Arbeidsmarktmonitor: Journalisten zetten AI regelmatig in, maar voelen zich daar vaak ongemakkelijk bij
Journalisten zeggen voorzichtig nieuwsgierig te zijn naar AI, maar gebruiken het in de praktijk al regelmatig. Al doen ze dat wel met gemengde gevoelens.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Marte Hoogenboom. Ook lid worden?
De Nederlandse journalist maakt in zijn werk regelmatig gebruik van AI, maar een groot deel van hen voelt zich daar óók ongemakkelijk bij. Drie op de tien journalisten (30,5%) zet dagelijks kunstmatige intelligentie in en zeven op de tien (70,2%) doet dat minstens eens per week. Toch zegt bijna de helft van de journalisten (45,6%) zich ongemakkelijk te voelen als hij AI in zijn werk gebruikt. Slechts één op de tien (11,7%) gebruikt nooit AI.
Dat blijkt uit een enquête onder Nederlandse journalisten. Deze werd verspreid in het kader van de NVJ Arbeidsmarktmonitor, een grootschalig en langdurig onderzoek naar de journalistieke arbeidsmarkt. De vragenlijst werd door 766 journalisten ingevuld.
Wil je meer weten over de gebruikte onderzoeksmethode, scroll dan omlaag naar de verantwoording.
Het aandeel journalisten dat AI gebruikt in zijn werk, is redelijk gelijk verdeeld over de leeftijdsgroepen. Wat de gebruiksfrequentie betreft zijn er wel verschillen: journalisten van 30 jaar en jonger zetten AI minder vaak dagelijks in dan andere leeftijdsgroepen. Het dagelijks gebruik is bij mannen iets hoger dan bij de vrouwen: 33,1% van de mannen zet iedere dag AI in, tegenover 26,4% van de vrouwen.
Webredacteuren geven het vaakst aan dagelijks AI te gebruiken (37,5%), gevolgd door verslaggevers (34,4%) en hoofdredacteuren (29,6%). 28,1% van de eindredacteuren zet ook dagelijks AI in. Het wekelijks gebruik is het hoogst onder verslaggevers (73,7%), (bureau)redacteuren en hoofdredacteuren (beiden 72,2%). Journalisten die bij een uitgeverij werken zijn frequentere AI-gebruikers dan hun collega’s bij radio en tv. Zowel het dagelijks als wekelijks gebruik ligt bij degenen die bij uitgeverijen werken hoger.
Tekst-AI’s ruimschoots het meest gebruikt
AI-tools die zich richten op het genereren en bewerken van tekst zijn onder journalisten het populairst. 58,5% van de ondervraagden zegt dergelijke tools te gebruiken. Andere typen AI-tools volgen op grote afstand: 15,6% van de journalisten zegt AI te gebruiken die zich richten op beeldgeneratie en -bewerking. 8,8% gebruikt tools die hetzelfde doen met audio. Ook tools voor spraakgeneratie en -bewerking (7,3%) en het genereren en bewerken van video (2,8%) worden maar mondjesmaat gebruikt.
Deze voorkeur laat zich ook zien in het type taken waar journalisten AI bij gebruiken. Ze zetten AI het vaakst in bij zaken als vertalen, onderzoeken, brainstormen, transcriberen, ondertitelen en om hen te inspireren bij het schrijven. Opvallend: het dagelijks gebruik van AI is het hoogst bij eindredactie, terwijl ruim de helft van de journalisten (57%) AI nooit voor die taak inzet. Dat toont aan dat degenen die wél AI inzetten bij het voeren van eindredactie, dat relatief vaak doen.
De taak waarvoor journalisten AI-tools het vaakst gebruiken, verschilt sterk per functie. Verslaggevers zetten AI vooral in bij het onderzoeken van onderwerpen: 14,3% van hen zet hier dagelijks AI bij in. Onder hoofdredacteuren is AI populair bij het samenvatten (19,6% dagelijks gebruik) en webredacteuren gebruiken dergelijke tools het vaakst bij het doen van eindredactie (20,8% dagelijks gebruik). Een kwart van de eindredacteuren (25,5%) zet dagelijks AI bij hun eindredactietaken.
Voorzichtigheid en scepsis
Dat journalisten AI inzetten bij verschillende taken, wil niet zeggen dat ze onverdeeld enthousiast zijn. Het grootste deel van de journalisten (43,2%) omschrijft zijn houding ten opzichte van AI als ‘voorzichtig nieuwsgierig’. Bijna één op de tien journalisten wijst het gebruik van AI af (9,1%). Eén op de vijf is wat minder drastisch: zij zijn sceptisch over kunstmatige intelligentie en houden het liefst afstand (19,8%). Bijna één op de vijf is enthousiast over AI (18,6%).
Opvallend is dat de jongste groep respondenten (journalisten van 30 jaar en jonger) AI ruim twee keer zo vaak afwijst als gemiddeld onder alle leeftijdsgroepen. 21,7% van de deelnemers uit deze groep heeft liever niets met AI te maken. Jongeren geven ook veel minder vaak aan enthousiast te zijn over AI (4,4%).
AI-enthousiasme is het grootst onder journalisten die bij de televisie werken (23,1%), gevolgd door radiojournalisten (20,2%) en journalisten bij uitgeverijen (16%). Maar er zit ook verschil tussen de functies. Redactiechefs en (bureau)redacteuren wijzen AI vaker af dan gemiddeld (respectievelijk 15% en 12,5% van hen doet dat). Eindredacteuren (26,8%), (bureau)redacteuren (26%) en webredacteuren (29,2%) geven het vaakst aan sceptisch te zijn over kunstmatige intelligentie en bewaren daarom afstand.
Die voorzichtigheid en scepsis stoppen niet bij de voordeur. De helft van de journalisten (45,6%) voelt zich ongemakkelijk wanneer ze AI daadwerkelijk inzetten tijdens creatief werk. Dat ongemak is het sterkst onder jongeren: ruim zeven op de tien journalisten van onder de 30 (71,7%) ervaart dat. Ook vrouwen voelen zich vaker ongemakkelijk als ze AI gebruiken dan mannen (46,3% tegenover 39,5%).
Vier op de tien journalisten (42,7%) vragen zich af of kunstmatige intelligentie überhaupt wel thuishoort in het creatieve proces. Een bijna evengrote groep (40,4%) vindt dat het onethisch is om AI te gebruiken tijdens hun creatieve werk. Opvallend is dat jongeren ook dit vaker voelen dan gemiddeld. Bij journalisten van 30 jaar en jonger vindt 57,8% dat onethisch. Vrouwen vinden AI-gebruik net wat vaker onethisch dan mannen (43,1% tegenover 37,7%).
Ongeveer een kwart van de journalisten vindt AI-gebruik in zijn creatieve werk niet onethisch. Een ongeveer even grote groep (23,1%) vindt AI gebruiken vanzelfsprekend onderdeel van zijn werk. Opnieuw is dat bij jongeren minder dan gemiddeld (15,2%). Gebruik en gevoel lopen voor veel journalisten dus vooralsnog uit de pas.
Verantwoording
De data in dit artikel zijn afkomstig uit een enquête onder Nederlandse journalisten. De enquête maakt deel uit van de NVJ Arbeidsmarktmonitor, een grootschalig en langdurig onderzoek naar de journalistieke arbeidsmarkt in Nederland. De enquête is uitgevoerd in het voorjaar van 2026 en werd in totaal door 766 respondenten ingevuld.
De enquête is verspreid onder de achterban van de NVJ en via hoofdredacteuren van een keur aan media, zowel in de uitgeverijwereld als bij diverse (publieke en commerciële) omroepen. Daarnaast stond de enquête open voor andere journalisten die niet via een van deze routes zijn benaderd. De antwoorden zijn anoniem verzameld.
De antwoorden uit de enquête zijn uitgesplitst naar leeftijdsgroep, gender, functie, soort werkgever/opdrachtgever en contractsvorm. Bij deze uitsplitsingen zijn enkel conclusies getrokken wanneer voldoende data voorhanden was. Dat heeft ertoe geleid dat er onder andere geen uitgesplitste conclusies gegeven (kunnen) worden over journalisten met een tijdelijk contract en journalisten die zich als non-binair identificeren. Ook bij enkele functies, zoals vormgevers en correspondenten, waren niet genoeg data voorhanden.


Praat mee