De regels van… Jonnie en Thérèse Boer – J/M
Tekst: Anouk Horsthuis
Of ze ook samen konden worden geïnterviewd, mailde Thérèse Boer als antwoord op ons interviewverzoek aan haar man, chef-kok en eigenaar van driesterrenrestaurant De Librije Jonnie Boer. Stom, daar hadden we natuurlijk zelf ook aan kunnen denken. Want Jonnie en Thérèse vormen sámen het beroemdste horecakoppel van Nederland, ze stonden sámen aan de wieg van De Librije, maakten daar sámen een driesterrenrestaurant van, openden sámen hun hotel en zijn al meer dan twintig jaar dag in dag uit samen. En uiteraard zijn ze sámen de ouders van hun kinderen Jimmie (9) en Isabelle (6). Dus inderdaad, waarom niet zowel Jonnie als Thérèse vragen naar hun kijk op de opvoeding van hun kinderen?
Maar zoals vaker is de praktijk net even weerbarstiger dan de theorie. Want een paar weken later, op een zonnige donderdagochtend, blijkt dat De Librije eigenlijk niet zonder Jonnie en Thérèse kan. Wel voor eventjes zonder een van beiden, maar een uur zonder allebei, dat geeft binnen luttele minuten onoverkomelijke problemen. Dus als Jonnie zit, moet Thérèse nog even wat ophalen bij de stomerij. En als Thérèse terugkomt, moet Jonnie het personeel voorbereiden op onvoorziene gasten die komen vergaderen. Die, als ze tien minuten later arriveren, door gastvrouw Thérèse moeten worden ontvangen en binnengeleid.
Rustig met het echtpaar-Boer verveine thee drinken uit een stijlvol glazen theepotje-met-wijnglas, zit er niet in, zoveel is duidelijk. En dus kwijten ze zich om beurten van de taak de verslaggever van J/M te vertellen hoe ze dat doen, tegelijkertijd een toprestaurant, hotel en gezin runnen. Ondertussen een sterk staaltje multitasken weggevend, ter illustratie van hun verhaal.
“Ik ben een andere vader dan de meeste vaders, omdat ik ander werk heb dan de meeste vaders.” We zitten aan de grote terrastafel op het kerkplein voor de ingang van De Librije en zodra het opnameapparaatje loopt, begint Jonnie meteen maar over het onderwerp waarover hij overduidelijk de meeste vragen verwacht. Aan het einde van het gesprek zal hij er nog eens op terugkomen: “Iedereen begint er altijd maar weer over. Journalisten vragen altijd of we onze kinderen niet tekort doen. Dus daarom schiet ik tegenwoordig meteen maar in de verdediging.”
En het is waar. Wie weet hoe hard Jonnie en Thérèse werken, vraagt zich in een moeite door af hoe ze dat doen, thuis, met de kinderen. Geroutineerd begint Jonnie dan ook aan zijn ‘verdediging’. “Ik zie mijn kinderen veel vaker dan de meeste andere vaders. Iedereen denkt het tegenovergestelde, maar zo is het niet. Een van ons brengt de kinderen naar school en ’s middags na school zijn we er weer voor ze. Dan loopt namelijk hier de lunch ten einde. Dat doen we tegenwoordig heel strak. We gaan niet meer om half vijf nog met gasten zitten, vergaderen of interviews geven ofzo. Om vier uur zijn we thuis. Tot een uur of zeven. En dat zijn in mijn ogen de belangrijkste uren van de dag. Spelen met vriendjes, dingen doen voor school, even kletsen, dat kunnen ze de hele middag met ons allebei. En om vijf uur eten we met z’n allen thuis. In hoeveel gezinnen gaat dat niet heel anders?”
Als een groepje mensen komt aanwandelen, valt hij even stil. Zijn ogen zoeken Thérèse , die toevallig net komt aanlopen. “Ik denk dat jij echt even gastvrouw moet spelen”, mompelt hij in haar richting, zijn ogen gericht op de mannen in de verte.
“Natuurlijk is het soms wel zwaar”, vervolgt hij terwijl hij achterover leunt. “Vooral ’s morgens, om zeven uur, als de wekker gaat. Want heel vroeg liggen wij er natuurlijk nooit in. Maar je kunt het nou eenmaal niet maken om te laat op school te komen. (Lacht) Dat was trouwens wel raar. Toen Jimmie voor het eerst naar school ging, kreeg ik zelf ook weer het gevoel alsof ik naar school moest. Al dat gedoe. Haasten om op tijd te zijn, de onrust op zo’n schoolplein, brullende kinderen, al die regeltjes over waar je je auto wel en niet mag parkeren… Ik voelde me echt weer een schooljongetje. En dat klopt eigenlijk ook wel, want ik bén soms ook nog net een kind. Daarom doet Thérèse alle gesprekjes met de juffen enzo. Want als ze tegen mij zouden zeggen dat Jimmie het niet goed doet ofzo, zou ik in lachen uitbarsten. Tenzij hij echt dingen zou doen die niet kunnen. Maar gewoon een beetje rottigheid, daar kan ik echt niet mee zitten.”
Hij valt even stil als een oudere dame doelbewust het kerkplein op komt fietsen. Ze stopt pal naast onze tafel en vist uit haar fietstas een envelop. “Bent u van hier?”, vraagt ze Jonnie, die er in zijn kraakwitte koksbuis niet méér als chef-kok kon uitzien. “Ja hoor, ik ben van hier”, antwoordt hij, maar zijn licht cynische toon ontgaat haar volkomen. “Mooi, ik heb hier een brief van de gemeente”, vervolgt ze onverstoorbaar. En met een vriendelijk “goedemiddag”, stapt ze weer op haar fiets, de eigenaar van ‘hier’ glimlachend achterlatend. Beroemder dan hij krijg je ze niet in Zwolle, maar je moet er natuurlijk wel oog voor hebben.
“Jimmie en Isabelle zijn supersociale kinderen”, vertelt Thérèse even later. “Vooral Isabelle is een geboren gastvrouw. Waar ze ook komt, ze knoopt met iedereen een praatje aan.” Of ze zich in hun kinderen herkennen? “Ja”, zeggen ze allebei. Jonnie: “En dan schaam ik me met terugwerkende kracht voor wat ik mijn moeder heb aangedaan. Want ik was nog veel erger dan Jimmie. Hij haalt wel eens rotgeintjes uit, maar ik maakte het veel bonter.” Thérèse lacht. “En daar moet je dus mee uitkijken, want Jimmie vindt dat allemaal reuze interessant. Hij vraagt de laatste tijd opvallend vaak wat wij vroeger allemaal voor stoute dingen deden. Nou, ik niks, want ik was heel braaf. Maar Jonnie, da’s een ander verhaal. En Jimmie wil er alles van weten, want als papa het vroeger deed, mag hij het ook.” “Dat zegt hij ook vaak tegen mij”, lacht Jonnie. “Maar ik zeg dan altijd dat ik nooit, maar dan ook nooit slecht ben geweest. Ik heb bijvoorbeeld nog nooit wat gejat.”
“Daar zijn we dan ook heel duidelijk over. De belangrijkste regel bij ons thuis is dat er niet wordt gelogen”, vult Thérèse aan. “Eerlijk zijn vinden wij het allerbelangrijkst. En verder moeten ze netjes zijn. Netjes tegen andere mensen en netjes aan tafel. Ze eten wat de pot schaft. Ik ga echt geen boterham smeren, omdat ze iets niet lekker vinden. Gelukkig vinden we dat allebei. We hebben over vrijwel alles precies dezelfde mening.” “Behalve over een ding”, werpt Jonnie tegen. “Ik zeg altijd dat ze gezonder moeten eten. En nou weet ik wel dat ik makkelijk praten heb, maar ik brul het toch maar af en toe. Ik wil gewoon niet dat ze vette varkens worden. Niet omdat dat niet mooi is ofzo, ik ben zelf ook niet bepaald dun, maar het is gewoon ongezond.” In dat geval weet Thérèse ook wel iets dat zij graag anders zou zien. Als Jonnie zich uitkleedt, gooit hij zijn kleren op de grond. “Ja, en dat doet Jimmie nu dus ook”, zegt Jonnie schuldbewust.
Het is wat Thérèse betreft soms best confronterend. “Aan je kinderen kun je zien wat voor mens je bent. Soms kijk ik naar ze en weet ik: ‘zo reageer ik zelf ook altijd.’ Of, wat ook wel eens gebeurt: Jimmie herinnert me aan een belofte die ik heb gedaan. ‘Als je iets belooft, moet je het doen, want dat zeg je tegen mij ook altijd.’ In ons leven is dat soms lastig, omdat we het zo ontzettend druk hebben. Maar als ik heb beloofd op zaterdagmiddag naar de speeltuin te gaan, dan schuif ik net zo lang tot ‘t toch lukt. Want de kinderen gaan nu eenmaal voor de zaak.”
Dat ze elkaar al zo lang kennen, is in de opvoeding van hun kinderen een groot voordeel, vinden ze allebei. “Wij hakketakken zelden over wat de kinderen wel of niet mogen, en al helemaal niet waar ze bij zijn”, vertelt Jonnie. “Omdat we precies van elkaar weten wat de ander vindt en denkt. Dat dat belangrijk is, weet ik al twintig jaar. Want in de keuken werkt het ook zo. Als ik ga zitten ruziën met mijn souschef, wordt het helemaal niks met het eten.” Thérèse : “De kinderen weten dondersgoed dat wij op een lijn zitten. Als iets niet van Jonnie mag, mag het van mij ook niet. Punt.” “Ouders moeten niet zo bang zijn om streng te zijn”, vult Jonnie aan. Hij glimlacht, bijna verlegen. “Mijn ouders waren ook streng, en met mij is het ook redelijk goed gekomen.”
Wat ze hopen voor hun kinderen? Jonnie weet het wel. “Ik wil dat ze worden zoals Thérèse . En ik denk dat Thérèse wil dat ze worden zoals ik.” Thérèse knikt. “En dat is makkelijk, want dat hoeven we ze dus alleen maar voor te leven. (Lacht) Maar daarbij praten we ook heel veel met onze kinderen”, voegt ze daar snel aan toe. “Met Isabelle hoef je daar je best niet voor te doen, want die kletst je de oren van je hoofd. Maar met Jimmie maak ik daar bewust iedere dag even tijd voor. Meestal als ik om negen uur ’s avonds even naar huis ga om hem een boekje voor te lezen voor het slapengaan. Dan kletsen we ook altijd even. Over hoe de dag was.”
Maar zover is het vandaag nog niet. Het is inmiddels bijna elf uur. Er moeten nog foto’s worden gemaakt en de volgende afspraak wacht. Routineus poseren ze voor de fotograaf op het grasveld. Voor de motor van Jonnie, die na de laatste foto, ongedurig geworden van het stilzitten, eventjes flink het gas opendraait. “Het is net een klein kind”, verzucht een van de mannen die geduldig staan te wachten tot Jonnie eindelijk tijd voor hen heeft. De jaloezie druipt er opzichtig vanaf.
De regels van Jonnie en Thérèse Boer
Bedtijd: Isabelle om 19.30 uur, Jimmie om 21.00 uur
Eten: gezond, eten wat de pot schaft en verantwoord, zo min mogelijk fast food
Computer: Jimmie mag een uur per dag computeren
Televisie: Met mate en in overleg
Zakgeld: Jimmie krijgt zakgeld vanaf zijn 7e jaar
Omgangsvormen: eerlijk, open vriendelijk, rekening houdend met de medemens en je best doen., doorzetten.
