Van verdedigen naar uitleggen
Elsevier-hoofdredacteur Arendo Joustra (52) stapt eind mei op als voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. ‘Ik ben geschrokken van de staatsvijandige houding tegenover de journalistiek. Dat is een kwalijke tendens, die iedere burger aangaat.’
Dat er zo weinig wordt geschreven over de hoofdredacteur ligt misschien wel voor de hand omdat het een functie is die zich moeilijk laat omschrijven, schreef Joustra in de epiloog van ‘Storm in de media’ (2009), dat ter ere van het vijftigjarig bestaan van het Genootschap werd uitgegeven. Hij citeert ook Hugo Brandt Corstius, die de hoofdredacteur een ‘schaap met zeven poten’ noemt: ‘Hij is zakenman, redactiehoofd, naar buiten toe een deftige mijnheer, hij moet verstand van wijn hebben, hij moet een letterkijker zijn, onzichtbaar, en een columnistendrijver’. Voorwaar geen gemakkelijk job, al is Joustra de laatste die er zwaar over doet. Maar dat de tijden ook voor hoofdredacteuren zijn veranderd heeft hij als voorzitter de afgelopen vier jaar van dichtbij kunnen zien.
‘Hadden we NRC er maar bij kunnen houden’, verzucht Joustra op zijn werkkamer in de kantoortoren van Reed Elsevier in Amsterdam-Sloterdijk, doelend op het vertrek van de krant uit het Genootschap onder toenmalig hoofdredacteur Folkert Jensma – alweer een aantal jaren geleden. Aanleiding voor de opmerking is het recente, gedwongen opstappen van NRC-hoofdredacteur Birgit Donker.
Een hoofdredacteur bevindt zich volgens Joustra per definitie in een moeilijke positie, laverend tussen belangen van directie, redactie en lezer. ‘Er rijst een eenzaam beeld op uit de gang van zaken rond Donkers’ ontslag. Ik weet de details niet exact, maar het was mooi geweest als ze haar beslissing en het dilemma waarmee ze kampte had kunnen toetsten in een veilige omgeving. Ik heb overigens meerdere pogingen gedaan NRC terug te krijgen bij het Genootschap. Ik heb een mailtje gestuurd om haar sterkte te wensen.’ Het Genootschap bespreekt de zaak – ook al is NRC geen lid – op de jaardag van 28 mei.
Sparren, je mening toetsen aan anderen die in een vergelijkbare positie zitten, is volgens Joustra een belangrijke functie van dit bonte gezelschap van hoofdredacteuren. ‘We zijn ook een kenniscentrum, waarbij in vertrouwen informatie kan worden uitgewisseld over uiteenlopende zaken als hoe om te gaan met financiën, het correspondentennetwerk of het Koninklijk Huis.’
De rechtspositie van de hoofdredacteur is aan het veranderen, constateert Joustra. ‘Omdat de eigendomsstructuren wijzigen.’ Volgens de klassieke structuur waren media in handen van de overheid, courantiers, stichtingen of beursgenoteerde ondernemingen. ‘Nieuw zijn de vrije jongens met geld die een krant willen. Mensen als Derk Sauer (NRC), Roel Pieper (eigenaar van opinieweekblad Opinio dat een kort leven was beschoren) en Christian Van Thillo (De Persgroep) bemoeien zich ook met de inhoud. Sauer belt niet alleen naar de redactie van NRC als hij een kop niet goed vindt, hij uit dit ook publiekelijk. Dan val je wel je eigen mensen af. Voor hoofdredacteuren is het Genootschap bij uitstek een forum waarin je dit soort dingen bespreekt.’
Er bestaat voor de organisatiestructuur van een medium geen blauwdruk die succes garandeert, vindt Joustra. ‘En in het geval van NRC is het ook raar als de eigenaar helemaal niks zou mogen zeggen. Maar als de directie zich het geestelijk eigendom van een krant toeeigent (zoals er in het geval van NRC een conflict ontstond over wie de baas is van het merk NRC: de directie dan wel de hoofdredactie, red.) zal de wal het schip keren. Hier in huis krijgen nogal wat uitgaven het stempel Elsevier mee. Maar dat gebeurt altijd onder mijn bewind. Mijn directeur zou niet anders willen. Het merk wordt immers geladen door de redactie. De directie heeft haar daarvoor ingehuurd en moet dat dus aan haar overlaten.’ De recente gebeurtenissen bij NRC kunnen volgens hem nog wel eens averechts uitpakken als dit principe werkelijk is geschonden. ‘De redactie is gewaarschuwd. Ze staat nu op scherp.’
Het Genootschap is behalve ‘kenniscentrum’ vooral beroepsvereniging die op gezette tijden lunches houdt met bewindslieden of andere vertegenwoordigers van openbaar bestuur, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven, waarbij de nadruk ligt op hun opvattingen over en contacten met de Nederlandse media. Joustra: ‘In dit polderland moet je toch aan het OM, de AIVD, de burgemeesters en verzekeraar blijven uitleggen hoe de journalistiek in Nederland werkt. Dat is een belangrijke taak. Je hoeft het niet eens te worden, maar je moet laten zien dat de journalistiek verbindt. Dat we zonder journalistiek in een woestijn zouden leven. We leggen dwarsverbanden in de samenleving en slaan bruggen tussen politiek en bevolking, bedrijven en burgers. Dat gaat met schokken. En lang niet altijd perfect. Maar dat we er zijn en een belangrijke functie hebben moet steeds weer onder de aandacht worden gebracht.’
Joustra reisde de afgelopen jaren dan ook naar vele uithoeken van het land om zich te verantwoorden en – aanvankelijk – te verdedigen tegen de soms felle aanvallen die de media de afgelopen jaren te verduren kregen. ‘Gaandeweg ben ik steeds meer gaan uitleggen. Omdat daar zoveel behoefte aan is. Het mechanisme de boodschapper de schuld te geven zit diep. Maar als je uitlegt dat wanneer de journalistiek meldt dat het regent, ze niet zelf voor die regen heeft gezorgd maar slechts tijdig heeft gewaarschuwd zodat je een paraplu kunt kopen, begrijpen mensen dat beter.’
Het gezamenlijk opkomen voor belangen via het Genootschap is in tijden van crisis moeilijker, zo merkte Joustra de afgelopen twee jaar. ‘Als het slechter gaat zakt het water en ervaar je sterker dat je ook elkaars concurrenten bent. Denk aan tegenstellingen tussen de publieke en particuliere media, maar ook – door de Persbrief van Plasterk – aan kranten versus omroepen. Daarom hebben we drie jaar geleden besloten dat we er niet zijn voor het verdienmodel of elkaar de maat gaan nemen naar de wijze waarop het medium waarvoor we werken zijn geld verdient, bijvoorbeeld door af te geven op de reclame van de publieke omroep.’ Concentreer je op wat bindt, niet op wat scheidt, is het motto geworden. Het in ere houden van de journalistiek is zo’n – ongevaarlijk maar belangrijk – onderwerp waarin alle partijen zich kunnen vinden. Het leverde participatie in De Tegel (journalistieke jaarprijzen) en de oprichting van het Persvrijheidfonds op (samen met de NVJ), naast een succesvolle lobby voor een (concept)wet voor verschoningsrecht.
Echt geschokt – tot twee keer toe – was Joustra door de reactie van overheid en Justitie op De Telegraaf, toen bleek dat de krant staatsgeheimen in bezit had. De eerste keer (in 2006) werden de journalisten Joost de Haas en Bart Mos voor enkele dagen gegijzeld omdat zij hun bronnen niet wilden prijsgeven. ‘Ze werden maandenlang onterecht afgeluisterd.’ De tweede keer (2009) werd huiszoeking gedaan bij journaliste Jolanda van der Gaaf op grond van de verdenking dat zij staatsgeheimen in haar bezit had. Joustra: ‘Journalisten staan niet boven de wet. Maar om zomaar je huis binnen te vallen gaat erg ver. Het gevaar is ook dat steeds meer documenten het predikaat staatsgeheim krijgen. Ik ben vooral geschrokken van de staatsvijandige houding tegenover de journalistiek. Dat is een kwalijke tendens, die iedere burger aangaat.’
foremus@villamedia.nl
——-


Praat mee