website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Henk Blanken over hoe je een long read in The Guardian krijgt

Henk Blanken — Geplaatst op vrijdag 1 februari 2019, 11:00

© Maaike Putman

Persoonlijk Zonder veel fiducie stuurde Henk Blanken vorige zomer zijn essay ‘My death is not my own’: the limits of legal euthanasia’ blind in naar The Guardian. Tot zijn verbazing krijgt hij bericht terug.

Het e-mailtje komt binnen op een warme dag in juli en het voelt feestelijk, het voelt zo grandioos dat je het liever niet opbiecht. Beter nieuws kun je niet krijgen als schrijver en journalist die gelezen wil worden.

Begin dit jaar leverde ik de uitgebreide versie van ‘Pistoolvinger’ in bij mijn uitgever Atlas Contact. Die non-fictieroman verdiende een groter publiek, vond mijn redacteur. Het boek had niet heel slecht verkocht. Drieduizend exemplaren. En nog eens drieduizend van de Duitse vertaling, Da stirbst du nicht dran.

Ook niet heel goed, dus.

Naïef als een rookie dacht ik dat een oversteek naar een groter taalgebied mogelijk moest zijn. Een Engelse editie, bij een uitgever met oog voor egodocumenten als ‘Je gaat er niet dood aan’, zoals de nieuwe ‘Pistoolvinger’ heet. Literaire non-fictie over een leven met parkinson, uitmondend in de vraag of ik wil sterven als ook dementie me te grazen neemt.

De liberale Nederlandse euthanasiepraktijk wordt bijna overal in de wereld verguisd. Britse tabloids denken dat je als oudere in Amsterdam je leven niet zeker bent. Voor een betoog dat juist het tegenovergestelde waar is – je kunt niet netjes dood, ook al wil je dat nog zo graag – moest in Londen of New York belangstelling zijn.
Natuurlijk wist ik wel beter.

Geen uitgever ziet je staan, als auteur van een niet al te breed bejubeld boek. Vier sterren in de Volkskrant. Een essay als voorpublicatie in Die Welt. Veel verder had het boek het niet geschopt.

Meer nog dan de eerste uitgave draait ‘Je gaat er niet dood aan’ om de dilemma’s rond euthanasie bij dementie. Geen lichte kost, wel een goed verhaal. Als samenleving laten we duizenden ouderen in de kou staan die denken dat de dokter ‘met een spuitje komt’ als ze zo dement zijn dat ze naar het verpleeghuis moeten.

Die dokter komt niet. Artsen maken geen mensen dood die niet meer begrijpen wat er gebeurt. Maar waarom zou je je recht op zelfbeschikking niet kunnen delegeren aan een naaste? Je wilsverklaring in een witte enveloppe. Zodat je lief die pil in je pap doet.

Mag het niet van de wet? Dan moet die wet veranderen, schreef ik in een polemisch verhaal, bedoeld voor de Engelse of Amerikaanse lezer. Kortste pitch: De Nederlandse euthanasiewet is niet half zo liberaal als iedereen denkt, duizenden demente patiënten gaan dood zoals ze per se niet wilden.

Ik vroeg rond. Kon ik mijn 6000 woorden ergens slijten? Liefst in The New Yorker – waarom niet bovenop de apenrots beginnen? The Guardian zou ook plezierig zijn, met zijn gratis website internationaal een van de grootste podia.

Toen iedereen me had uitgelegd dat je als onbekende auteur kansloos was bij The New Yorker en The Guardian, bood ik de Nederlandse versie van het stuk aan bij De Groene Amsterdammer. Nog nooit in dat blad gestaan. Als ik het moet inkorten… geen probleem, zei ik nog.

Niets daarvan, zei De Groene. Het opinieweekblad publiceert als laatste in Nederland nog heel lange stukken. En ze vonden het een mooi essay. Geschikt voor de cover zelfs – maar het was dan ook komkommertijd.

Zonder veel fiducie stuurde ik op 20 juni mijn vertaalde essay blind in. Een mail aan Jonathan Shainin, editor van The Guardian Long Read. Zijn mailadres had ik van de website.

Een alles-of-niets pitch van honderd woorden. Subject: ‘what you didn’t know about the Dutch obsession with the right to die’.

Toen werd het stil.

Een week. Twee weken.

Ik stelde me het bureau van de long-read-redacteur voor. Een woeker van uitgeprinte, nog ongelezen verhalen. Ik lig er niet tussen.

Onder zijn bureau een door muizen aangevreten berg ongeopende poststukken en een meelijwekkende map met ongevraagde pitches. Als hij tijd heeft – hij heeft nooit tijd – zal de redacteur bedankbriefjes schrijven. De voorstellen hoeft hij niet te lezen om te weten dat ze kansloos zijn.

Ik lig ook niet op dát kerkhof van goede bedoelingen en gefnuikte ambities. Want ergens heeft de Guardian-redacteur nog een e-mailmapje voor ‘wereldvreemde idioten’, de soort die al lang uitgestorven had moeten zijn: romantici die eerst een stuk schrijven waarom niemand heeft gevraagd, in een taal die ze amper machtig zijn, over een kwestie waarvan hooguit een handvol lezers wakker liggen.

De redacteur, stel ik mij voor, heeft een zwak voor zulke dolende zielen. Na drie weken vist hij mijn mailtje uit het mapje. Dat stel ik mij niet voor – hij doet het echt. Op 7 juli bericht hij me dat mijn verhaal ‘a very powerful’ ­essay is. ‘We love to run it.’ Op het net en in print.

En by the way, ze hebben voor zover hij weet nog niet eerder een Nederlandse schrijver bij de long reads gehad.

Of ik geduld wil betrachten. Het zal eind juli worden, begin augustus misschien.

Ik kan wachten.

Reken op september, zegt een volgende mail.

Op de tweede woensdag van augustus vraagt hij of het ook nu kan, deze vrijdag. Een gepland verhaal is weggevallen. De redacteur moet mijn stuk dan wel vandaag nog redigeren, met 1500 woorden inkorten tot 4000 woorden, de onduidelijkheden eruit halen. Heb ik eind van de dag tijd het na te lezen?

Uiteraard.

Het wordt het eind van de middag. En het begin van de avond. Kort voor tienen mailt hij de ingekorte versie. Vakwerk. Almost painless. Sorry, zegt de redacteur… ‘a very complex piece… so densely interconnected… a credit to your writing that this proved so challenging…’ Geen moment mis ik de passages die hij feilloos schrapte.

Nadat ik de edits een tweede keer heb bekeken, sta ik nog steeds versteld van de behendigheid waarmee de Guardian-redacteur te werk is gegaan. Maar er is ook iets mis. Grondig mis.

Pas de volgende ochtend daagt het. In het stuk zet ik uiteen dat je in Nederland als dementerende patiënt voor de wrede keuze staat te vroeg te sterven – je moet meteen na je diagnose om euthanasie vragen – als je niet te laat dood wil gaan, een schim van wie je was. Op tijd sterven is bijna altijd te moeilijk.

Neem Joop. In zijn wilsverklaring had Joop vastgelegd dat hij wilde sterven als hij niet meer thuis kon wonen, bij Janny. Hij wilde per se niet in een tehuis belanden. Maar toen een arts Joop hielp sterven, vond zijn vrouw het verschrikkelijk, want Joop had best nog twee of drie jaar kunnen leven.

Ineens besef ik dat de Guardian-redacteur het hele stuk verkeerd gelezen heeft.

Als Janny vond dat haar man nog jaren door had kunnen leven, vraagt de redacteur, waarom wachtte de arts dan niet met euthanasie?

Omdat, zeg ik, bijna geen enkele arts in Nederland stervenshulp verleent als een patiënt wilsonbekwaam is.

Maar Joop had toch een wilsverklaring, vraagt de verbouwereerde redacteur.

Die is niet bindend, zeg ik.

Not binding… maar waar dient die wil dan toe? Hij kan het zich niet voorstellen, maar herschrijft de passages die hij eerder niet kon rijmen.

Een week later ontvang ik een heel erg Britse, bruine enveloppe met twee exemplaren van de krant. En een honorarium. Waarom het lukte? Niet dankzij een kruiwagen. Wel omdat ik me twee jaar in de kwestie had verdiept en het verhaal toegesneden was op een Brits publiek. Ik wist wat The Guardian eerder schreef over euthanasie. De ultrakorte pitch deugde. Komkommertijd en onnozel geluk zullen ook hebben geholpen.

We doen dit, zegt de redacteur nog in een laatste mail, één keer in het jaar. Of zelfs dat niet. We plaatsen nooit iets dat blind wordt ingestuurd. Nou ja, bijna nooit.

Henk ­Blanken (1959) is schrijver en journalist. Hij werkte voor Het Vrije Volk en de Volkskrant en was adjunct-hoofdredacteur bij Dagblad van het Noorden. In 2011 kreeg hij de ­diagnose parkinson, waarna hij weer ging schrijven en met een team de Tegel won voor Project X Haren. Hij publiceerde drie boeken over journalistiek, waaronder het ‘Handboek Verhalende Journalistiek’ (met Wim de Jong). Sinds november is hij verbonden aan De Correspondent als ‘correspondent dood & aftakeling’.

Lees het stuk van Henk Blanken in The Guardian

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.