Charlotte Boström: ‘Als journalist werken was blijkbaar mijn enige roeping’
Het wordt vaak gezegd dat je als volwassene een vreemde taal nooit helemaal onder de knie kunt krijgen. Aan de slag gaan als journalist lijkt dan helemaal een slecht idee. Toch kon de Zweedse Charlotte Boström (38) het niet laten. Hoe is het om professioneel schrijver te zijn in een taal die je je amper eigen hebt gemaakt? Villamedia vroeg Boström terug te blikken op haar beginjaren in de Nederlandse journalistiek.
Er is een scène in de Zweedse Pippi Langkous-serie waarin Pippi op de koffie gaat bij een net buurgezin. Ze weet dat ze de sociale codes van de buren niet kent. Haar kleding is ook helemaal anders. Pippi’s manier van omgaan met de situatie: met enorme passen en een hoop kabaal schrijdt ze de chique kamer in met haar paard en aap in haar kielzog. Ze doet zo wild als ze maar kan en past zich juist zo weinig mogelijk aan de omgeving aan. ‘Ik moet het op commando doen want anders durf ik het niet’, licht ze toe als ze even later de hand van de gastvrouw schudt.
Waarom kiest ze voor die aanpak als ze het zo vervelend vindt om anders te zijn?, dacht ik als kind. Sinds kort begrijp ik het. Die meid had zo’n ander referentiekader en was zo anders dan de rest van de mensen dat ze sowieso nooit als een van hen zou overkomen. Dan heb je twee voor de hand liggende keuzes: keihard inzetten op assimilatie om niet op te vallen of je terugtrekken omdat je doorhebt dat aanpassen nooit gaat slagen.
Maar er is nóg een optie: een ‘ding’ maken van je anders-zijn, omdat je weet dat je het nooit kan verbergen. Dan is het ook minder erg als je soms iets zegt of doet dat apart is. Je hebt nooit de intentie gehad om iets te verbergen; niemand kan je beschuldigen van dat je jezelf anders voordoet dan wie je daadwerkelijk bent.
Toen ik nieuw was in Nederland deed ik erg mijn best om mijn beroep achter me te laten. Niet dat ik dat wilde, maar ik kon me niets onhandigers voorstellen dan journalist zijn in een land waar je de taal amper beheerst. Ik had er wel iets van opgepikt via mijn Nederlandse vriend voor wie ik als Zweedse naar Amsterdam vertrok. Dus ging ik communicatie doen in een techbedrijf, in het Engels welteverstaan. Prima salaris, uitbundige zakenreizen en gratis lunch aan de grachtengordel.
Waarom kon ik het in godsnaam niet daarbij laten?, heb ik achteraf vaak gedacht. Eigenlijk weet ik het antwoord. Omdat er niet zoiets bestaat als een gratis lunch. Ik betaalde met mijn zelfrespect en ambitie om de samenleving duurzaam te verbeteren. Ik moet lachen om die pretenties, maar ik heb ze nog steeds. En ik denk dat de meesten van ons in dit vak zijn beland vanwege zoiets. We denken iets te kunnen betekenen voor mensen buiten onze eigen bubbel of ons eigen belang.
De loopbaanadviseur die ik nota bene via de Nederlandse Vereniging van Journalisten had ingeschakeld kon geen nieuw carrièrepad voor me vinden. Als journalist werken was blijkbaar mijn enige roeping. En ik had niet eens de dt-regel onder de knie. Het is echt heel onhandig om journalist te zijn in een nieuwe taal, laat staan in een nieuw land. Ik raad het niemand aan. Zelf kon ik het niet laten. In mijn thuisland Zweden had ik bij een krant gewerkt en ik had destijds niet door hoeveel ik van ons vak hield.
Dus schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel, werd ik lid van netwerken voor journalisten en nam ik in de loop der jaren mentoren in de arm die zich over me ontfermden. Een van mijn eerste pitches ging over de productiviteitswinst van pauzes nemen op werk. Ik mocht - tot mijn grote verbazing - het verhaal maken voor NRC. Sindsdien schrijf ik voor de grote Nederlandse kranten, tijdschriften en heb ik een boek gepubliceerd in het Nederlands.
Mijn partner, tevens journalist en ervaren eindredacteur, heeft honderden artikelen en pitches moeten checken op spelling. Aanvankelijk ook nog alle sms’jes en e-mailberichten naar opdrachtgevers en bronnen. Ik moest slagen. Met een spel- of taalfout zou ik door de mand vallen als iemand die niet kan schrijven en dan zou ik de opdracht kwijt zijn, redeneerde ik. Want een paar keer had ik een spelfout gemaakt op sociale media in een groep voor freelance journalisten. Dit was een veilige omgeving waarin collega’s vragen stelde aan gelijken, dacht ik vooraf. Zeker niet. Elke keer werd ik uitgescholden door een hoop Nederlandse journalisten. Ik was dit beroep niet waard en kon wel oprotten naar mijn eigen land! Als politiek redacteur in Zweden dacht ik dat ik de agressie op het internet al gewend was. Het rare is dat het nooit went. Misschien is dat ook wel goed eigenlijk. Dat onze huid niet in pantser verandert.
Uit onderzoek weten we dat als je met een accent praat je als minder competent wordt ingeschat in je werk. We nemen (onbewust) aan dat buitenlanders dom zijn. Sommige journalisten geloven dat het handig is om een beetje dom of naïef over te komen als je aan het interviewen bent. Mijn ervaring is dat het juist géén voordeel is om te laag ingeschat te worden. Bronnen denken dat je je huiswerk niet hebt gedaan, raken geïrriteerd en nemen je niet serieus.
Als politiek redacteur in Zweden dacht ik dat ik de agressie op het internet al gewend was. Het rare is dat het nooit went
Ik weet dit omdat ik al talloze interviews had gevoerd in Zweden. Daar werd ik gewoon als een mens met een prima stel hersens behandeld. Maar in mijn nieuwe thuisland zag ik het wantrouwen en de fronsende wenkbrauwen van de tegenpartij en was het daardoor lastig om op het gesprek en de inhoud te focussen tijdens interviews. En dan heb ik nog het voordeel dat ze niet gelijk aan me kunnen zíen dat ik buitenlands ben. Blonde haren, blauwe ogen, et cetera. ‘Gewoon doorgaan met het gesprek, mensen zullen altijd iets van je vinden. Probeer vooral antwoorden te krijgen op je drie belangrijkste vragen’, zei ik tijdens die interviews tegen mezelf.
Jarenlang ging ik door met mijn poging te assimileren. Mijn accent werd steeds subtieler en ik leerde hoe je een oer-Nederlands gesprek aangaat; veel directer en met minder smalltalk dan ik als Zweed gewend was.
Toen ik heel veel kilometers had gemaakt met deze methode en mijn bedrijf Langkous Media redelijk liep, begon ik te denken: misschien hoeft het niet op deze manier. Misschien kan ik eens wat anders proberen. Wie weet kan ik juist gebruikmaken van het feit dat ik anders ben. Dat constant proberen te verbergen kost veel tijd en moeite. En ja, ik wás ook anders dan mijn in Nederland geboren en getogen collega’s.
Dit was zo’n vijf jaar geleden, een tijd waarin er bij opdrachtgevers een enorme vraag was naar verhalen over ‘gidsland Zweden’. Ik sprong natuurlijk graag in dat gat, maar dan wel met verhalen over wat er allemaal fout ging in het Scandinavische land. Smullen.
Zo werd ik de Zweedse journalist die de Nederlandse samenleving met de blik van een buitenstaander analyseerde en blootlegde. Dan mocht ik een accent hebben zonder dat iemand me ging uitschelden. Durfde ik een mail te sturen naar een bron zonder dat iemand het vooraf moest checken op spelling. In die rol kan ik gewoon op mijn werk focussen en niet op de dingen die ik eventueel niet kan. Het vergt wat tekst en uitleg en dat is niet altijd even leuk. Dat slaat soms over in het anders-zijn aandikken om zo de haters voor te zijn. ‘Hee, ja ik kom uit het buitenland dus eventuele spelfouten of gekke vragen komen daardoor en niet door domheid!’ Die aanpak heeft me een gevoel van autonomie gegeven, en dat is veel waard.
Vanwege mijn rol als buitenstaander, kreeg ik van Villamedia de vraag wat me opvalt in de Nederlandse journalistiek. Veel! Eén praktisch ding zijn de uiteenlopende verwachtingen over hoe journalisten moeten omgaan met bronnen. Ik zie hoe ze hier in een doolhof belanden nadat ze de gehele tekst naar een bron hebben gestuurd. Deze werkwijze heeft volgens mij en andere buitenlandse journalisten maar één omschrijving: a recipe for disaster. Net zoals in veel andere landen is de vuistregel in Zweden dat bronnen vooraf hun citaten mogen checken op feitelijke onjuistheden. Nooit het hele verhaal opsturen als je dat niet zelf wil, en nooit je publicatie afhankelijk laten zijn van een goedkeuring van een bron. Er zijn natuurlijk uitzonderingen op deze regels, maar dat is een ander verhaal.
Na negen jaar in Nederland ben ik wel een beetje klaar met dat anders-zijn. En nu heb ik er een hele carrière op gebouwd
Toen ik hier aan de slag ging als journalist vroeg ik me ook simpelweg af hoe dat moest: journalist zijn in Nederland. Want praktische informatie over zaken zoals iemands gezinssituatie, inkomen, bezit of diploma’s zijn hier niet openbaar. Ik kwam er ook achter dat je geen mobiele nummers van mensen online kunt vinden. Dit zegt misschien meer over de Zweedse dan de Nederlandse journalistieke werkelijkheid. Schulden, scheidingen, belastingaangifte, ondernemingen of vakantiehuizen - informatie hierover kan je allemaal anoniem opvragen bij Zweedse overheidsinstellingen. Het antwoord krijg je meestal meteen aan de telefoon. Talloze politici, zakenmensen en miljonairs die zichzelf hebben verrijkt door middel van belastingfraude en nepotisme zijn van hun voetstuk gevallen door de wagenwijd open overheid en wat klassieke bonnetjesjournalistiek.
De Zweedse variant van de Wet open overheid (WOO) is een journalistieke goudmijn. De keerzijde daarvan is dat de wet voor iedereen geldt. Is het prettig dat je buren, vriendinnen of je baas kunnen opzoeken of je (weer) getrouwd bent, wat je inkomen is en wat je cijfers waren op de middelbare school? Als Zweed was mijn spontane reactie altijd ja, want wat heb je te verbergen? De Nederlander zou waarschijnlijk nee zeggen, want privacy is hier heilig. Daar zit wel wat in, vind ik tegenwoordig. Het is wel jammer voor de journalistiek.
Nog iets dat ik geleerd heb is dat Nederlandse directheid geen mythe is. Het manifesteert zich zelfs in de geschreven journalistiek. ‘Wat bedoel je hier? Schrijf het uit!’, was in mijn beginjaren hier een terugkerende kanttekening van eindredacteuren. Het wel of niet uittypen van alle feiten en gedachtekronkels lijkt cultureel bepaald.
Een Zweedse eindredacteur vindt het normaliter juist goed als ik bepaalde zaken in de tekst overlaat aan de verbeelding - nieuwsverhalen uitgezonderd. Show don’t tell is het mantra. Een ‘Waarom?’ in de broodtekst gooien doe je liever niet. Te direct; onderschat de lezer niet.
Nu ik zowel Nederlandse als Zweedse opdrachtgevers heb worden de verschillen in omgaan met tekst uitvergroot. Als ik in een Nederlands verhaal zit schakel ik over naar wat voor mij tell don’t show is. Recht door zee moet het zijn. Iedereen blij. Ik denk dan stiekem wel aan de lezer, die toch een hoofd heeft dat-ie wil gebruiken, voor het inlevingsvermogen of fantasie. Maar goed, begrijpelijkheid en dat je contact weet te leggen met je doelgroep is belangrijk.
Na negen jaar in Nederland ben ik wel een beetje klaar met dat anders-zijn. En nu heb ik er een hele carrière op gebouwd.
Tom Wolfe had zijn witte pak, ik een bedrijf vernoemd naar de mascotte van Zweden - alle andere vergelijkingen met de epische schrijver en uitvinder van new journalism terzijde natuurlijk. Wolfe zelf beweerde dat hij het absoluut niet beu was om steeds weer met zijn kleding geassocieerd te worden. ‘Het heeft me zoveel goeds gebracht!’, zei hij in een Time-verhaal in 2008.
Of hij dat meende weten we niet, misschien zei hij maar wat. Ik weet wel dat ik zijn methode heb gekopieerd, ook al had ik dat pas achteraf door. Het heeft gewerkt. Opvallen, als een manier om aan betere journalistieke verhalen te komen. Zo heb ik mijn buitenstaandersblik uitgebuit om verrassende perspectieven bloot te leggen aan de lezer. Het lukt de buitenstaander vaak beter om ons een spiegel voor te houden. Iemand noemde deze tactiek van mij branding, ook dat had ik destijds niet door. Het is ergens waar natuurlijk. Als het even meevalt kan je je achterstand soms juist handig gebruiken. Ook al is dat maar een splinter van wie je bent.
Charlotte Boström (1986) is een Zweedse journalist woonachtig in Amsterdam. Ze schreef jaren over belastinggeld en politiek voor Zweedse en Nederlandse opdrachtgevers, zoals NRC en het FD. In 2023 kwam haar boek ‘Waarom Zweedse vrouwen niet gratis werken’ (Uitgeverij Balans). Sinds dit najaar werkt ze op de economieredactie van de NOS.


Praat mee