website over journalistiek

Persvrijheidsmonitor

Verfilming en re-enscenering historische misdaad en artistieke expressie

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft in het kort geding dat door Holleeder was aangespannen tegen filmproducent IDTV Film besloten dat de toen nog niet uitgebrachte film De Heineken Ontvoering niet wordt verboden. IDTV is producent van de film. De film is gebaseerd op bekende feiten maar bevat ook fictieve elementen. Holleeder is (met vier anderen) veroordeeld wegens betrokkenheid bij de ontvoering. In de film komt een personage met de naam ‘Rem’ voor, dat volgens Holleeder zowel qua fysieke kenmerken als wat betreft het levensbeeld dat in de film wordt geschetst, een zodanige gelijkenis met hem vertoont dat er sprake is van inbreuk op zijn portretrecht, waartegen hij zich verzet. Holleeder wenst niet dat zijn portret wordt gebruikt voor reclame voor de film en vreest daarnaast dat het publiek de (niet op feiten gebaseerde) gedragingen van ‘Rem’ als daadwerkelijk door hem gepleegde feiten zal opvatten, waardoor hij in zijn belangen wordt geschaad. Holleeder wijst er in deze zaak op dat hij in verband met zijn huidige detentie beperkt wordt in zijn mogelijkheden om zich tegen die suggestie te verweren. Hij vordert een verbod op die passages van de film waarin ‘Rem’ voorkomt. Bij een voorwaardelijke incidentele vordering vordert hij tevens voorafgaande inzage in de film.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen van Holleeder gericht op voorafgaande inzage dan wel een vertoningsverbod op (bepaalde onderdelen van) de film neerkomen op preventieve censuur en daarmee op gespannen voet staan met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie behoort pas plaats te vinden nadat deze ter kennis van het publiek is gebracht. Er is geen grond om hiervan af te wijken. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de publicatie jegens Holleeder in zodanige mate onrechtmatig is en voor hem zal leiden tot onherstelbare schade dat een vertoningsverbod of recht op inzage vooraf gewettigd zou zijn. Mocht de film op enig onderdeel achteraf onrechtmatig worden geoordeeld, dan moet zich dat oplossen in schadevergoeding en/of rectificatie. Voor zover de vorderingen van Holleeder gericht zijn op misleidende reclame en/of een verbod tot gebruik van zijn portret voor commerciële doeleinden worden die vorderingen eveneens afgewezen. Het op de website afgebeelde portret kan niet worden beschouwd als een portret van Holleeder. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke mate van overeenstemming, maar bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een afbeelding van een persoon dient mede acht geslagen te worden op de context van de publicatie. Het is niet ongebruikelijk dat bij een verfilming van historische gebeurtenissen de acteurs worden gemodelleerd naar de persoon wiens rol zij moeten uitbeelden. Het publiek mag hiermee bekend worden verondersteld en zal de afbeelding van ‘Rem’ niet aanzien voor een afbeelding van Holleeder.

Meijer en Boellaard, twee van de ontvoerders van Heineken, hebben in een later kort geding een uitbreiding gevorderd van de tekst die voorafgaand aan de film in de bioscoop was te zien. De vordering van Meijer en Boellaard die ziet op de tekst van de disclaimer komt er – kort gezegd – op neer dat in die disclaimer drie passages die voorkomen in de film expliciet als fictie moeten worden bestempeld. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft deze eis afgewezen. Uitgangspunt is volgens de voorzieningenrechter dat een verfilming van een historische gebeurtenis op een mengeling van feiten en fictie mag berusten. Alleen indien de fictieve elementen ernstige reputatieschade opleveren, zou dit aanleiding kunnen zijn tot het treffen van maatregelen. Ten aanzien van twee van de drie scènes is overwogen dat de fictieve elementen niet zo ver van de werkelijkheid afstaan dat hierdoor de belangen van Meijer en Boellaard zwaarder zouden moeten wegen dan die van de filmmaatschappij. Ten aanzien van de derde scène is overwogen dat de filmmaatschappij expliciet heeft erkend dat Boellaard zijn vriendin niet heeft mishandeld en dat die scène dus op fictie berust. Door die erkenning is voldoende aan de belangen van de desbetreffende Boellaard tegemoet gekomen.

Bij de weigering om IDTV film te bevelen de mededeling voorafgaande aan de bioscoopfilm aan te passen, speelt mee dat in de media reeds uitvoerig is belicht dat de film een mengeling van feiten en fictie bevat. Een groot deel van het publiek zal hiervan, althans in de periode dat de film in de bioscoop draait, op de hoogte zijn. IDTV heeft toegezegd dat op de dvd die van de film wordt uitgebracht (nadat de film niet meer in de bioscopen is te zien) de disclaimer langer (te weten 8 seconden) te zien zal zijn. Volgens de rechter is hiermee voldoende verzekerd dat ook in de toekomst op afdoende wijze gewaarborgd is dat het publiek kennis neemt van de disclaimer. Tot slot is in dit kader van belang dat IDTV ter zitting uitgebreid heeft betoogd dat het langer tonen van de disclaimer tot aanmerkelijke kosten zal leiden en ook praktisch gezien moeilijk uitvoerbaar is. Alle exemplaren van de film zouden moeten worden gewijzigd, hetgeen overigens niet in de macht ligt van IDTV, maar in die van de distributeur van de film. Toewijzing van de vordering zou daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter disproportioneel zijn. Op de website is de disclaimer net zo lang te zien als de bezoeker dat wil en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de disclaimer daar te zien blijft zolang de website in de lucht blijft.

Instantie: Vzr. Rb. Amsterdam

Partijen: W. Holleeder t. IDTV Film

Bron: LJN BT8893 respectievelijk LJN BU6536

Datum: 21 oktober 2011