Oh W, Libië!
WEBLOG We waren al bijna in Libië toen de piloot het volgende zei: ‘dames en heren, ik ga u iets vertellen, het is niets ernstigs, maar we keren weer om. Naar Londen. Hij koos zijn woorden zorgvuldig. Hij wist wie hij aan boord had en kwam hoogstpersoonlijk de Nederlandse journalisten (NOS, Eénvandaag, Wereldomroep) uitleggen dat een zandstorm boven Tripoli heus de reden was van de onverwachte wending. De volgende dag kwamen we er alsnog. Net voor de landing hielden we de adem in toen we beneden zagen hoe het soms ook kan aflopen. Nadat we in de hal, zonder visum, met visum, met halfbakken visum, allemaal hartelijk waren verwelkomd, wilden we graag zo snel mogelijk naar De Plek.
Dat ging in Libië zomaar niet…
Eerst naar het hotel, in het centrum. Met een ‘begeleider.’ Rondhangen. En dan toch weer terugrijden, naar het vliegveld waar het journaille zowaar vrij mocht wandelen, over de rampplek. We konden alles bekijken: schoenen, een reisdagboek, een knuffelbeer, en de pagina ‘W’ uit ‘Wat en Hoe zeg ik het in het Zuid-Afrikaans.’
Wasknijper=wasgoedpenniekie.
De inzittenden hadden er ongetwijfeld tijdens hun vakantie vaak om moeten lachen, die rare taal.
We liepen nog wat rond. Een kolonel van politie vertelde dat hij Ruben had gevonden, met zijn riemen nog om, in zijn vliegtuigstoel.
Even later was het dagboek weg. Er zijn teveel journalisten om te verdenken.
Ik weet alleen van de ‘W’ en denk na over het Waarom en het Wat. Van de ramp, maar ook van onze massale aanwezigheid, op deze vrijmarkt van verwoeste levens.
En wat doen we hier tot en met wat de Zuid-Afrikanen noemen: de naweek?


Praat mee