Spitten in een verborgen geschiedenis
Het is misschien wel de grootste scoop van het jaar. Joep Dohmen (NRC) en Robert Chesal (Wereldomroep) vormden een gelegenheidsduo en wisten in een serie artikelen het structurele seksueel misbruik in de katholieke kerk in Nederland bloot te leggen. ‘Ik ben bang dat de bodem van de beerput nog niet in zicht is.’
Het staat er goed in vandaag. Frontpage news.’ Joep Dohmen en Robert Chesal komen tevreden de gelegenheid binnen waar het interview plaats zal hebben. Ze geven elkaar een stevige handdruk en een bemoedigende klop op de schouders. Zojuist publiceerden NRC en de Wereldomroep online het zevende artikel in een reeks verhalen over kindermisbruik in de katholieke kerk rond de jaren vijftig en zestig. Over blinde kinderen van een jaar of zes, misbruikt door fraters op het blindeninstituut in Grave. Weer een dimensie toegevoegd aan wat een steeds omvangrijker schandaal wordt. Een schandaal waarvan de eerste contouren zichtbaar werden toen Dohmen en Chesal op 26 februari een verhaal publiceerden over structureel misbruik op een rooms-katholiek internaat in ’s-Heerenberg. Chesal, vol afgrijzen: ‘Ik ben bang dat de bodem van de beerput nog niet in zicht is.’
Opmerkelijk genoeg ontmoeten Dohmen en Chesal elkaar nu voor het eerst. De vruchtbare samenwerking tussen de twee verliep tot nu toe uitsluitend via telefoon en e-mail. Het was Chesal die half februari gealarmeerd raakte door de Ierse bisschoppen die bij de paus op het matje werden geroepen wegens seksueel misbruik binnen de kerk. Chesal, van oorsprong Amerikaan, vroeg zijn collega’s of dat soort zaken in Nederland al eens boven water was gekomen. Daar werd door sommigen wat schouderophalend op gereageerd. Chesal: ‘Die zeiden sceptisch: “We hebben die verhalen hier en daar gelezen. We weten het wel.” Anderen waren meteen enthousiast, dus ben ik die avond gaan speuren. Al gauw vond ik op een webforum een reactie van iemand die zei dat hij was misbruikt door Salesianen. Hij nodigde me uit voor een interview, in Nijmegen.’
Na afloop wist Chesal niet waar hij moest beginnen met het zoeken naar bevestiging: ‘Ik ben geen onderzoeksjournalist.’ Als trouw lezer van NRC wist hij dat de krant in 2002 al eens wat had gepubliceerd rond deze kwestie en hij belde onderzoeksjournalist Joep Dohmen. Die trok zijn oude dossiers nog eens uit de kast en belde een uur later terug. “Robert, we moeten samenwerken.”’
Dohmen: ‘Via via kwam ik bij twee mede-slachtoffers uit die de eerste getuigenis ondersteunden.Toen heb ik contact gezocht met meneer Marsman, een broeder Salesiaan. Die zei dat hij ervan wist. Dat gesprek heb ik opgenomen uiteraard, want voor je het weet vergeet die meneer Marsman dat-ie het heeft gezegd.’
Chesal: ‘Ik weet nog dat je me belde: “Ik heb bevestiging.” Dat was het moment waarop ik dacht: dit is het.’
Chesal: ‘De timing was goed. Duitsland was net in de ban van onthullingen over de orde van Salesianen. Ik denk dat een heleboel journalisten het in hun achterhoofd hadden op dat moment.’
Dohmen: ‘Juist op dat moment was in Nederland ook grote verontwaardiging over de katholieke kerk ontstaan omdat die homo’s de deur wees en zei: je kunt geen hostie krijgen. Dat leden van diezelfde katholieke kerk kinderen misbruikten… daar droop de hypocrisie natuurlijk vanaf. ’
Dohmen: ‘Je maakt maar zelden mee dat er zo’n constante nieuws-flow is over één onderwerp. Rondom 10, NOS Journaal, de hele mikmak dook erop. Het gaat niet om regie, het is niet zo dat wij als kloeken op de kuikens zitten. Het is juist goed dat andere media ook op zoek gaan naar een dader, een bekentenis, slachtoffers. Uitstekend zelfs!’
Chesal: ‘Ik ben wel bang dat teveel journalistieke organisaties één man zijn verhaal laten vertellen en dan denken dat daarmee de kous af is. Dat ze het terzijde schuiven en volgende week weer met iets anders bezig zijn.’
Dohmen: ‘De Telegraaf-manier hè. Een man vertelt z’n verhaal, mooie foto erbij. Dan denk je: schokkend, het is me wat. En dat is dat. Maar wij dachten: laten we nou kijken of we aannemelijk kunnen maken dat het structureel was.’
Chesal: ‘Was er een patroon, een structuur?’
Dohmen: ‘Zoeken naar bevestiging. Namen van fraters. Zo bouw je zo’n zaak op. En zo kun je uiteindelijk een gefundeerde conclusie trekken. Eén instituut per keer.’
Dohmen: ‘Als Stichting Hulp en Recht (rooms-katholieke hulpinstelling, red.) in twee weken tijd ruim zeshonderd meldingen binnenkrijgt, geeft dat aan dat er een serieus probleem is. En ik denk dat zelfs de rooms-katholieke kerk niet meer ontkent dat het een serieus probleem is geweest.
De bisschop van Haarlem erkende vorige week dat het hele rooms-katholieke systeem van internaten fouten bevatte. Met een gebrek aan toezicht, bewustzijn en correctie.’
Chesal: ‘Het is een vaker gehoorde beschuldiging. Maar ik wil geen uitspraken doen over meer of minder misbruik – waar dan ook. We hebben het nu híerover.
Ik vind het eigenlijk een wat we in Amerika red herring noemen: iets wat je in de discussie gooit om mensen op een ander spoor te brengen. Om de aandacht af te leiden van het werkelijke probleem.’
Dohmen: ‘Ze voeren een georganiseerde mediastrategie. De rooms-katholieke kerk heeft recht op zendtijd, en die laten dat verzorgen door de RKK-KRO. Laten we zeggen – en nu moet ik mijn woorden zorgvuldig kiezen – dat het interessant is om te zien hoe de RKK-redactie omgaat met nieuws uit eigen parochie. Het is sinds het begin van deze affaire his masters voice. De jaren vijftig zijn weer terug, of nooit weggeweest.
Een mooi voorbeeld is dat wij graag met bisschop Van Luyn wilden spreken. In de jaren 70 was hij als hoogste bestuurder verantwoordelijk voor de orde van Salesianen. Ons verzoek om een interview weigerde hij drie keer. Vijf minuten nadat wij hadden gepubliceerd, werd hij warm ontvangen door de RKK, waar hij op een vriendelijke manier kon vertellen dat hij het natuurlijk heel erg vond.’
Chesal: ‘Volgens mij wilde hij geen kritische journalisten tegenover zich, maar een geregisseerde situatie. Wij hebben alleen zijn woordvoerder te speken gekregen. Die voorzag ons vervolgens van, ja, desinformatie eigenlijk. Informatie mag je het niet noemen.’
Ze vertellen over het e-mail verkeer dat ze hadden met de woordvoerder van de bisschop. Een interview werd afgehouden omdat Van Luyn behalve tijdgebrek, een inhoudelijk bezwaar had: hij zou in 1967, toen op het internaat in ’s-Heerenberg een intern onderzoek naar misbruik plaatsvond, daar inmiddels geen leraar Latijn meer zijn geweest. Chesal: ‘Ik keek daar een beetje raar van op. Op zijn cv, die online staat, stond toch echt het tegenovergestelde. Ik heb er een screenshot van gemaakt.’ Een paar dagen later is de cv aangepast, het jaartal van zijn vertrek veranderd. Dohmen: ‘Zo werd Van Luyn gezuiverd van elke verdenking dat hij iets had kunnen weten van misbruik daar.’ Chesal: ‘Toen ik dát zag kreeg ik de smaak van onderzoeksjournalistiek te pakken. Het roept alleen maar meer vragen op.’
Chesal: ‘Die commissie moet zich bezig houden met waarheidsvinding. Feiten boven water halen. Op een striktere en juridischer manier dan dat wij er mee bezig zijn.’
Dohmen: ‘De uitkomst hangt af van welke toegang ze krijgen. Heel veel informatie zal opgeslagen liggen in de archieven van al die ordes. Bij een normaal justitieel onderzoek vindt er een doorzoeking plaats, maar daar is nu geen sprake van. Ze kunnen niemand onder ede horen en alleen maar heel vriendelijk vragen: mogen we wat stukken uit uw archief hebben? Of ze dan belastende stukken krijgen of niet, wie zal het zeggen?’
Chesal: ‘Ik zou er niet eens iets mee te maken wíllen hebben. Dat overschrijdt de grens van wat een journalist hoort te doen. Ik ga wel heel kritisch kijken naar waar die commissie straks mee komt.’
Dohmen: ‘Van ons kan niet gevraagd worden dat we het onderzoek van een commissie Deetman gaan doen. Of dat wij hier als Officieren van Justitie een pseudo strafrechtelijk onderzoek leiden tegen de rooms-katholieke kerk. We hebben hier te maken met een verborgen geschiedenis en het is maatschappelijk belangrijk dat die verteld wordt. Dat is wat wij kunnen, en ook doen. Robert en ik hebben zeker nog twee verhalen in het vat. Ik denk dat journalisten onderling vaker elkaar moeten samenwerken, zo krijg je veel meer boven tafel.’
Dohmen: ‘Onvoorstelbaar. Ik vind het raar dat een goedlopend programma als Nova verdwijnt. Dat is alsof je een goedlopende krant hebt en zegt: “We hebben nu een aantal jaren NRC Handelsblad gemaakt. Nou gaan we eens een hele andere krant maken”.’
Chesal: ‘Ik vind het idioot. Heb je het interview van Clairy Polak met bisschop De Korte van Groningen gezien? Hij doet de woordvoering over deze kwestie. Ik vond dat geweldig. Ze heeft ’m echt stévig aan de tand gevoeld.’
Dohmen: ‘Ja, ja. Dat was geen RKK-interview hoor!’
lnab@villamedia.nl
——-


Praat mee