foj 2019

— donderdag 20 februari 2014, 08:50 | 0 reacties, praat mee

De ‘Fuck it journalistiek’ van Harald Doornbos

‘Vandaag 65 doden in Syrië’. lange tijd hield Harald Doornbos dagelijks een dodenlijst op twitter bij. Het is tekenend voor de betrokken oorlogscorrespondent die tot op het bot gedreven is en zijn verhalen zoekt in gerechtigheid voor de underdog. Alle mogelijke gevolgen voor zijn geloofwaardigheid neemt hij voor lief. Een portret.

Een interview ziet Harald Doornbos (1967) niet zitten. Hij heeft geen zin in die eeuwig terugkerende vraag of hij nooit bang is. Doornbos al is twintig jaar oorlogscorrespondent, en daarmee de nestor in zijn niche. Angst of geen angst, wat Doornbos vooral typeert is zijn grote betrokkenheid bij zijn onderwerpen. Een eigenschap die schadelijk kan zijn voor de journalistieke geloofwaardigheid.

Rebel op kistjes
Hij staat ‘altijd met zijn neus vooraan’, merkt oud-studiegenoot Martijn Rosdorff op. Samen zaten ze op de Academie voor de Journalistiek in Kampen. Ondanks de signatuur van de christelijke hogescholen daar, wordt de sfeer in de stad bepaald door studenten van de kunstacademie en de journalistiekacademie. Het uitgaans­leven bruist. Hans en Candy Dulfer komen uit Amsterdam om er een potje te jammen, en de Grote Prijs van Nederland wordt gedomineerd door bandjes uit Kampen. Met zwarte lijntjes om zijn ogen en punkhaar is Doornbos het evenbeeld van Robert Smith van de newwaveband The Cure.

Studenten verzetten zich eind jaren ‘80 met hand en tand tegen de invoering van de OV-studentenkaart. Ook in Kampen gaat men de straat op en het valt Rosdorff op dat het altijd Doornbos is die in de boeien wordt geslagen. Van alle demonstranten is hij het meest gemotiveerd. Toen uit protest ‘tegen iets’ een klokkentoren bezet werd, brengt Harald er een nacht door. Een rebel op kistjes. En toch weet Rosdorff dat zo net nog niet: ‘Hij zou de prullenbakken nog hebben geleegd, voor hij naar beneden kwam.’

Vrolijke enthousiasteling
Doornbos toont zich een student die sociaal gezien opgaat in de massa. Als hij al opvalt is het vanwege zijn activisme. De buikpijn die hij krijgt als hij onrecht ziet, spreekt uit de verhalen die hij schrijft. Zijn eerste baan vindt Doornbos bij De Waarheid, het communistische dagblad dat dan al wankelt en drie jaar later zal worden opgeheven.

Een ‘vrolijke enthousiasteling’, vindt hoofdredacteur Frank Biesboer hem. In de redactievergaderingen draagt Doornbos keer op keer eenzame strijders aan. Die interviewt hij het liefst. Een Turkse scholier die protesteert en wordt opgepakt. Een bemiddelaar tussen Joden en Palestijnen. Hij moet weinig hebben van vertegenwoordigers van grote organisaties, vakbonden of milieuclubs, merkt Biesboer. Doornbos heeft ‘een uitgesproken voorkeur voor eenlingen’.

De hoofdredacteur beschouwt hem als ‘een van de talenten’. Zelfmotivatie en ideeën van de redactie zijn leidend in die laatste jaren van De Waarheid, en Biesboer geeft de jonge Doornbos veel ruimte. Hij is onder de indruk van zijn originaliteit, zijn manier van schrijven, zijn ideeën en zijn onbevangenheid. De rode draad in zijn verhalen zijn de mensen op straat. ‘Harald sprak altijd met de demonstrant die een paar meppen heeft gekregen, in plaats van degene die bij de demonstratie gesproken heeft.’

Betrokken oorlogscorrespondent
Na het omvallen van De Waarheid, gaat Doornbos naar het buitenland. Hij kiest voor een gebied waar hij weinig concurrentie heeft van andere journalisten. In 1993, twee jaar na de Servisch-Kroatische oorlog is uitgebroken, vestigt hij zich als freelancer in Zagreb.

Doornbos is vanaf dat moment oorlogscorrespondent. In Zagreb verblijft hij niet in de grote hotels, maar tussen de mensen. Hij verslaat hun verhalen. De vluchtelingenstromen, de kampen, massagraven, bloedbaden en het front. Doornbos is overal. Een Amerikaanse collega noemt het ‘fuck it journalism’, vertelt hij in 1995 in een interview in vakblad De Journalist. Geen gepantserde auto’s of onnodige scherfvesten. Niet te lang stilstaan bij wat er mis kan gaan, en jakkeren door Sarajevo’s ‘sniper alley’.

Desondanks houdt Doornbos zijn hoofd erbij. Voor hem geen sterke drank, maar een flesje prik om mee te ontspannen. Collega correspondent Michel Maas leert hem kennen tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië. Hij merkt al gauw dat Doornbos ‘veel meer ervaring in oorlogszaken’ heeft dan menig ander journalist ter plaatse. ‘Harald zocht dingen uit en zat overal bovenop. Hij ging helemaal op in de oorlog.’

In eerste instantie begrijpt Doornbos de Serviërs wel: ze willen Joegoslavië niet uit elkaar laten vallen. Maar al gauw krijgt hij in de gaten dat ze geobsedeerd zijn door hun streven naar een Groot-Servië. ‘Alles moest daarvoor wijken. Iedere etnische minderheid moest dood’, zal hij later vertellen in het interview met De Journalist. Dat besef, maar vooral zijn weigering om het op een andere manier op te schrijven, levert hem problemen op met de Servische autoriteiten. Ze ontzeggen hem de toegang tot Bosnisch-Servië.

Omdat hij tussen zijn verhaalonderwerpen leeft, krijgt Doornbos sympathie voor ze. Hij ziet méér dan correspondenten die even invliegen. Het adagium van de neutrale journalist: waar er twee vechten, hebben er twee schuld, klopt niet, vindt hij. ‘De een heeft wel degelijk meer schuld dan de ander’, zegt hij in De Journalist. Hij gaat de mensen zien zoals ze zijn: met al hun goede en slechte eigenschappen, en trekt daaruit ook zijn conclusies. In een opinie artikel voor de GPD schrijft hij in mei 1999 over ‘moslim- en Albanese burgers uit Bosnië en Kosovo die niets anders “verkeerd” hebben gedaan in hun leven dan het dragen van een islamitische of Albanese naam’.

Doornbos deinst er niet voor terug om een kant te kiezen, ondanks, of misschien wel dankzij al die nuances. In zijn berichtgeving laat hij merken dat hij de Bosniërs als slachtoffers beschouwt, en de Serviërs als daders. In hetzelfde artikel klinkt hij zelfs activistisch: ‘Als naoorlogs Europa haar antifascistische slogan “Nooit meer!” niet hol wil laten klinken, kan er niet anders worden gedaan dan door te bombarderen. Milosevic en zijn kliek moeten weg, anders zwicht men voor tirannen en dan wordt het donker, zoals we allemaal weten.’

De Amerikaanse journalist Scott Anderson, die de Nederlander pas na de oorlog in Sarajevo ontmoet, bewondert Doornbos daarom. ‘Hij probeerde zijn gevoelens over wat goed en fout was op de Balkan, niet te verbergen’, zegt Anderson nu. Als een van de weinige journalisten benoemt Doornbos ‘wie wat deed, en wie daar schuldig aan was’. Anderson: ‘Dat waren natuurlijk de Serviërs.’

Morele verontwaardiging
Als hij na de Balkanoorlog verslag doet van het conflict in Libanon, reist Doornbos met een aantal andere journalisten naar een dorpje in het zuiden dat zwaar onder bombardementen heeft geleden. De dorpelingen zijn wekenlang geïsoleerd geweest, als de journalisten het gebied eindelijk bereiken. Het gezelschap is ontsteld door wat ze aantreffen. Een vrouw heeft acht dagen naast haar dode moeder in een kelder gezeten. De journalisten zijn ‘shaken’, aldus Anderson. En terwijl iedereen zijn best doet om neutraal te berichten, steekt Doornbos zijn mening niet onder stoelen of banken.

Het is niet zozeer wát hij op zulke momenten zegt of doet. Anderson merkt dat Doornbos’ morele verontwaardiging hem extra motivatie geeft om door te gaan, verder te kijken en meer te onderzoeken.

De jacht op Karadzic
Het bizarre plan in de zomer van 2000 om op zoek te gaan naar Radovan Karadzic, een van de grootste misdadigers uit de Balkanoorlog, komt op tafel tijdens een reünie met een aantal oud-correspondenten op de Balkan. Karadzic zou zich vlakbij de Montenegrijnse grens schuilhouden. Het groepje van vijf journalisten perst zich in Doornbos’ auto, een mooie, zwarte BMW sedan.

Aangekomen in het grensgebied zien de Karadzic-aanhangers hen aan voor CIA-agenten, op jacht naar hun leider. Voor Anderson en de andere drie journalisten is het een avontuur. ‘Voor Harald was het een soort kruistocht. Hij wist waar de Bosniërs doorheen waren gegaan, en wilde gerechtigheid voor ze’, zegt Anderson. 

De nacht die het gezelschap in het dorpje aan de Montenegrijnse grens doorbrengt, is een van de spannendste nachten die Doornbos tot dat moment heeft meegemaakt. De ultieme vorm van ‘fuck-it journalism’, aangedreven door testosteron en adrenaline. Een potentiële ramp, volgens Anderson. ‘Harald was het minst voorzichtig van ons allemaal. Hij zorgde dat we doorgingen, dat we telkens een nieuwe stap namen. Als Harald er niet geweest was, waren we nooit zover gekomen.’

Alle risico’s ten spijt: Karadzic vinden de journalisten niet. De Servische leider zal pas op 21 juli 2008 in een stadsbus in Belgrado worden gearresteerd.

Anderson schrijft het verslag van hun avontuur op voor de Amerikaanse Esquire, en in 2007 wordt de jacht op Karadzic verfilmd als The Hunting Party. Ondanks Andersons overtuiging dat de zoektocht niet had plaatsgevonden zonder Doornbos, krijgt de Nederlandse journalist slechts een kleine rol in het script. Zijn karakter wordt afgekocht voor 22.500 dollar.

Daar waar het gebeurt
Na acht jaar oorlog op de Balkan verhuist Doornbos naar New Delhi. Hij komt in dienst bij de GPD en blijft freelancer voor de NOS-radio. Na de aanslagen van 9/11 is er genoeg werk en hij heeft een kort huwelijk met Sacha Kester, correspondent van de Volkskrant. Toch vindt hij India ‘tien keer niets’ zegt hij in een interview met debuitenlandredactie.nl. Hij verruilt Delhi voor Beirut, waar hij voor de GPD blijft werken. Een paar maanden na zijn verhuizing wordt ex-premier Hariri vermoord en breekt een burgeroorlog uit. Weer is Doornbos daar waar het gebeurt.

Beirut, islamabad en Dubai
Als zijn nieuwe liefde, de Libanese Jenan Moussa een baan krijgt aangeboden bij de Arabische tv-zender Al Aan verhuist hij mee naar Dubai. Vanaf dat moment vullen ze elkaar aan bij de productie van hun verhalen. Er is werk genoeg. Drie woonplaatsen heeft het stel: Beirut, Islamabad en Dubai, maar na het uitbreken van de Arabische revoluties in 2011 komen ze er weinig.

arabische revolutie
Doornbos reist van Libië naar Egypte, naar Syrië en weer terug. Oorlogscorrespondent Hans Jaap Melissen wil na maandenlang hetzelfde verhaal coveren, wel eens een andere horizon zien, om met een frisse blik terug te keren. Zo niet zijn collega: ‘Harald is wat dat betreft onvermoeibaar.’ Dat levert professionele risico’s op, vermoedt Melissen: ‘Harald is te lang weg uit Nederland om nog feeling te hebben met redacties, met wat ze denken en wat ze willen.’

Hij oogst waardering bij Jos Timmers (hoofdredactie GPD) omdat hij de conflicten in perspectief zet. Omdat het gewone leven doorgaat, beschrijft hij hoe een man een geit slacht terwijl de kogels om zijn oren fluiten, of hoe een groentemarkt in een wapenmarkt verandert als je even doorloopt.

Het zijn soms zulke ongelofelijke verhalen dat chefs wel eens twijfelen aan het waarheidsgehalte. In oorlogssituaties is het vaak onmogelijk om bronnen na te gaan. Er zijn er die hem niet meer vertrouwen. Een chef die anoniem wil blijven verklaart dat ‘Doornbos teveel onderdeel zou zijn geworden van de oorlog die hij verslaat; hij vindt de oorlog te leuk en zijn verhalen zijn te spectaculair’.

Voormalig GPD’er Timmers twijfelt: ‘Ik denk dat zijn bronnen wel bestaan, maar of hun informatie altijd zo hard is als hij opschrijft… dat weet ik niet.’ Als Doornbos in een verhaal een bepaalde uitspraak toeschrijft aan een ‘rechterhand van Bin Laden’, wil Timmers dat artikel niet plaatsen. ‘Ik wil best geloven dat hij iemand had gesproken die zei een rechterhand van Bin Laden te zijn, of te zijn geweest, maar het hele verhaal was onvoldoende onderbouwd en daardoor niet geschikt voor publicatie.’

Op Twitter meldt Doornbos op dinsdag 15 februari 2011, een paar minuten over acht ’s avonds: ‘Volgens nog onbevestigde berichten (maar uit betrouwbare bron) is zojuist Mubarak overleden.’ Het blijkt een canard.

Een paar maanden later gaat zijn enthousiasme weer met hem op de loop. Als Khadaffi in de herfst van 2011 op de vlucht slaat, wordt het paleis bestormd. Doornbos rent met de Libiërs mee. Het is een zooitje. Om hem heen wordt geschoten. Voor de woedende meute de eigendommen van de verdreven dictator in brand kan steken, grist hij een flink aantal spullen, waaronder een vergeeld fotoalbum en een brillenkoker, mee.

Khadaffi wordt kort daarna gevonden in een rioolbuis, en geëxecuteerd. Het lichaam wordt in een koelcel gelegd. Voor zijn reportage loopt Doornbos met Libische families mee de ruimte in. Het geeft hem een gevoel dat hij nooit meer verwacht mee te maken. Dit is de geschiedenis, en hier is hij. Hij laat zich portretteren naast het dode lichaam. Doornbos, wars van stoere standuppers of foto’s met onnodige scherfvesten, wordt even geleid door zijn emoties.

Het vergeelde fotoalbum en de brillenkoker die hij uit het paleis van Khadaffi in Tripoli haalt, liggen eind 2011 te pronken op de tafel van Pauw en Witteman. Hij vertelt over de kritiek die hij in Nederland krijgt over het feit dat hij andermans spullen heeft meegenomen. Het was een zooitje in het paleis, verdedigt de correspondent zich, een beetje hakkelend. ‘Als ik vijf minuten had gewacht, was ’t in brand gestoken.’

Ondanks zijn vermeende bravoure vertelt Doornbos, een flesje Fanta voor hem op tafel, hoe hij zich ergert aan het Nederlandse idee dat de BBC en CNN ‘de echte jongens’ zijn. Nederlandse journalisten zouden de Amerikanen overschrijven. ‘Dat is niet waar. Wij zijn er ook bij. Dat wilde ik laten zien.’

Werldburger
Ten onrechte overschaduwen incidenten zoals de abuis doodverklaarde Mubarak de primeurs die hij volgens zijn collega’s wel degelijk binnensleept. Zo spreekt Doornbos met een uit Abu Graib ontsnapte gevangene die voor Al Qaida gaat vechten en Nederlandse ex-militairen die jihadist in Syrië zijn geworden. En zijn reportage over de dood van de Amerikaanse ambassadeur Christopher Stevens leidt zelfs tot politieke oproer in de Verenigde Staten: Doornbos en zijn vrouw Jenan Moussa vinden in het belaagde consulaat in Benghazi twee brieven waaruit blijkt dat het personeel zich al langer onveilig voelde.

Waar Doornbos sfeerbepalend details en het sentiment van de man op de straat in reportages vat, wordt hij nu aangevuld door het analytische vermogen van zijn vrouw. Hun samenwerking leidt in dit geval tot een publicatie in het prestigieuze blad Foreign Policy.

Zijn betrokkenheid maakte van hem een wereldburger met het Midden Oosten als zwaartepunt. Doornbos lijkt na zoveel jaar als oorlogscorrespondent losgezongen van de Hollandse werkelijkheid. Kan het hem nog iets schelen wat zijn imago in de polder is?

Zelf antwoord hij op die vraag: ‘Mijn avonturen en artikelen hebben onder meer geleid tot een Hollywood-film en een woeste brief van het Huis van Afgevaardigden aan Hillary Clinton. Ik publiceer in Nederlandse-, Belgische-, Amerikaanse- en Pakistaanse-media. In 2013 zijn er alleen al vier keer Kamervragen gesteld naar aanleiding van mijn berichtgeving. Dus ach, van die kritiek op me van sommige “kantoorjournalisten” in Nederland lig ik eerlijk gezegd niet zo wakker. Deze mensen hebben geen flauw idee hoe het er aan toe gaat wanneer je vooraan staat tijdens oorlogen en gebeurtenissen die de toekomst van de wereld een andere wending geven.’

Bekijk meer van

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.