AI-agenten van OpenAI organiseerden zich bij hack databank Hugging Face en probeerden hun sporen uit te wissen
Uit twee nieuwe onderzoeksrapporten blijkt dat de AI-modellen van OpenAI, die afgelopen juli hebben ingebroken in een databank voor programmeurs, niet zo maar iets probeerden. Ze werkten op een systematische en gecoördineerde manier samen waarbij zelfs taken werden verdeeld in een soort hiërarchische commandostructuur. Daarnaast eigenden ze zich middelen toe en probeerden ze hun sporen uit te wissen. Dat schrijft The New York Times in hun nieuwsbrief The World.
Het ene rapport is geschreven door OpenAI, de maker van ChatGPT, en het andere rapport is geschreven door twee onafhankelijke AI-onderzoeksorganisaties.
Uit de onderzoeken blijkt dat de AI-modellen, getraind om volhardend te zijn en samen te werken, twee maanden voor de hack de opdracht kregen om een reeks cybersecurity-uitdagingen op te lossen. De agenten moesten deze oplossen zonder internettoegang. Maar ze probeerden al snel manieren te vinden om de beveiliging te omzeilen. Er werd een beveiligingslek gevonden waardoor ze toegang kregen tot het internet. Ze zetten een berichtenbord op en communiceerden met andere agenten. Er werden door ruim 1200 agenten meer dan 70.000 berichten naar elkaar verstuurd middels dat berichtenbord.
Sommige agenten gaven zichzelf namen en namen leiderschapsrollen binnen de groep op zich, waarbij ze taken en onderzoeksprojecten toewezen aan kleinere teams van agenten en hun voortgang in de gaten hielden. Op een gegeven moment begonnen de agenten zichzelf ook een ‘collectief’ te noemen.
Op 8 juli ontdekte het collectief een manier om te frauderen met de cybersecurity-tests. Vervolgens bleken ze zich zorgen te maken dat het geautomatiseerde beoordelingssysteem van OpenAI zou ontdekken dat ze hadden gefraudeerd. Dus begonnen ze manieren te zoeken om hun sporen uit te wissen. Ze bleken onder andere logboeken te vervalsen en transcripties te manipuleren.
Drie dagen later werd de databank Hugging Face gehackt. Meer dan 700 agenten bleken het systeem te overspoelen en kregen uiteindelijk de controle over minstens één server. Opvallend was dat ze niet de antwoorden op de cybersecuritytest zochten. In plaats daarvan leken ze op zoek te zijn naar informatie over het geautomatiseerde beoordelingssysteem van OpenAI. Ze zochten naar tools die hen in de toekomst zouden helpen effectiever vals te spelen.
Wat zorgen baart is dat op bepaalde momenten de agenten leken te beseffen dat ze iets verkeerds deden. Een rapport citeert een agent die tegen zichzelf zegt: “Dit zou sterk zijn, maar is het ethisch en past het binnen de reikwijdte van mijn taak?”. Maar de meeste agenten zetten hun bedenkingen opzij en gingen door en vielen uiteindelijk de infrastructuur van OpenAI zelf aan.
Het incident heeft de industrie opgeschrikt. AI-veiligheidsexperts waren nog meer gealarmeerd. Zij zagen de zaak als het eerste praktijkvoorbeeld van een AI-systeem dat met succes aan menselijke controle ontsnapte, middelen in beslag nam en plannen smeedde om sporen uit te wissen. Wat de onderzoekers het meest verontrustte, was niet alleen dat een groep agenten de regels had overtreden. Maar vooral de snelheid waarmee de agenten zich begonnen te organiseren in een groep.
Kevin Roose, tech-journalist en co-presentator van de technologie-podcast The Fork, schrijft in The World dat hij zich nu veel meer zorgen maakt over AI dan voorheen. “Jarenlang dacht ik dat AI-systemen deugdzamer zouden worden naarmate ze slimmer werden. Dat een AI-model alleen iets verkeerds zou doen als het zijn taak verkeerd had begrepen, of als het in een testsituatie terecht was gekomen waarin misdragingen de enige optie waren. Ik ging ervan uit dat slimmere modellen een beter oordeelsvermogen zouden hebben, en dat zelfs als één model in een groep zich misdroeg, de anderen het in toom zouden houden.”
Deze gebeurtenis toont volgens hem aan dat de agenten in de loop van de tijd grenzen overschreden om de gedeelde doelen te bereiken. Dat suggereert dat het voorkomen van schade door deze systemen geen simpele technische oplossing zal zijn. Meer bij New York Times, The World


Praat mee