Sleeping giant moet ontwaken
De geschiedenis van OOR is er een van vallen, opstaan en stoïcijns doorgaan. Het muziekblad balanceerde vaak op het randje van de afgrond, maar vocht zich even zo vaak terug. Hoe een vechtertje zich naar het 40-jarig jubileum heeft gewerkt.
1971 Het jaar dat John Lennon zijn Imagine zong voor een betere wereld, en het jaar waarin Nederland voor het eerst kennismaakte met muziekkrant OOR. Een krant bedacht en gestart door student politicologie Barend Toet. Opgegroeid in een sober, naoorlogs gezin waar uitsluitend lichte klassiek en Franse chansons werden gedraaid, raakte hij eind jaren ’60 gefascineerd door de anarchistische sixties-beweging en de maatschappijkritische popmuziek die daarbij hoorde: Bob Dylan, Janis Joplin, Lennon, McCartney.
OOR moest een krant worden geënt op de gezaghebbende internationale muziekbladen Rolling Stone en Melody Maker. Een blad dat onafhankelijke, serieuze popjournalistiek voorstond zoals je die in Nederland nog niet had. Journalistiek waarin muziek en politiek als vanzelfsprekend bij elkaar zouden komen. Toet: ‘Het was een tijd waarin allerlei kleurige muziek de belofte gaf dat het leven wat moois kon worden. In een eenparig versnelde beweging.’
Als popjournalist voor Het Handelsblad en de Nieuwe Linie liep Toet Berry Visser tegen het lijf, oprichter van de startende concertpromotor Mojo. Toen die zonder blikken of blozen 15.000 gulden op tafel legde als startkapitaal in ruil voor een levenslange advertentie op de achterpagina, was OOR geboren.
Zo makkelijk kon het gaan. Op 1 april 1971 rolde de eerste OOR van de pers. 16 pagina’s op A3-formaat waarvan 8 gevuld met advertenties. 50 guldencent kostte het ter introductie. Daarna 85 cent.
De muziekkrant werd vrijwel direct een succes onder het lezerspubliek, maar aan de zakelijke kant viel het nog niet mee. Toet: ‘De start van OOR was enthousiast maar amateuristisch. We hadden nauwelijks verstand van zaken. De eerste begroting schreven we met de hand op een notitieblok. Wellicht dat er een zakjapannertje bij kwam kijken, maar misschien ook wel niet.Voor hetzelfde geld waren we al binnen een paar weken onderuit gegaan.’
Dat gingen ze niet, maar wie veertig jaar OOR in vogelvlucht bekijkt, ziet dat liquiditeitsproblematiek als een rode draad door de OOR-geschiedenis loopt. In 1972, een jaar na oprichting, balanceerde OOR al op het randje toen bleek dat het een verlies had gedraaid van pak ’m beet 80.000 gulden. Om de krant te reanimeren was een verdubbeling van de oplage nodig, waardoor opheffing dreigde. Op het nippertje werd het koud anderhalf jaar oude OOR gered door een succesvolle Nederpopspecial waarbij gratis een singeltje van Peter Koelewijn was bijgesloten. Het verkocht 13.500 exemplaren, bijna een verdubbeling. Toet: ‘Die sprong voorwaarts heeft ervoor gezorgd dat we ons de tijd erna konden redden, al was het op ons tandvlees.’
Dat gold gek genoeg ook voor de jaren ’70 en begin jaren ’80, toen OOR hoogtijdagen beleefde en met een oplage tegen de 65.000 exemplaren uitgroeide tot een grote speler in de markt. De krant werd de spreekbuis van een hele generatie; iedereen die ook maar een beetje hip of cool was, las OOR.
Maar de schulden stapelden zich op. ‘Het bedrijf werd langzaam maar zeker een zeppelin vol gebakken lucht – lees: onverantwoord hoge leningen – maar niemand had het in de gaten’, schrijft Toet over die periode in ‘Keihard en Swingend’, het boek over de jongensjaren van OOR dat aan de vooravond van het 40-jarig jubileum verschijnt. In 1977, net voordat Elsevier OOR en diens nieuwe zusterblad Hitkrant overneemt, staat de vennootschap op een verlies van acht ton. ‘Ik moet je zeggen; in mijn tijd heeft het nooit winst gemaakt’, zegt Toet nu. Hij zwaaide af drie jaar nadat OOR bij Elsevier was ondergebracht en hij gaandeweg en tot zijn spijt steeds dieper in directionele functies verzeild was geraakt. Aan zijn vertrek hield hij niet meer over dan een paar maanden aanvullende uitkering. ‘We waren een reus. Maar op lemen voeten.’
Onder de vlag van Elsevier komt OOR uiteindelijk in rustiger vaarwater. Het is de tijd van de introductie van de CD, die de muziekindustrie en dus ook OOR weer een fijn duwtje in de rug geeft. Het is ook de tijd dat OOR de redactionele formule verbreedt en naast muziek plaats vrijmaakt voor film, theater, strips en literatuur. OOR zoekt al naar de juiste samenstelling sinds de Punk zijn intrede deed in de loop van de jaren ’70. Voor die tijd was popmuziek een overzichtelijk genre geweest. De punk vormde de eerste ‘splijtzwam’. Toet: ‘De bereidheid bij de lezer om punk en symfonische rock in hetzelfde blad te zien staan, was er niet meer.’ Daarna werd het muziekaanbod alleen nog maar breder en gevarieerder, en de liefhebbers van die verschillende stijlen tolereerden elkaar niet altijd.
Het betekende de introductie van lezersonderzoeken in de jaren ’80 en ’90 die konden helpen de formule bij te schaven, al bleef die altijd breed. ‘Die breedte is altijd ons sterke en zwakke punt geweest’, zegt Koen Poolman, sinds 1996 betrokken bij OOR en inmiddels hoofdredacteur, een functie die hij deelt met Erik van den Berg. ‘Als je in de algemene zin van muziek houdt moet je OOR lezen. Dan ben je in één keer bij. Maar het wordt ons ook verweten dat we geen keuzes maken.’ Vandaag de dag wordt OOR simpel gezegd gemaakt voor het Lowlands- en Pinkpoppubliek, een stuk minder breed dan voorheen. Met alternatieve, overwegend blanke popmuziek met zijweggetjes naar dance en hiphop. De lezersonderzoeken heeft de redactie inmiddels losgelaten. Redacteuren gaan weer uit van hun eigen smaak en interesses. Van den Berg, die al sinds 1984 bij OOR werkt: ‘Een blad moet een bepaalde arrogantie hebben. Dit vinden wij goed; luister ernaar! Ik denk dat we wat dat betreft weer net zo eigenwijs zijn als in de jaren 70.’
Maar in de jaren ’90 werkte de verbrede formule in eerste instantie aardig en Elsevier wist OOR te verkopen aan de Telegraaf Tijdschriftengroep (TTG). Daar bleek het blad niet zo op zijn plek. ‘De Telegraaf, dat was toch een wat oudere meneer’, zegt Van den Berg. ‘Zaten we daar, een hip en jong blaadje dat er niet thuis hoorde.’ Oplagedaling en tegenvallende advertentiekosten kwamen dat gevoel niet ten goede. ‘Als Erik de Vlieger ons niet had gekocht, denk ik dat we gedumpt waren, of opgeheven.’
Luchtvaart- en vastgoedmagnaat Erik de Vlieger – toen nog niet geassocieerd met allerhande schimmige praktijken – had al een paar keer een bod op OOR gedaan en kreeg het begin deze eeuw uiteindelijk in handen. Hij had die tijd zo’n beetje alle ter zaken doende muziekbladen onder zijn hoede, en breidde zijn media-imperium IMCA Media Groep uit met radio- en tv-zenders, meer tijdschriften en een krantentak, al mislukte in 2003 zijn poging om Het Parool over te nemen. ‘Een cowboy-uitgever’, zegt van den Berg. ‘Op dat moment was hij in zekere zin onze redding. Aanvankelijk leek het ook alsof hij bereid was om allerlei gekke investeringen in ons te doen. Het bedrijf oogde ook heel jong en fris. Maar het bleek als snel een luchtballon die leegliep.’
Al na een jaar zag de redactie het bedrijf van De Vlieger voor de ogen afbrokkelen, maar OOR bleef in eerste instantie ongemoeid. Pas toen de zakenman steeds vaker negatief in het nieuws verscheen, begonnen de zorgen. En die bleken terecht toen de directie na verloop van tijd besloot freelancers van onder meer OOR veel te laat of helemaal niet meer te betalen voor hun werk. De beroepsgroep sprak er schande van, veel freelancers liepen weg maar de IMCA Media Groep hield de poot stijf: freelancers hadden de lange betalingstermijn te accepteren, anders ging de stekker eruit. Ondertussen werkte de redactie stoïcijns door en lag er nog steeds elke twee weken een nieuwe OOR in de winkel, al was het in flink uitgedunde versie. Poolman: ‘OOR had eigenlijk een te grote jas aan, terwijl het begin jaren ’90 al slechter ging in de tijdschriftenmarkt. De redactie was gewoon te zwaar, dat moest een keer fout gaan. En dat ging het.’ Van den Berg: ‘Een hele vervelende situatie. We kregen, buiten onze schuld om, een heel negatief imago.’
De betalingsproblemen hielden een paar jaar aan. Bloggers adviseerden de OOR-redacteuren om het ‘zinkende schip’ te verlaten, en elders opnieuw te beginnen. Maar ze bleven. Van den Berg: ‘Ik werk al meer dan de helft van mijn leven voor OOR. Ik ben er zo mee vervlochten. Zomaar eruit stappen, een nieuwe titel beginnen om vervolgens met je eigen kindje te concurreren; dat doe je niet.’ Wat er over was van de tijdschriftentak van De Vlieger maakte uiteindelijk een doorstart binnen Argo Media Groep van Frans Makau, een vriend van De Vlieger en voorheen directeur in diens bedrijf. Er moest flink bezuinigd; OOR fuseerde in 2005 met muziekblad Aloha – voor de oudere muziekliefhebber – en werd een glossy maandblad. Het duurde nog maanden voor de betaalachterstanden waren weggewerkt. En nu? Van den Berg: ‘Ik kan niet roepen dat het fantastisch gaat. We weten te overleven. Dat kost al moeite genoeg.’
Parallel aan bestuurlijke problemen vecht OOR sinds de jaren ’90 met wat misschien wel de grootste uitdaging is uit zijn geschiedenis: het internet. De muziekindustrie is keihard onderuit gegaan sinds alles online terug te vinden is, en de consument nooit wende ervoor te betalen. Bovendien ziet OOR de gidsfunctie waar het ooit zoveel faam mee maakte langzaam maar zeker naar internet verdwijnen, waar YouTube, Spotify en vele bloggers nieuwe sensaties in de popmuziek razendsnel oppikken. Van den Berg: ‘De voorsprong die je vroeger op je lezers had, wordt steeds kleiner. Die weten alles al over nieuwe platen; ze hebben ze vaak eerder gehoord dan jijzelf.’
Ooit een massablad, is OOR nu een niche titel met een bescheiden oplage van 15.000. Een beetje wrang is dat wel: OOR is op zijn kleinst terwijl het muziekaanbod en de muziekbeleving volgens Poolman nooit groter is geweest. ‘Dat hele internet lijkt wel gemaakt voor de muziekliefhebber. Op YouTube worden artiesten miljoenen keren bekeken, maar de journalistiek heeft daar geen bal aan.’ Toch ziet Poolman OOR als een ‘sleeping giant’, die de gidsfunctie binnenkort weer op zal pakken. Online. ‘Door alle financiële perikelen is Oor.nl met een leeftijd van 9 jaar de typemachine onder de websites geworden. Online hebben we van alles laten liggen, en dat gaan we inhalen.’ Tegelijk met het jubileum wordt een nieuwe website gelanceerd, waarin moderne middelen als Twitter, facebook en Spotify zijn geïntegreerd.
Zo is de popjournalistiek drastisch veranderd sinds Toet in de jaren ’70 OOR oprichtte. Toen kreeg je plaatjes toegestuurd voordat je een paar dagen met een band mee toerde. Tegenwoordig mag je via streaming één, hooguit twee keer naar een nieuwe plaat luisteren alvorens je de desbetreffende artiest twintig minuten te spreken krijgt. Een paar dagen optrekken met een band gebeurt nog zelden. Poolman: ‘Het is een arbeidsintensieve klus. Drie, vier dagen op tournee en dan een verhaal van drie pagina’s schrijven – dat kun je niet doen voor het tarief dat wij betalen. En onze vaste redacteuren? Die kunnen in dezelfde tijd twee andere verhalen maken.’
Toet vindt het jammer. Volgens hem is het huidige OOR verworden tot een consumentengids voor de popliefhebber. ‘Een platenlijstje.’ Niet het literair hoogdravende blad dat hij ooit voorstond, al vindt hij het schrijfniveau ‘behoorlijk op peil’ en is hij verguld dat OOR de ‘briljante’ fotograaf Corbijn zijn eerste podium heeft gegeven, al was dat na zijn tijd.
Van den Berg haalt er zijn schouders over op. ‘We doen nu gewoon andere dingen. Gestuurd door de mogelijkheden die er nu zijn.’ Een uitspraak als die van Rupert van Woerkom, die in ‘Keihard en Swingend’ mag zeggen dat OOR dood is maar het zelf alleen nog niet weet, doet het duo niets. Ze hebben het al zo vaak gehoord. Poolman: ‘We zullen eens laten zien dat we het nog steeds kunnen. Ja, we zijn nu een nichetitel. Maar heb je gezien hoeveel nichetitels er in de kiosk liggen? Als je je bewust bent voor wie je het blad maakt en je doet dat goed, dan heb je bestaansrecht.’
——-


Praat mee