website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Moe van oorlog, journalistiek en jezelf

Frits Baarda — Geplaatst op vrijdag 4 juni 2010, 10:00

Voor het eerst is een prijs uitgereikt voor de beste fotodocumentaire, de Dutch Doc Award. Van de zeven genomineerde fotografen werd Jeroen Kramer de winnaar. Na tien jaar Midden-Oosten kreeg hij een gruwelijke hekel aan de oorlog, de journalistiek en zichzelf. Hij maakte een boek, therapeutisch, en vernieuwde de fotojournalistiek.

De luiken van zijn werkkamer zijn lichtblauw, de kleur van de Middellandse Zee. De fotograaf zit bij het raam dat uitzicht biedt op Beiroet. Van buiten dringen weinig geluiden door, de bouwvakkers pauzeren. Jeroen Kramer (1967) kijkt nog eens, bij het traliewerk voor het raam. Bijna alle huizen in de Libanese hoofdstad hebben tralies. Dan zegt hij, terloops: ‘Ik zie nog iets’. Hij ziet een gat in het lichtblauwe hout. ‘Het is klein, een kogelgat. Ik denk van de burgeroorlog.’ Hij wist niet dat het er zat.

Kramer beschrijft op verzoek zijn kamer en geeft zijn bevindingen telefonisch door. Hij is de maker van het boek ‘Room 103’, een persoonlijk verslag van zijn worsteling met de journalistiek. Een ingewikkeld afscheid, een afkeer van de hedendaagse berichtgeving over conflicten in de wereld. Een therapeutisch boek ook, omdat hij er niet meer tegen kon. De gruwelijkheden werden hem te veel.

Room 103 was een hotelkamer in Bagdad waar hij als oorlogsfotograaf verbleef. In 2001 koos hij voor de ‘idealen en het avontuur’. Hij vertrok naar het Midden-Oosten, naar de standplaatsen Syrië en Libanon, waar hij sinds 2004 verblijft. Zijn opdrachtgevers waren onder meer Getty Images, Vanity Fair en de Volkskrant. Hij versloeg de Amerikaanse invasie in Irak en de Intifada’s in de Palestijnse gebieden.

Daar maakte hij zoveel mee, ook met vrienden, dat twijfel hem besloop. Cynisme nam bezit van hem, hij zocht naar de zin van wat hij als fotojournalist deed. Hij kon niet langer naar zijn eigen foto’s kijken, maken kon hij ze ook niet meer. In de kamer met de lichtblauwe luiken voelde hij voor het eerst de walging, van zichzelf, de foto’s die hij maakte, van de oorlog. Hij begon zichzelf te haten.

Anderen hebben hem eruit gesleept. Het waren mensen achter de fotomanifestatie Noorderlicht, die zijn foto’s zagen en hem de weg naar een andersoortig fotoboek wezen. Het werd ‘Room 103’, waarin geweld en tederheid, liefde en dood, verdriet en blijdschap hand in hand gaan. Zo ziet dit deel van het Midden-Oosten er volgens Kramer uit. Er is meer dan oorlog. Het is een persoonlijke documentaire van tekst en foto’s, waarmee de maker meer vragen oproept dan antwoorden geeft.

‘Vragen zijn interessant’, zegt hij, met een blik langs het blauwe luik. Achter het raam torent een minaret. ‘Ik wil mensen tot nadenken aanzetten.’

Tien jaar geleden trad hij met bravoure de oorlog tegemoet, als niets vrezende fotograaf. Hij keerde iedere keer naar zijn kamer terug met een camera vol harde beelden. Oorlog is horror. Maar gaandeweg vervaagden zijn motieven, raakte hij zijn pantser kwijt. Hij sloot vriendschappen en ging anders naar het Midden-Oosten kijken. Ging ook de journalistiek anders bekijken. ‘Ik kreeg een enorme hekel aan oorlog, werd moe van de journalistiek zoals ik die in kranten en tijdschriften zag.’ Hij walgde, ook van zichzelf. Hij had er als fotograaf zelf aan meegedaan.

De foto’s die hij maakte en verstuurde naar media in heel de wereld, waren zinloos, vindt hij achteraf. Hij heeft spijt dat hij ze maakte. ‘Ik ben anders naar oorlog aan gaan kijken, vooral door wat ik in Libanon zag. Ik zag wat in een oorlog gebeurde, wat het met mensen doet. Ik had er vrienden. Ik stond niet meer alleen, je wordt kwetsbaar, je maakt je zorgen. Zorgen over vrienden, die direct met oorlog te maken hebben. In 2008 vlogen de kogels langs mijn eigen raam. Ik had het gevoel mijn huis uit te moeten, dat ik zelf vluchteling werd. De oorlog werd lelijker, kwam heel dichtbij.’

De twijfel over zijn eigen manier van fotograferen was er eerder, op een dag in 2006. Hij bracht al de lelijkheid in beeld en er gebeurde niets. ‘In het boek staat een foto van lijkkisten met schaduwen. Een massagraf in Libanon. Paar dagen eerder was ik erbij dat ze de lijken in een koelcontainer gooiden vijf, zes hoog opgestapeld. Opeens zag ik een dode zwangere vrouw, door de druk van andere lichamen was de baby uit haar geschoten. Ze gingen allemaal in kisten. Ik heb het gezien en gefotografeerd. Ik rook de geur. Dan fotografeer je dat en dat komt dan niet in de krant. Te hard.’

Zich aanpassend aan de wensen van de krant begon hij anders te fotograferen. Hij beschrijft de foto die wél kon: achter dezelfde lijkkisten, van hetzelfde massagraf, vormt zich een rij schaduwen. ‘Deze foto is goed, hij is poëtisch. Een prettige, gevoelige foto, die de oorlog romantiseert, waar mensen graag naar kijken. En toch weerspiegelt dit beeld de oorlog in geen geval.’

De fotojournalistiek is een foto-industrie geworden, vindt hij, met ingeflitste portretten als reportagefotografie. Hij ziet het verschil niet meer tussen een modespecial en een reportage uit Soweto. Alles is glossy, alles lijkt op elkaar.

Het duurde nog even voordat hij besloot te stoppen. Hij zoekt naar woorden, aarzelt. Buiten doorbreekt een imam de stilte met een oproep voor het middaggebed. Allahu Akhbar!

Dan: ‘Ik ging er zelf aan onderdoor. Je komt er als mens niet ongeschonden uit. Het was goed dat ik het boek heb kunnen maken. Het heeft me geholpen. Gemakkelijk was het niet. Maar zonder dit boek had ik er misschien nog middenin gezeten, met alle gevolgen van dien.’

Hij had met foto’s de wereld willen veranderen, maar hij kon het niet. Jaloers is hij op grote namen als Robert Capa, Don McCullin, Susan Meiselas en James Nachtwey, oorlogsfotografen die wel iets teweegbrachten. Hun beste werk maakten ze in andere tijden. ‘Tijdens de Vietnamoorlog duurde het vijf weken om een filmpje naar buiten te brengen. Eén foto kon tot grote verontwaardiging leiden. Het waren de enige beelden. Er ontstond een subcultuur uit, een vredesbeweging, muziek, mode. Mensen waren er erg mee bezig. Nu niet meer. Het Midden-Oosten, Irak, het Palestijns-Israëlisch conflict, oorlogen; het interesseert ze niet meer. Het is oubollig. Mensen mijden grote zaken. Dat komt ook door het enorme aanbod aan beelden. En aan internet. Ik heb een beetje internethaat gekregen. Mensen zijn zo met zichzelf bezig. Er is een ik-cultuur ontstaan. “Ik heb een weblog, ik zit op twitter”. De rest boeit hen niet meer.’

Met het maken van het boek zette hij zijn voeten met een zachte plof terug in het bestaan. ‘Ik heb andere ideeën gekregen’, zegt hij. ‘In het westen ontstaat een kloof met andere culturen. De islamitische wereld en het westen, dat zijn interessante vlakken. Daar wil ik mee aan de slag. Niet alleen positief, want ik ben ook kritisch. Die islamisten komen me af en toe ook de oren uit.’

Kramer wil zijn werk persoonlijker maken. Hij past in een tijd van zichzelf vernieuwende fotojournalistiek. Er komen meer dagboek­achtige boeken en fotoverhalen. Zijn vrienden in beeld brengen, dat wil hij. Hoe ze als moderne mensen in een traditionele omgeving staan. Die tegenstrijdigheid. Hijzelf krijgt ook een rol. Laten zien hoe hun leven in het Midden-Oosten is, het échte leven. ‘Zachte verhalen maken,’ zegt hij.

magazine@villamedia.nl


——-

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

banner 1 only human

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.