foj 2019

— vrijdag 19 oktober 2012, 11:00 | 0 reacties, praat mee

Niet zeuren, maar leveren?

Berend Vonk

Waar liggen je eigen grenzen als journalist tegenover die van je redactie en wat doe je wanneer je chef iets van je vraagt wat je simpelweg niet trekt? Jonathan Maas put uit eigen ervaring en spreekt over zijn ethische grenzen met oud AD-collega Peter de Knegt en freelance rechtbankverslaggever Chris Klomp.

Het is even voor twaalf uur ’s middags, 18 april 2008, wanneer op de redactie van het Algemeen Dagblad brekend nieuws binnenkomt. De zoon van de vers geïnstalleerde commandant der strijdkrachten Peter van Uhm, Dennis, is in Afghanistan omgekomen. Of ik als verslaggever van de nieuwsdienst in mijn auto wil springen en met piepende banden naar het dorp van de familie wil rijden: Grave, Noord-Brabant.

Tijd om na te denken is er niet. Onderweg in de auto begint het te schuren. Wat is dit voor opdracht?, denk ik bij mezelf. Ik moet bij rouwende ouders aanbellen om een reactie op het overlijden van hun zoon. Hopelijk volgt er wat mijn redactie betreft nog een gesprekje op over wat voor jongen Dennis was; de krant wil graag een profiel van de jongen.

Ik zie alleen onmogelijkheden en weet niet of dit nu komt omdat ik een slechte journalist ben die te beschroomd is voor dit soort werk of dat de opdracht elke banaliteit overschrijdt. De knoop in mijn maag wordt per kilometer groter en uiteindelijk gooi ik de auto een paar kilometer voordat ik Grave binnenrijd de berm in. Ik bel mijn chef en bespreek mijn bezwaren tegen de opdracht. Ik kan het niet, wil het niet.

Gelukkig toont hij begrip voor de situatie en stelt zich coulanter op dan de middentafel die wil dat ik niet zeur maar lever. Het compromis is dat ik wel het dorp in trek, een kroeg in duik en contact probeer te zoeken met vrienden en bekenden van de overleden militair. Dat doe ik. Al voel ik me nog steeds een lijkenpikker, alles is beter dan bij de treurende ouders voor de deur liggen. Wanneer ik aan het eind van de middag naar huis rijd, besef ik dat ik weg moet bij deze krant. Dergelijke opdrachten zullen niet de eerste en de laatste in hun soort zijn en ik trek ze niet.

Gelukkig kan ik een paar maanden later verhuizen naar de redactie van Trouw, die dit soort opdrachten niet laat uitvoeren. Later zal ik er als freelancer voor andere redacties weer tegenaan lopen: waar liggen je eigen grenzen als journalist tegenover die van je redactie en wat doe je wanneer je chef iets van je vraagt wat je simpelweg niet trekt? Hoe gaan andere journalisten daarmee om?
Een van mijn toenmalige AD-collega’s is Peter de Knegt.

In de ruim twintig jaar dat hij in de journalistiek zit, heeft hij ‘zeer lastige zaken’ in de schoot geworpen gekregen. Binnen en buiten de AD-redactie gold hij als een brutale journalist wiens grenzen een stuk verder lagen dan de mijne. Dat weet De Knegt zelf ook, 51 jaar en inmiddels sinds drie jaar zelfstandig journalist/onderzoeker met zijn bedrijf Meester&Knegt. ‘Ik ben schaamteloos’, zegt hij. ‘Jij was bescheidener, paste beter bij Trouw.’ Mission impossible, was zijn bijnaam. Wanneer een redacteur vastliep op een zaak, werd De Knegt er bij gehaald.

Had hij de opdracht die ik van het AD kreeg wèl tot een goed einde gebracht? Had hij aangebeld bij de familie Van Uhm? Hij reageert onomwonden: ‘Een waanzinnige opdracht. Die ouders hebben wel wat anders aan hun hoofd dan een verslaggever te woord staan met ‘hoe voelt u zich?’ Dit zou ik ook nooit hebben gedaan.’ Toen hij in 2008 op Bonaire zat om verslag te doen van de moord op de Nederlandse stagiaire Marlies van der Kouwe wilde het AD dat hij bij de ouders van het omgekomen meisje aanklopte, die in hetzelfde hotel verbleven.

De Knegt weigerde. Wel schreef hij de ouders een brief met zijn contactgegevens, voor het geval zij er zelf voor zouden kiezen met hem te willen praten. ‘Daar stopte het voor mij’, resumeert De Knegt. ‘Kranten willen alles. Media zijn als de dood iets te missen dat anderen wel hebben. Ik heb geleerd mijn eigen afwegingen te maken.’

Bij het verslaan van nieuws loop je als journalist eigenlijk continue tegen ethische dillema’s aan. Afwegingen zijn diffuus. Als redacteur bij BNR Nieuwsradio wilde mijn hoofdredacteur een uitzending Juridische Zaken waarin deskundigen uiteen zouden zetten hoe je miljoenen moslims Europa uit kon jagen - een plannetje van Wilders. ‘Daar moet je geen oordeel over hebben’, beval hij mij, ‘het is journalistiek relevant om te kijken of Wilders’ plannen juridisch mogelijk zijn.’ Legitiem, maar dergelijke abjecte politieke ideeën media-aandacht geven, ging mij te ver; als journalist ben je een filter (het ene onderwerp wel, het andere niet) en deze keuze was de mijne niet. Ik heb de uitzending niet gemaakt.

Ethische grenzen zijn lastig in algemene zin te formuleren. De verslaggeving moet een algemeen belang dienen, is één zo’n journalistiek adagium. Terug naar de zaak Van Uhm, advocaat van de duivel spelen. Het is goed denkbaar dat het overlijden van zijn zoon Van Uhms kijk op de Afghanistan-missie zou beïnvloeden. Relevant voor het wereldbeeld van de willekeurige Nederlander, zou je kunnen zeggen, en daarmee een prima argument om wèl bij de ouders voor de deur te liggen.

Als journalist moet je ook open en transparant te werk gaan. Als schrijver voor het reisblad Columbus werd ik ooit met een toeristenvisum naar Cuba gestuurd. Dan kun je mensen op het eiland beter niet verkondigen dat je journalist bent; wie kun je vertrouwen in een socialistische dictatuur? Dat het hoofdpersonage in mijn verhaal, een kerel die zoals veel Cubanen een Europese liefde gebruikte als ticket naar vrijheid, niet wist dat hij met een journalist te maken had en dat hij, weliswaar onder gefingeerde naam, in een Nederlands tijdschrift terecht zou komen, voelde uiteindelijk zeer onethisch. Ik zou nooit opnieuw zo opereren.

De Knegt noemt nog een andere overweging: als hij iets niet verslaat, doet een andere journalist het wel. De Knegt: ‘Ik ben weliswaar schaamteloos maar niet respectloos. Een andere journalist zou iets misschien met een stuk minder respect optikken dan wanneer ik het doe.’ Zo belde hij wel aan bij de ouders van Jesse Dingemans, de 8-jarige jongen die zes jaar geleden op school door zijn halfbroertje werd neergestoken. ‘Ik heb er uren over gedaan voordat ik het lef had’, herinnert hij zich. ‘De vader zei: ‘Flikker op’. Ik stotteren en hakkelen. Mijn hopeloze houding had tot gevolg dat hij brak en het toch tot een gesprek kwam.

Dan loop je weg met een dubbel gevoel. Het is tragisch maar je weet ook dat je op de krant komt met een prachtig verhaal. De ijdelheid en de idiotie van het vak.’

Wat is voor De Knegt het grootste verschil tussen het interviewen van de ouders van Jesse Dingemans en die van Dennis van Uhm? ‘Dat heeft met het proces te maken’, zet hij uiteen. ‘Ten tijde van de moord op Jesse heb ik tien dagen in Brabant gebivakkeerd. Ik had een hele karakterschets van de moordenaar, had medeleerlingen en docenten gesproken die de halfbroer van Jesse voor idioot uitmaakten en ik wist dat de Reclassering fouten had gemaakt in de begeleiding van die jongen. Ik had inhoudelijke vragen aan de ouders. De moordenaar was tenslotte ook hun zoon; wat hebben zij voor vreemds aan hem gemerkt? Dat is een andere situatie dan wanneer je vanuit het niets aanbelt bij een rouwende familie en als buitenstaander binnendringt.’

Journalistiek eist een uitgebalanceerde en genuanceerde berichtgeving. Freelance rechtbankverslaggever Chris Klomp (voor onder meer RTV Noord, Dagblad van het Noorden en het ANP) vindt om die reden dat media juist veel verder moeten gaan in het berichten over seksueel misbruik. ‘Om tot een evenwichtig beeld te komen moet je als journalist specifieker zijn’, vindt hij. ‘Seksueel misbruik komt in verschillende gradaties voor. Er is een enorme onvrede over de strafmaat in Nederland. Dat is omdat er in de berichtgeving weinig onderscheid wordt gemaakt tussen het nemen van onzedelijke foto’s, zoals zwemleraar Benno L., en een verkrachting met penetratie. Journalisten hebben het vaak over ‘jarenlang misbruik’. Wat bedoelen ze daarmee? Iemand een beetje betasten is wat anders dan iemand met een roestige spijker penetreren. Waarom houden we het op eufemistische beschrijvingen en vertellen we niet gewoon wat er is gebeurd?’

Veel media vinden dit te sensationeel - en daar moet je je als journalist maar weer naar voegen. Daarbij is het voor de individuele journalist bij het maken van afwegingen ook vooral een kwestie van erkennen hoe je zelf in elkaar zit. De een gaat verder dan de ander.

De Knegt: ‘Je moet je zelf niet forceren. Mijn echtgenote is ook journalist. Zij zou de helft van de verhalen die ik heb gemaakt niet kunnen schrijven. Ik ken nu eenmaal weinig schaamte.’ Lacht: ‘Mijn kinderen zijn in de tienerleeftijd en schamen zich regelmatig kapot voor me.’

Bekijk meer van

vvoj 2019

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.