jaren leugens had moeten slikken. Maar hoe zit dat eigenlijk met ons, journalisten uit vrije landen? Kennen en waarderen wij dat nog, die nieuwsgierigheid naar het verhaal en die inzet om dat hoe dan ook te willen vertellen?

Wie reportages wil maken in Irak en Afghanistan, en andere verre oorden moet zich in Nederland regelmatig verweren tegen bezwaren van redacties en collega’s. Een aantal van de tegenwerpingen zoals die over de risico’s zijn legitiem. Dat geen verhaal een mensenleven waard is, is behalve een cliché ook nog altijd een relativerende en nuchtere opmerking temidden van het opgefokte competitieve circus waarin oorlogsverslaggeving helaas maar al te vaak ontaardt. Het is te prijzen dat redacties zich zorgen maken over de veiligheid van hun correspondent. En dat media hun budgetten in de gaten moeten houden en moeite hebben met de exorbitante verzekeringspremies die het werken in veel conflictgebieden tegenwoordig met zich meebrengt, is ook alleszins begrijpelijk. Maar soms lijkt het wel alsof die discussie over de bezwaren een eigen leven is gaan leiden en belangrijker geworden is dan het verhaal zelf. Alsof de beslissing al dan niet medewerkers te sturen eerst bepaald wordt door de risico’s en de kosten en vervolgens pas door de importantie van het verhaal – een bureaucratisch aandoende volgorde die volkomen strijdig is met de aard van het journalistieke vak.

Het meest gebruikte argument is dat de lezer, luisteraar of kijker geen interesse heeft in het soort verhalen die reizen naar deze landen verre opleveren. Die moeten immers zo dicht mogelijk bij huis blijven en zo makkelijk mogelijk consumeerbaar zijn.

Ik geloof er niets van dat het publiek zo gemakzuchtig en ongeïnteresseerd is als wordt beweerd. Een treffend voorbeeld dat het meevalt met de luiheid en de onverschilligheid is de reactie op ‘het gezicht van de armoede’ een reportage over het dorp Dickson in Malawi van journalist Dick Wittenberg en fotograaf Jan Banning die een paar jaar geleden verscheen in M. Er kwamen bij de redactie van NRC Handelsblad honderden brieven reacties van lezers binnen. In mijn omgeving hoorde ik er met betrokkenheid over praten ook door degenen van wie ik dat allerminst verwacht had.

Het is een onderwerp dat niet voldoet aan de gangbare criteria om er maar liefst negen pagina’s met tekst en tien bladzijden met foto’s aan te wijden. Er is geen onverwacht extreme droogte of zeer acute hongersnood, het betreft geen scoop en er is geen directe link met Nederland. Sterker nog, armoede in Afrika zou een verhaal zijn dat veel media mismoedig of wellicht honend van tafel zouden vegen als een volledig uitgesleten en niet aan het publiek te verkopen onderwerp.

Er zijn allerlei redenen waarom die uitgebreide reportage zoveel waardering oogst. Schrijver en fotograaf beheersen de kunst van het vertellen. Ze besteden tijd en aandacht aan hun onderwerp, hebben oog voor detail en mijden clichés en algemeenheden. Zo weten ze een dorp tot leven wekken in haar worsteling met de armoede en de inwoners een gezicht te geven. Maar er speelt volgens mij nog iets dat de vele reacties verklaart. Het is namelijk een verhaal dat niet alleen de dorpsbewoners, maar ook de lezers serieus neemt. Het geeft hen de gelegenheid hun dagelijkse wereld even stil te zetten en af te reizen naar die onbekende wereld in Afrika. Het is een verhaal dat hen niet verplettert of afstompt, maar dat hen beroert en tot nadenken stemt. Zoals dat de bedoeling is van een goede reportage. Als het zelfs met zo’n impopulair onderwerp al lukt de lezers zo te boeien, dan moet er toch ruimte zijn voor heel veel meer verhalen.
       

Bekijk meer van

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.