Portretten

(Uit: De Journalist nr. 2, 28-2-2000)

De geheimzinnige Wittkampf
'Ik heb slechts opgeschreven wat mij trof'

Tom Kellerhuis

Vraag een eerstejaars student Nederlands hoeveel hij van W.F. Hermans heeft gelezen en raak ontgoocheld. Vraag een willekeurige journalist van onder de vijftig naar het werk van Willem Wittkampf en onderga eenzelfde gewaarwording. Toch mag Wittkampf zich scharen in het korte rijtje zeldzaam goeie interviewers van de laatste vijftig jaar.

Het is nauwelijks meer voor te stellen, maar het interview was tot na de Tweede Wereldoorlog een uitzondering in de vaderlandse pers. Pas halverwege de jaren vijftig ontgroeide het genre de kinderschoenen.
Willem Wittkampf, geboren in 1924 in Zutphen, heeft daar in belangrijke mate aan bijgedragen. In 1957 begon hij bij Het Parool met een tweewekelijkse interviewpagina in PS, het zaterdagkatern van die krant, onder het halve pseudoniem: 'Willem'. Zijn stukken openden met twee krullen naar links en werden afsloten met twee krullen naar rechts. Ongekend in die dagen was dat hij alle vragen en beschrijvingen in zijn interviews overboord had gegooid: slechts de geïnterviewde kwam aan het woord.
Een ander hoogst ongewoon fenomeen was dat Wittkampf in de krant opschreef wat kleine lieden te vertellen hadden. Hij beperkte zich tot de gewone man. Tot dan toe waren interviews voorbestemd voor beroemdheden, waarbij de journalistieke kruiperigheid over het algemeen niet van de lucht was. Wittkampf dacht daar anders over en tekende het liefst de verhalen op van mensen met niet meer dan lagere school want, zo zei hij ooit, die beschikten tenminste over een gave verteltrant.
Al gauw kon 'Willem' zich verheugen in een grote schare vaste fans, onder wie ook Simon Carmiggelt. 'Het ongewoon talent van deze schrijver, die zich journalist noemt, ligt in zijn vermogen naar bizarre mensen te luisteren, uit hun woorden te onthouden wat typerend voor hen is en dat zó op te schrijven dat ze van hoofd tot voeten uit zo'n verhaal oprijzen', aldus Carmiggelt in het voorwoord van Wittkamps eerste herdrukte bundel 'Durfwerk' uit 1962, een verzameling journalistieke 'alleenspraken' zoals de ondertitel vermeldt.
Alleenspraken? Jawel. Want: 'Interviews kan men ze niet noemen', schrijft Carmiggelt. 'De man die, door het stellen van vragen, de woordenstroom vloeiend houdt, heeft hij er geheel uitgewied.' Kennelijk was de door Willem gebruikte vorm in de journalistiek zo nieuw, dat hij niet als zodanig werd herkend.
Toch was de vorm was niet echt nieuw - zij was tot dan toe voorbehouden aan de literatuur. De uitvinder ervan was James Joyce met zijn stream of consciousness, zoals hij die in zijn 'Ulysses' optekende. Het vernieuwende schuilde erin dat Wittkampf de monologue intérieur had getransponeerd naar de journalistiek. 'Dat is niet ongewoon in boeken, maar in dit geval gaat het niet om een door de schrijver verzonnen ik-figuur,' zoals 'Willem' zelf opmerkte in het voorwoord bij zijn interviewbundel 'Notities over mensen'.
Het was niet alleen nieuw, het was gedurfd ook. Aanvankelijk dachten zijn lezers, door zijn mild-ironische stijl van schrijven, dat hij de bedoeling had zijn gesprekspartners voor gek te zetten. Wittkampf was er zich wel degelijk van bewust dat deze vorm 'de mogelijkheid in zich draagt tot de meest wonderlijke vervalsingen'. Het weglaten van de vragen zou huichelachtig kunnen lijken en het gevaar lag erin besloten dat de geïnterviewde de antwoorden in de mond kreeg gelegd. De werkelijkheid werd in ieder geval geweld aangedaan, want een gesprek verliep zo niet. Maar uit de weinige klachten die ter redactie binnenkwamen, bleek dat Wittkampf oprecht was in zijn poging zijn 'slachtoffers' te schilderen.
Dat impliceerde nog niet dat de geportretteerden zijn poging in alle opzichten als geslaagd beschouwden. Zij vertelden hun verhaal en Willem schreef dat naar eigen inzicht op. Een geïnterviewde zei een keer: 'Geen woord van wat ik gezegd heb vind ik terug, maar dit is wel het mooiste en beste portret van mezelf dat ik ooit heb gelezen'.
In die scheiding van verantwoordelijkheden zit nog een vernieuwend element: het waren hun mededelingen, maar het was zijn verhaal. Gerard van Westerloo merkte tijdens een Slaa-lezing begin jaren negentig op dat 'Willem' een interview niet als een weergave van een gesprek beschouwde, maar als een interpretatie daarvan: een principe dat volgens Van Westerloo bevrijdend heeft gewerkt voor een hele generatie journalisten. In het opschrijfboekje werd niet meer keurig bijgehouden wat iemand letterlijk had gezegd, maar werd een poging gedaan om hem een beetje te begrijpen.
Voor gerenommeerde journalisten als Martin Schouten, Ben Haveman, Gerard van Westerloo en Frits Abrahams was Willem Wittkampf een voorbeeld. Ook Ischa Meijer, die in de jaren tachtig monologen à la Wittkampf schreef, stak zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Hij wijdde bij de dood van Wittkampf in 1992 een 'Dikke Man' aan de journalist die volgens hem de beste schrijvende interviewer was die Nederland ooit gekend heeft. Daarna werd het stil. Voor latere generaties journalisten is Willem Wittkampf niet meer dan een legende-van-horen-zeggen.

Toen Wittkampf in 1972 de journalistiek voorgoed afzwoer om zich geheel aan het schrijven te zetten, bleef hij zijn collega's nog wel volgen. 'Die Ischa heeft het echt', schreef hij in 1973 in een brief aan Carmiggelt. Maar van alle interviewers bewonderde hij tijdgenoot Bibeb nog het meest, Ischa stond op een goede tweede plaats.
Tijdens zijn bijna vijfentwintigjarige carrière als journalist heeft Wittkampf zich nooit uitgelaten over zijn journalistieke ambities en drijfveren en zelden over zijn werkwijze. Maar in zijn voorwoord bij 'Notities over mensen' geeft hij iets van zijn ijver prijs. Hij sprak gemiddeld tussen de drie en zes uur met zijn slachtoffers. Uitzondering daarop vormt een gesprek dat verdeeld over zes gesprekken 36 uur duurde. Dat resulteerde niet in een van zijn sterkste Willems en werd ook niet gebundeld.
Hij boorde, zoals hij zelf zei, voor één geslaagd verhaal wel vijf mensen aan. Die sprak hij bij voorkeur in de kroeg. De overlevering wil dat hij tijdens zijn interviews nauwelijks noteerde en slechts af en toe naar de WC liep om enige steekwoorden in zijn notitieboekje op te schrijven. Verder gebruikte hij geen hulpmiddelen.
Zelden nam hij een bandrecorder mee, daar hield hij niet van, ook omdat dat toen nog een heel gesleep was met zo'n ding. En als hij het wel deed was dat louter om zijn geheugen te testen dat als fenomenaal te boek stond. Als hij een boek had gelezen, en hij las veel, kon hij dagen later nog hele passages woordelijk citeren, met paginanummer en al.
Hoe ver ligt de mythe van de waarheid? In een van zijn 'Willem's' schrijft hij de interviewer in het verhaal. Het gaat over twee trotse ouders wier zoon succesjes boekt met een orkest in Nieuw Zeeland. Er staan zinnen in als: 'Nee, ik wil het zuiver weten want die meneer heeft zijn boekje gepakt en hij zit alles op te schrijven'. En: 'Natuurlijk wil die meneer dat weten! Hij zit het toch allemaal op te schrijven?' Dat doet vermoeden dat Wittkampf in ieder geval tijdens dit interview driftig zat te noteren.
Of was het een truc? Want als het hem juist te doen was om de interpretatie en niet om de letterlijke weergave van het gesprek, waarom moest dan alles worden opgeschreven? Luisteren was bovendien belangrijker dan optekenen. En het talent om hevig te luisteren bezat hij als geen ander. 'Als ik niet luister ontstaat er geen gesprek. Dan ontstaat er helemaal niks. Dan zit ik de tijd te verprutsen van iemand, aan wie ik heb gevraagd, of ie zich beschikbaar wilde stellen', aldus Willem.

Wat maakte Willem Wittkampf eigenlijk tot zo'n uitmuntende interviewer?
Dat hevig kunnen luisteren een niet te ontberen eigenschap voor een goeie interviewer is, staat buiten kijf. Maar er komt meer bij kijken. Hij was werkelijk geïnteresseerd in zijn personages. Zijn verhalen werden door collega's en andere krantenlezers 'monologen' genoemd, zelf sprak hij liever van 'processen verbaal'. Hij vroeg honderduit.
Het blijft giswerk, maar het kan niet anders of hij legde zijn slachtoffers het vuur na aan de schenen en zoog zich onvermoeibaar en dominant vast in dat ene verhaal. Hij geraakte altijd tot de kern, wat de gesprekken gaande moet hebben gehouden. En vervolgens, als het veldwerk gedaan was, zette hij het moegestreden op een zuipen, vaak tot diep in de volgende ochtend.
Voor een interview geldt doorgaans dat, wanneer het gesprek goed is verlopen, het halve werk is gedaan. Dat gold in mindere mate voor Wittkampf, want bij het optekenen begon het echte zwoegen pas.
Op zeker moment, onder druk van de nakende deadline, zette hij zich aan het schrijven. De eerste zin, de compositie van het stuk; het moet hem een kwelling zijn geweest. Een Lexington in de mondhoek, fles Smirnoff binnen handbereik. Tientallen met de hand geschreven pagina's op de vloer. Schaar, lijmpot en kwast ernaast. Nachtenlang worstelen en dan, als de geest erin zat, overtikken op de typemachine en vlak voor het ter perse gaan van de krant inleveren. Een ritueel dat hij jarenlang om de twee weken herhaalde.
Veel spraakmakende interviews van vroeger zijn vandaag de dag nauwelijks nog te lezen of op zijn minst niet interessant meer. Ze ontberen nu eenvoudig de actualiteit van toen. De destijds beroemde ondervraagden zijn in vergetelheid geraakt. Bij Wittkampfs interviews doet zich dat niet voor. Hij zocht zijn slachtoffers niet uit op actualiteitenwaarde. Bovendien waren ze toen net zomin bekend als nu. Zijn aanpak, die van de ondervraging, was dan wel journalistiek, de uitwerking ervan was zuiver literair. In die zin zou je kunnen stellen dat Wittkampfs portretten tijdloos zijn en nu nog zeer goed zijn te lezen, alhoewel de geschetste personen vooroorlogs aandoen en spreken. Maar wat deert dat? Wereldliteratuur van honderd jaar geleden nemen we ook nog gretig tot ons.

Van de honderden Willems die hij in vijftien jaar tijd maakte, werden slechts drie interviewbundels samengesteld die tezamen nog geen negentig interviews bevatten: 'Wat mijzelf betreft' (1958, in 1962 herdrukt als 'Durfwerk'), 'Nader bericht ontbreekt' (1963) en 'Notities over mensen' (1969).
Wittkampf was zeer kritisch in zijn selectie: de gebundelde Willems behoren tot de beste die hij heeft gemaakt. Zijn bundels zijn later niet meer herdrukt, ook al werden de literaire kwaliteiten ervan alom geroemd.
Kees Fens schreef in 1964: 'Wittkampf heeft het traditionele interview uitgebouwd tot een geheel eigen genre, dat men gerust een literair genre kan noemen en dat ik voor mij hoger aansla dan veel dat als literatuur wordt opgedrongen'.
Dat Wittkampf kon schrijven had hij trouwens al bewezen met zijn debuutnovelle 'Het kanon' waarvoor hij in 1949 de prestigieuze Reina Prinsen Geerligsprijs ontving, twee jaar nadat Gerard Reve hem voor 'De Avonden' had gekregen. Diezelfde Reve die tegelijk met Wittkampf bij Het Parool als verslaggever was begonnen en met wie hij wedijverde. Het moet hem lang en danig dwars hebben gezeten dat Reve als romancier was doorgebroken terwijl hij nog steeds als journalist voor Het Parool werkte.
In 1969 nam hij een jaar sabbatical om aan 'een lachpil' te gaan werken. Dat werd een mislukt project. Tot overmaat van ramp kreeg hij, eenmaal terug bij de krant, te horen dat hij zich vaker op de redactie moest laten zien en zich ook beschikbaar moest houden voor andere journalistieke werkzaamheden. De privileges die hem als meesterinterviewer waren gaan toebehoren, werden hem door de tijdens zijn afwezigheid nieuw aangestelde hoofdredacteur Herman Sandberg niet gegund.
In 1972 vertrok Wittkampf bij Het Parool en tot zijn dood, twintig jaar later, schreef hij nooit meer een journalistiek stuk. Hoewel zijn journalistieke oeuvre tot het beste van zijn werk behoort, was hij er zelf maar bescheiden over: 'Ik heb geen levens beschreven. Ik heb slechts opgeschreven wat mij trof, die achternamiddag dat ze zaten te praten. Mensen zijn geheimzinnig.'
Geheimzinnig, dat was hijzelf. Ondanks of misschien wel dankzij de drank, bleef hij verwoed schrijven aan die ene roman die nooit afkwam. Ruim tachtigduizend pagina's onvoltooid werk in achttien verhuisdozen liggen klaar om ontgonnen te worden. Wat dreef hem, wat was zijn geheim, waarom zoop hij zoveel, waarom liet hij nauwelijks meer iemand binnen in zijn domein?
Volgens Hans Heesen, de samensteller van 'Willem Wittkampf, Verzameld Werk' dat in februari verschijnt bij de Prom en dat een selectie bevat van reeds eerder gepubliceerd literair en journalistiek werk, werpt ook deze Mont Blanc van papier geen enkel licht op de diepere zieleroerselen van Willem Wittkampf. Die nam hij mee in zijn graf derde klasse op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied, dat dit jaar geruimd moet worden. Een deel van de opbrengst van het Verzameld Werk zal worden gebruikt om 'Willem' te herbegraven.
Tom Kellerhuis is redacteur van HP/De Tijd


Geraadpleegde bronnen
Dit artikel is mede gebaseerd op informatie van Hans Heesen en Marion Zwierink en van de volgende schriftelijke bronnen:
- Joris Abeling: 'Interviews uit Nederland, de beste Nederlandse interviews van de laatste 100 jaar', Amsterdam 1994.
- Gijs Groenteman: 'Wie was Willem?'. Nawoord bij Hans Heesen: 'Willem Wittkampf, Verzameld Werk', Baarn 2000 (februari).
- Ischa Meijer: De Dikke Man, Het Parool 14.10.92.
- Gerard van Westerloo: 'Willem, de meester van de spatie'. Vrij Nederland 16.2.91.
- Willem Wittkampf: 'Durfwerk', Amsterdam 1962.
- Willem Wittkampf: 'Nader bericht ontbreekt', Amsterdam 1963.
- Willem Wittkampf: 'Notities over mensen', Amsterdam 1969