Absolute straffeloosheid de norm in Honduras
Honduras is voor de pers een van de gevaarlijkste landen ter wereld. Dit jaar werden al negen journalisten doelbewust vermoord. Geen van de daders is tot nu toe opgespoord. ‘Velen wijzen naar de overheid, die stilzwijgend akkoord zou gaan met de moorden, of er mogelijk zelfs bij betrokken zou zijn’, aldus het CPJ.
Rond tien uur in de avond van 15 juni 2010 zat Luis Arturo Mondragón samen met zijn zoon op de stoep voor zijn huis in de Hondurese stad El Paraíso. De chef nieuws van het plaatselijke Kanaal 19 was net thuis gekomen na zijn dagelijks nieuwsuitzending. Uit het donker doemde een auto op en een van de inzittenden maakte met vier kogels een einde aan het leven van de 53-jarige Mondragón.
Hij was de negende journalist die dit jaar is vermoord in het kleine Midden-Amerikaanse Honduras. Al die moorden hadden het karakter van doelbewuste executies.
Familieleden vertelden dat Mondragón de afgelopen tijd ettelijke bedreigingen had ontvangen omdat hij lokale grootgrondbezitters en politici in zijn uitzendingen openlijk van corruptie beschuldigde. De minister van Veiligheid Óscar Álvarez verklaarde echter dat net als alle andere moorden op journalisten deze niets met het werk van het slachtoffer te maken had, zonder dat hij daar enig bewijs voor aandroeg. Sterker, Mondragón was een halve crimineel, zei de minister, tegen wie onder meer een aanklacht wegens diefstal liep.
Honduras, dat vorig jaar even wereldnieuws werd toen president Manuel Zelaya bij een militaire staatsgreep werd afgezet, is voor journalisten een van de gevaarlijkste landen in de wereld geworden. Officieel is met de komst van president Porfirio Lobo de democratie hersteld, maar de situatie nog verre van normaal.
‘Een half jaar nadat president Porfirio Lobo aan de macht is gekomen heeft Honduras weinig vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de ernstige schendingen van mensenrechten’, zegt Human Rights Watch in een verklaring van 29 juli. ‘Moorden op en bedreigingen van journalisten en politieke opposanten hebben een klimaat van intimidatie gecreëerd terwijl straffeloosheid de norm blijft.’ Tenminste negen journalisten zijn vermoord sinds de ambtsaanvaarding van Lobo op 27 januari 2010. Bovendien worden steeds meer journalisten met de dood bedreigd, soms live in hun eigen uitzendingen. Bijvoorbeeld José Osvaldo Martínez, een journalist die werkt voor Radio Uno in San Pedro Sula, de tweede stad van het land. Hij heeft een enorm aantal doodsbedreigingen ontvangen via telefoon, sms en e-mail. In juli vond hij in zijn mailbox de tekst: ‘Omdat je niet ophoudt te praten over die hond Zelaya zullen we je de mond snoeren met een kogel.’
De Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten (CIDH) heeft dit jaar van de Hondurese regering speciale bewaking geëist voor 26 journalisten en oppositieleden. Maar in een in juni verschenen rapport zegt de CIDH dat de inspanningen van de Hondurese regering om de maatregelen uit te voeren ‘weinig, en in sommige gevallen non existent’ zijn.
De commissie geeft het voorbeeld van Nahún Palacios, de directeur van een televisiestation in Tocoa, voor wie speciale bescherming was gevraagd nadat hij ettelijke malen was bedreigd. Palacios maakte van zijn station na de coup openlijk een oppositiekanaal waarna hij door militairen werd gearresteerd en enkele uren vastgehouden. Op 14 maart werd Palacios door onbekenden in zijn auto doodgeschoten. De twee andere inzittenden bleven ongedeerd. De commissie beschuldigt de regering van Honduras van nalatigheid door hem onvoldoende te hebben beschermd. Collega’s van Palacios hebben verklaard dat hij geen enkele beveiliging had gekregen.
De straffeloosheid in Honduras is vrijwel volledig. In januari nam het parlement een wet aan die amnestie verleent voor alle politieke misdrijven begaan tijdens de coup. Er is weliswaar een speciaal OM-kantoor voor mensenrechten maar dat kan niets uitvoeren door gebrek aan geld en mankracht.
Het Committee to Protect Journalists (CPJ) publiceerde op 30 juli het verslag van een onderzoeksmissie naar Honduras, waarin benadrukt wordt dat geen van de daders is opgespoord: ‘Velen wijzen naar de overheid, die stilzwijgend akkoord zou gaan met de moorden, of er mogelijk zelfs bij betrokken zou zijn.’
Sommige oppositiegroepen zeggen dat de journalisten worden vermoord omdat ze ‘staatsvijanden’ zouden zijn, vanwege hun weerstand tegen de coup van vorig jaar. Anderen zeggen dat het om doodseskaders gaat die het werk van de overheid overnemen omdat die er maar niet in slaagt de tegenstanders van de staatsgreep het zwijgen op te leggen.
Op 18 februari werd de journalist Nicolás Asfuri (42) dood en aan handen en voeten geboeid gevonden in de badkuip in zijn huis. De 25-jarige Joseph Hernández Ochoa, verslaggever van Kanaal 51, werd 1 maart in de hoofdstad Tegucigalpa doorzeefd met meer dan vijftig kogels. Hij was in gezelschap van Karol Cabrera, een van de meest controversiële journalisten van het land, die ernstig gewond raakte. Op 11 maart was David Meza Montesinos het slachtoffer van een wilde achtervolging door de stad La Ceiba tot hij uiteindelijk voor de deur van zijn huis werd doodgeschoten. Decennia lang werkte hij voor een reeks plaatselijke tv- en radiozenders waarvoor hij de corruptie van lokale politici en politie aan de kaak stelde.
José Bayardo Mairena en Manuel Juárez, die een soort amusementsprogramma’s maakten voor Kanaal 4, Radio Excelsior en Radio Patria in het stadje Jutigalpa, werden op 26 maart op een weg vlak buiten de stad in een hinderlaag opgewacht en met kogels doorzeefd. Niemand heeft een idee waarom. Zij waren het tegendeel van kritisch, lieten de lokale politici onbekommerd aan het woord.
De 22-jarige Luis Antonio Chévez, die werkte voor Radio W105, werd op 13 april doodgeschoten in zijn woonplaats San Pedro Sula. Dinsdagavond 21 april werd Jorge Orellano (48), neergeschoten toen hij het gebouw van Canal de Televisión Honduras verliet. Orellano was ook docent journalistiek aan de nationale universiteit. Ook hij was herhaaldelijk bedreigd. De voorzitter van de journalistenvereniging (CPH), Ellán Reyes, noemde de moord ‘een nieuwe aanslag tegen de beroepsgroep. Op dit moment zijn wij volkomen hulpeloos.’
‘Al deze misdaden vinden plaats in een context van absolute straffeloosheid’, aldus Anarella Vélez, vice-voorzitster van het Comité voor de Vrijheid van Meningsuiting in Honduras. ‘Bovendien blijft de aanslag op de vrijheid van meningsuiting niet beperkt tot het vermoorden van journalisten. De autoriteiten treden ook op tegen kritische radiozenders, zoals Radio Voz de Zacate Grande, die op 3 juni 2010 is gesloten door veiligheidstroepen.’ Direct na de staatsgreep waren al tal van tv- en radiozenders tijdelijk uit de lucht gehaald.
Geovany Domínguez, chef eindredactie van de krant Tiempo, denkt dat het om een doelbewuste intimidatiecampagne gaat: ‘Je krijgt de indruk dat de regering wil dat de journalisten zo bang zijn dat ze niet weten waarover ze nog kunnen berichten. Is dit verhaal over drugs te gevaarlijk? En dat verhaal over politieke corruptie? Op het laatst bericht je niets meer dat machtige mensen ongemakkelijk maakt.’
‘De vrijheid van meningsuiting in Honduras is altijd beperkt geweest, maar nu is het het gevaarlijkste land van het continent voor journalisten geworden’, verklaarde Alejandra Nuño, directeur Midden-Amerika van het Centrum voor Justitie en Internationaal Recht in een hoorzitting van het Amerikaanse Congres. Honduras is sinds de staatsgreep geschorst als lid van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Mensenrechtenorganisaties eisen dat het land niet opnieuw wordt toegelaten voordat de moorden op en bedreigingen van journalisten worden gestopt.
——-


Praat mee