website over journalistiek

Persvrijheidsmonitor

Europees Hof voor de Rechten van de Mens 31 maart 2009

Sanoma Uitgevers BV (hierna: Sanoma) is een in Nederland gevestigde uitgever van (onder meer) het blad Autoweek. Op 12 januari 2002 werd op een industrieterrein aan de rand van Hoorn een illegale autorace gehouden. Journalisten van Autoweek woonden de race bij, op uitnodiging van de organisatoren. Zij kregen de gelegenheid foto’s te maken van de straatrace, de auto’s en de deelnemende personen. Alvorens zij toestemming kregen om de foto’s te maken werd de journalisten gevraagd aan de deelnemers te verzekeren dat hun identiteit niet zou worden onthuld. De straatrace werd beëindigd door de politie, die aanwezig was en uiteindelijk ingreep. De politie heeft die dag niemand gearresteerd.

De journalisten hadden als doel een artikel over illegale autoraces te publiceren in de Autoweek van 6 februari 2002. Bij dit artikel zouden foto’s worden opgenomen van de autorace van 12 januari. Deze foto’s zouden op een zodanige wijze worden bewerkt dat de deelnemende auto’s en personen niet herkenbaar zouden zijn, om aldus de anonimiteit van de deelnemers aan de race te kunnen garanderen. De originele foto’s, opgeslagen op een CD-rom, werden bewaard op het redactiebureau van een ander tijdschrift dat door Sanoma werd uitgegeven (niet Autoweek).

Op 1 februari 2002 vorderen opsporingsambtenaren en later ook de officier van justitie, op grond van art. 96a Wetboek van Strafvordering (WvSv), meermalen van de redactie van Autoweek uitlevering van al het fotografisch materiaal dat betrekking heeft op de straatrace van 12 januari 2002. Namens Sanoma weigert de hoofdredacteur de foto’s uit te leveren, waarbij hij stelt dat uitlevering zou indruisen tegen de door de journalisten gegeven garantie van anonimiteit. Later die dag wordt aan de advocaat van Sanoma meegedeeld dat het zou gaan om een kwestie van leven of dood. Een nadere toelichting wordt niet gegeven, terwijl niet wordt ingegaan op het verzoek van de advocaat de vordering aan te passen. De strafvorderlijke autoriteiten dreigen met detentie van de hoofdredacteur gedurende het weekend van 2 en 3 februari 2002, wegens overtreding van art. 184 Wetboek van Strafrecht (WvSr) (niet voldaan aan een ambtelijk bevel) en met sluiting van bedrijfspanden van de rechtspersoon ten behoeve van doorzoeking. Dat laatste zou aanzienlijke financiële schade opleveren voor de rechtspersoon, in verband met de voorbereiding van de publicatie van artikelen met betrekking tot het huwelijk van de kroonprins op 2 februari 2002. De hoofdredacteur wordt die avond inderdaad enkele uren aangehouden op verdenking van overtreding van art. 184 WvSr.

Na overleg tussen Sanoma, advocaten en officieren van justitie wordt contact gezocht met de rechter-commissaris. Deze stelt vast dat het belang van het strafvorderlijk onderzoek zwaarder weegt dan het journalistieke verschoningsrecht. Op 2 februari 2002 wordt de CD-ROM onder protest uitgeleverd aan de officier van justitie, die de CD-ROM in beslag neemt.

Op 15 februari 2002 verzoekt Sanoma de Rechtbank Amsterdam om een last tot teruggave van de CD-ROM, tot vernietiging van kopieën van op de CD-ROM opgeslagen informatie en een verbod tot kennisneming daarvan. Bij de behandeling van het verzoek geeft de officier van justitie aan dat het bevel tot uitlevering noodzakelijk was in het in het kader van een strafvorderlijk onderzoek naar enkele overvallen op geldautomaten, waarbij er aanleiding was om te vermoeden dat een tijdens de straatrace gebruikte voertuig tot identificatie van de daders zou kunnen leiden. Op 19 september 2002 acht de Rechtbank het beklag gegrond voor zover het gaat om de teruggave van de CD-ROM en gelast die teruggave, omdat belangen van het onderzoek zich daartegen niet verzetten. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen, op de grond dat de inbeslagneming rechtmatig was omdat het belang van het strafvorderlijk onderzoek in deze zaak zwaarder weegt dan het recht van vrije nieuwsgaring. Het cassatieberoep van Sanoma wordt door de Hoge Raad op 3 juni 2003 niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van een belang van de rechtspersoon, nu het verzoek tot teruggave is gehonoreerd.

Op 1 december 2003 dient Sanoma een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zij klaagt over schending van art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) omdat zij is gedwongen informatie te verstrekken die zou kunnen leiden tot de identificatie van journalistieke bronnen. Op 23 maart 2006 besluit het Hof de merites van de klacht tegelijkertijd met de ontvankelijkheid daarvan te beoordelen.

Het Hof stelt in zijn uitspraak voorop dat de illegale straatrace in deze zaak niet kan worden vergeleken met een openbare demonstratie. Een demonstratie is bedoeld om informatie en ideeën te verspreiden; de straatrace daarentegen was bedoeld om plaats te vinden buiten het oog van het publiek.

Onafhankelijk van wat in Autoweek is gepubliceerd na de inbeslagname van de CD-rom, was de daarin opgeslagen informatie niet bekend bij politie en justitie voordat het werd uitgeleverd. Er is derhalve sprake van een inbreuk op de rechten van Sanoma als verspreider van informatie. Daaraan doet niet af dat politieagenten aanwezig waren bij de straatrace, nu zij de desbetreffende informatie niet hebben vergaard.

In de Nederlandse rechtspraak wordt een journalistiek verschoningsrecht erkend. Beperkingen daarop dienen in overeenstemming te zijn met art. 10, tweede lid, EVRM. Meer gedetailleerde richtlijnen staan voor politie en justitie in een Instructie van het College van Procureurs-Generaal. Er is nog geen wettelijke regeling van het journalistieke verschoningsrecht; wel is recent een voorontwerp voor een zodanige regeling is gepubliceerd.

In het kader van de onderhavige zaak merkt het Hof art. 96a WvSv aan als wettelijke grondslag voor de inbreuk. Terwijl in die bepaling niet is voorzien in voorafgaande rechterlijke controle, neemt het Hof in de onderhavige zaak in aanmerking dat een rechter-commissaris in de procedure is betrokken en daarin kennelijk een beslissende rol heeft gespeeld. Hoewel het Hof zorgen uit over wettelijke procedurele waarborgen, acht het Hof het, wegens de betrokkenheid van de rechter-commissaris in deze zaak, niet noodzakelijk in casu daarover een oordeel te vormen.

De inbreuk had tot doel de voorkoming van wanorde of criminaliteit. Daaraan doet niet af dat de autoriteiten bij de vordering van de CD-rom hebben geweigerd gedetailleerde informatie aan Sanoma BV te geven.

Het Hof merkt op dat het bedrijfspand van Sanoma niet is doorzocht. Het voegt hieraan toe dat het toch niet om een verwaarloosbare inbreuk op de rechten van Sanoma gaat. Indien de rechtspersoon niet was bezweken voor de uitgeoefende druk, zouden niet alleen de kantoren van de redacteuren van Autoweek, maar ook die van andere tijdschriften van Sanoma voor een significante periode zijn gesloten. Dat had kunnen leiden tot late publicatie en gedateerdheid van berichtgeving over actuele gebeurtenissen. Nieuws heeft een korte levensduur en uitstel van publicatie, ook voor een korte periode, kan zeer wel het belang en de waarde daarvan te niet doen. Dat risico, zo overweegt het Hof, was duidelijk aanwezig en dient als ernstig te worden opgevat.

In deze zaak werd niet beoogd de bronnen van Sanoma te identificeren ten behoeve van strafvervolging, maar om een voertuig te identificeren in verband met delicten die niet gerelateerd waren aan de straatrace. Gedwongen uitlevering van journalistiek materiaal kan een ‘chilling effect’ hebben op de uitoefening van de journalistieke vrijheid van meningsuiting. Dat brengt evenwel niet met zich mee dat het de autoriteiten in dergelijke zaken nimmer is toegestaan een dergelijke uitvoering te vorderen. Of dat zo is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het bijzonder worden de nationale autoriteiten er niet van weerhouden een balans te zoeken in de tegengestelde belangen die worden gediend door enerzijds de vervolging van strafbare feiten en anderzijds de bescherming van het journalistieke verschoningsrecht. Daarbij zijn relevant de aard en ernst van de strafbare feiten in kwestie, de exacte aard en inhoud van de informatie die wordt gevorderd, het bestaan van alternatieven om de noodzakelijke informatie te verkrijgen en beperkingen die bestaan in verband met verkrijging en gebruik van de informatie.

In het onderhavige geval ging het om (strafrechtelijk onderzoek naar) ernstige delicten, namelijk het openbreken van geldautomaten door met een shovel tegen openbare gebouwen te rijden. Het betrof delicten die niet alleen tot verlies van eigendom leidden maar ook de potentie hadden fysiek gevaar voor het publiek te veroorzaken. Bij één van de overvallen hadden de daders gebruik gemaakt van een vuurwapen. Pas na de dreiging van potentieel dodelijk geweld werden politie en justitie bewogen tot vordering van uitlevering van informatie waarvan zijn wisten dat Sanoma daarover beschikte.

Het Hof geeft aan ervan overtuigd te zijn dat de op de CDROM opgeslagen informatie relevant was met betrekking tot deze strafbare feiten en geschikt om de daders te identificeren. Gelet op het feit dat de deelname van het verdachte voertuig pas na afloop van de straatrace bekend werd bij de politie, is het Hof overtuigd dat er geen redelijk alternatief bestond om het voertuig op enig moment te identificeren. Niet is gesteld, noch blijkt overigens dat de autoriteiten de verkregen informatie voor enige ander doel dan voor de identificatie en vervolging van de daders van de overvallen hebben gebruikt.

Het Hof neemt tot slot de mate van rechterlijke betrokkenheid in deze zaak in aanmerking. Het overweegt dat het verontrustend is dat voorafgaande betrokkenheid van een rechter-commissaris niet langer een wettelijke voorwaarde is. Toch heeft de officier van justitie in deze zaak, zonder daartoe verplicht te zijn, de toestemming van een rechter-commissaris verkregen. Gelet op dit feit, en het feit dat Sanoma de mogelijkheid had de rechtmatigheid van de inbeslagneming post factum door een rechter te laten toetsen, is het Hof van oordeel dat in deze zaak is voldaan aan de voorwaarden van art. 10 EVRM.

Het Hof geeft aan het met de Rechtbank Amsterdam eens te zijn dat het optreden van politie en justitie in deze zaak gekenmerkt zijn door een betreurenswaardig gebrek aan gematigdheid. In de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaak is het Hof evenwel van oordeel dat de redenen voor de inbreuk relevant en voldoende waren en evenredig ten opzichte van de nagestreefde doelen. Het Hof oordeelt unaniem dat de klacht ontvankelijk is. Met vier stemmen tegen drie oordeelt het Hof dat art. 10 EVRM niet is geschonden. Aan de uitspraak is een dissenting opinion gehecht van rechter Power, waarbij de rechters Gyulumyan en Ziemele zich hebben aangesloten.

Instantie: EHRM

Partijen: Sanoma tegen Nederland

Bron: appl. no. 38224/03

Datum: 31 maart 2009

Journalist van het jaar 2018

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.