Portretten

(Uit: De Journalist nr. 21, 19-11-1999)

Politiek tekenaar Opland
'vir-niks-nie-bang-nie'
Tekeningen die historisch-politieke voorkennis vergen

Al meer dan een halve eeuw is Opland prominent in de Nederlandse pers aanwezig. Zijn tekeningen in De Groene en de Volkskrant geven een zo goed als volledig beeld van de recente geschiedenis, zowel van de Nederlandse als de internationale. Bijna geen onderwerp dat in het nieuws was of Opland heeft het 'behandeld'.

Koos van Weringh

In maart 1988 verbleef ik enige weken in Australië en was in Sydney en Melbourne getuige van demonstraties tegen de kernbewapening. Een lange stoet van mensen trok door de straten, velen van hen voorzien van een button met een vrouwtje erop dat een raket wegtrapt. Ik was er zeer door verrast: Opland in Australië! Ver voordat het Nederlandse poldermodel in de politiek-economische wereld tot enige bekendheid geraakte was Opland's Hollandse poldermodelletje al wereldberoemd. Want niemand zal toch ooit op de gedachte kunnen komen dat dit vrouwtje dat een raket wegtrapt bedacht zou kunnen zijn door een Duitse, Engelse of Franse tekenaar? Opland, in 1928 als Rob Wout in Amsterdam geboren, is een 'Hollandse' tekenaar, daarover kan geen misverstand bestaan.
Al meer dan een halve eeuw maakt Opland politieke tekeningen en alleen al hierdoor moet hij als een fenomeen beschouwd worden. Of het hier een wereldrecord betreft durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar wel een Nederlands. Johan Braakensiek die voor De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland (De Groene), tekende hield het bijna een halve eeuw vol. In het buitenland ken ik enkele tekenaars die zeker een halve eeuw hebben volgemaakt. Ernst Maria Lang is vanaf 1948 in de Süddeutsche Zeitung bezig en Boris Efimow heeft het in Krokodil, het Sovjet/Russische tijdschrift, zeker zestig jaar volgehouden.
Wat betekent het om meer dan een halve eeuw politieke gebeurtenissen in binnen- en buitenland te volgen en kritisch in beeld te brengen? Die vraag kan beantwoord worden uit het gezichtspunt van de tekenaar, maar ook vanuit dat van de lezer/kijker. Laat ik beginnen met Opland zelf. Hoewel hij ooit opmerkte een afkeer te hebben van interviews ('Collega's moeten elkaar niet interviewen', de Volkskrant, 1 september 1973) heeft hij in de loop der tijden de verleiding toch niet altijd kunnen weerstaan zich in het openbaar over zijn bezigheden uit te laten. 
'Ik tuchtig mijzelf met het volgen van politici': dat stond als kop boven het verslag van het (voorlopig) laatste grote interview dat Pieter Webeling met de tekenaar had en de Volkskrant op 4 juli 1998 publiceerde ter gelegenheid van zijn vijftigjarige medewerking. Dat gesprek bevat een terugblik op zijn leven en werk en verschaft enig inzicht in zijn 'motivatie'. Ter voorbereiding van het gesprek heeft hij de volgende zin opgeschreven: 'Hoewel het leven verschrikkelijk is, een grote dirty trick van Onze Lieve Heer, is mijn fascinatie ervoor zodanig dat ik er toch iedere dag enthousiast in plons om er zo tenminste nog enige geluksmomenten aan te ontlenen'. Daartoe behoren dan ook, neem ik aan, de tekeningen over politici en politieke toestanden die hij zelf als geslaagd beschouwd. 'Bij vlagen kan ik goed tekenen, dan weer niet', laat hij weten.
Met zijn werk verbindt hij geen grote verwachtingen, die een belofte voor een betere wereld inhouden. Schertsend heeft hij zich wel eens een zendeling, missionaris of dominee genoemd, die een poging doet de mensheid te bekeren, maar een dergelijke uitspraak wordt dan onmiddellijk gerelativeerd. Grote woorden en ronkende teksten over de betekenis van zijn werk zijn niet van hem te vernemen. Wat een politiek tekenaar incidenteel doet, zei hij eens tegen Ischa Meijer, is wat de Tsjechen en masse deden: tegen de Sovjetmacht in verzet komen (De Nieuwe Linie, 7 september 1968). Die Tsjechen lieten in augustus 1968 een tijdje luidruchtig van zich horen - daarna duurde het nog zo'n twintig jaar voordat het communistische regime de geest gaf.
Pieter Webeling tekent het volgende uit Opland's mond op: 'Vergelijk mij maar met een Zuid-Afrikaanse kanonneerboot: een wees-nie-bang-nie-schepie dat links en rechts schietend ten onder gaat, zonder zelf geraakt te worden'. Dertig jaar eerder eindigt een interview met Martin van Amerongen met de volgende opmerking van de tekenaar: 'Ik ben een klein oorlogsschip, zo'n ding dat ze in het Zuidafrikaans een 'vir-niks-nie-bang-nie-scheepie' noemen, een klein oorlogsschip met een heleboel kanonnen. Naar alle kanten schietend ga ik langzaam ten onder' (Vrij Nederland, 20 december 1969). 

Het werk dat hij in meer dan vijf decennia het licht heeft laten zien bevestigt zijn eigen typering: 'vir-niks-nie-bang-nie'. Hij is bij geen enkele partij of groepering in te delen. Hier is een individualist aan het werk, een Einzelgänger die met zijn eigen maatstaven het wereldgebeuren gadeslaat. Die hebben het dan ook mogelijk gemaakt dat zijn loopbaan begon bij twee periodieken die vijftig jaar geleden radicaal tegengestelde werelden vertegenwoordigden.
Bij De Groene had Opland te maken met 'vreselijke papenhaters', zoals hij eens zei. En bij de Volkskrant - 'Katholiek dagblad voor Nederland', luidde de ondertitel tot in de tweede helft van de jaren zestig - zaten de 'papen' in alle redactielokalen. Dat J. M. Lücker, de hoofdredacteur van de krant, in die nog zeer verzuilde tijd iemand van niet-katholieken huize als tekenaar aantrok en in bescherming nam, mag opmerkelijk genoemd worden. Hij heeft overigens wel geprobeerd de tekenaar bij De Groene te doen ophouden, maar zonder succes. 
Voor iedereen die de tekeningen van Opland in beide bladen bekijkt en met elkaar vergelijkt is het duidelijk dat de wijze van benadering van het onderwerp verschillend is. In de Volkskrant zijn de tekeningen drukker en luidruchtiger, er gebeurt veel meer op, er valt meer te zien en vooral ook te lezen. 'Schuttersstukken', heeft Kees Fens ze een keer genoemd.
In De Groene gaat het aanzienlijk rustiger en stiller toe. In dat weekblad heeft hij zelfs enkele keren een tekening gepubliceerd waar helemaal niets opstond, behalve zijn signatuur ('Zoek Luns', staat onder zijn tekening van 20 januari 1962). Uit deze verschillende benadering wordt wel eens de conclusie getrokken dat de tekenaar in De Groene meer tot de essentie van het politieke onderwerp doordringt.
Naar aanleiding van de verschijnig van twee Opland-boeken, 'Dertig jaar wereldgeschiedenis' en 'Sint Joop en de Draak', schreef journalist Paul van 't Veer het volgende: 'Opland aanbevelen is net zoiets als een lovende recensie over Carmiggelt schrijven: volmaakt overbodig en zelfs (voor de recensent) een beetje belachelijk. De platen uit De Groene zijn opgezet met de gedachte dat eenvoud het kenmerk van het ware is, maar als je daar door deze prenten ten volle van overtuigd zou raken, blijkt uit de Volkskrant dat ook het tegendeel waar kan zijn. Heel vaak zit daar nu juist de (venijnige) humor immers in de uiterste gecompliceerdheid van de tekeningen' (Het Parool, 23 mei 1977). In eerste instantie was ik dat niet met Van t' Veer eens. Maar bij nader inzien, dat wil zeggen: na het bekijken van een paar duizend tekeningen uit een aantal decennia, moet ik hem posthuum gelijk geven. 
Beide 'genres', om het zo maar eens uit te drukken, vertegenwoordigen hun eigen waarde. Tekenen voor een weekblad vergt een andere instelling dan voor een dagblad, dat bovenop de politieke gebeurtenissen zit. Bij een weekblad bestaat veelal een vorm van overleg over het te tekenen onderwerp. Johan Braakensiek (De Amsterdammer) en Eppo Doeve (Elsevier) woonden de vergaderingen van de redactie bij, maakten daarvan ook deel uit en deden mee aan de discussies, waarna besloten werd wat het onderwerp voor het volgende nummer zal zijn. Van Opland is bekend dat zijn prenten vaak tot stand kwamen in samenspraak met de hoofdredacteur, mr. R.H. Dijkstra (tot diens dood in 1970). 
De tekeningen in de Volkskrant geven een zo goed als volledig beeld van de geschiedenis van de laatste halve eeuw, zowel van de Nederlandse als de internationale. Bijna geen onderwerp dat in het nieuws was of Opland heeft het 'behandeld'. Ik ken geen tekenaar, ook niet in het buitenland, die zo veelzijdig is in de keuze van zijn onderwerpen. Dat is helaas iets minder geworden, nadat hij (sinds september 1993) nog slechts één keer per week aanwezig is en niet meer in de gelegenheid bij alle belangrijke gebeurtenissen zijn getekend commentaar te leveren (en dan soms met prenten komt, waarop een aantal, niet altijd met elkaar samenhangende onderwerpen 'verzameld' is).
Hoeveel prenten hij in beide bladen gepubliceerd heeft heb ik niet exact nagegaan, maar mijn (betrouwbare) schatting komt toch in de buurt van de tienduizend uit. 'Het meest ideale zou wezen als je zou kunnen volstaan met één bafferd per jaar, één flinke bafferd, die hard zou aankomen', zei hij ooit tegen Martin van Amerongen (Vrij Nederland, 20 december 1969). Het zijn er dus meer geworden. Veel daarvan behoort uiteraard tot de categorie routine, dat kan niet anders bij zo'n gigantische productie. Maar er blijft heel wat over dat in elk geschiedenisboek zou moeten worden opgenomen, omdat belangrijke politieke ontwikkelingen erdoor gemarkeerd worden.
Ik zal hier geen opsomming geven van de 'bafferds' die in mijn geheugen zijn opgeslagen, maar één wil ik toch in herinnering brengen. Eén dag nadat in Berlijn met de bouw van De Muur werd begonnen en in 'het Westen' de politieke spanning ten top steeg verscheen in de Volkskrant de tekening 'Die Freie Demokratische Republik' (14 augustus 1961). 
Hoeveel tekeningen de kolommen niet gehaald hebben, valt moeilijk te zeggen, maar van Opland is een curieus voorbeeld bekend. In het boekje Beatrix-Claus, een journalistieke documentaire, samengesteld door Gerard van den Boomen en Han Lammers (1965) staat een tekening met de tekst: 'aangeboden aan de Volkskrant'. Als antwoord op mijn vraag aan de redactie waarom deze prent niet in de krant stond, kreeg ik het volgende te lezen: 'Welke motieven de redactie heeft bij het al of niet opnemen van bepaalde kopij, is geen aangelegenheid van de lezer, althans niet in dit geval' (3 november 1965, ondertekend door Mej. L. van Marissing). 

In de benadering van zijn politieke slachtoffers behoort Opland niet tot de meest genadeloze tekenaars. Niemand wordt onder de grond geschoffeld of krijgt een doodsklap uitgedeeld, ook niet omdat de tekenaar weet daardoor juist de populariteit van het slachtoffer te vergroten - en dat kan niet de bedoeling zijn. Toch zijn er politici die er slecht af komen. De Amerikaanse president Richard Nixon is een van de meest ongunstige figuren in het Oplandse oeuvre. Gedurende de oorlog in Vietnam verscheen hij elke week op het toneel, een dikke penisneus voor zijn kop, wellustig met zijn bommen het Vietnamese volk in het stenen tijdperk terugvoerend.
Op het nationale toneel lijkt mij A. A. M. van Agt, in de wandeling Dries genoemd, Opland's negatiefste slachtoffer. In het gesprek met Pieter Webeling zegt de tekenaar: 'Luns ... tja. In die vijftig jaar zie ik hem als mijn grootste tegenstander. Gek genoeg had ik een soort achting voor hem, zoals een schermer bewondering kan hebben voor de stijl waarmee zijn opponent hem aan het rapier wenst te rijgen' (de Volkskrant, 4 juli 1998). Luns schreef een voorwoord bij de eerste bundel van Opland, 'Te kijk bij Opland', verschenen in 1964. Maar Luns komt er lang niet zo negatief en ongunstig af als Van Agt. Natuurlijk, de minister van Buitenlandse Zaken wordt ons als tamelijk onbenullig en stumperig voorgesteld, maar hij mist dat onbetrouwbare dat bij Van Agt permanent aanwezig is. 

Opland heeft zichzelf wel eens een 'observateur' genoemd, die vanaf een zijtoneel het gebeuren in ogenschouw neemt. Zijn goedkeuring kan het niet wegdragen wat op het hoofdtoneel plaatsvindt en daarom legt hij even de tekenvinger op de zere plek, zonder daarbij echter de illusie te koesteren dat onmiddellijk verbeteringen zullen intreden. Van bevlogenheid voor een nieuwe mens en een betere maatschappij kan hij niet worden verdacht. Maar hij wordt wel extra kritisch als politici die zich idealistisch en bevlogen voordoen, er weinig van terechtbrengen. In 'Joop' (1988) staan de lotgevallen opgetekend van Den Uyl, wiens bevlogenheid geen stand kon houden tussen christen-democratische onwil en nieuwlinkse doordrammerij.
Het relativerende in Opland's werk heeft, denk ik, vooral te maken met zijn grote kennis van vooral de vaderlandse geschiedenis. Hij weet dat er weinig nieuws onder de zon is en dat het allemaal al eerder en vaker gezegd en geprobeerd is. Wat nu plaatsvindt heeft zich driehonderd jaar geleden ook al voorgedaan, alleen hadden de stukken toen andere namen en speelden andere mannetjes en vrouwtjes de hoofd - en bijrollen.
In 1991 heb ik in het kader van het Theaterfestival een tentoonstelling samengesteld die in het Haags Historisch Museum te zien was: 'Allemaal Theater!'. Het ging om tekeningen van een groot aantal Nederlandse politieke karikaturisten, uit verleden en heden. Maar ik had die tentoonstelling ook kunnen inrichten - en dan twee of drie keer zo omvangrijk - met alleen tekeningen van Opland die met het theater te maken hebben: de politicus uit de twintigste eeuw als de hellebaardier uit de Gouden Eeuw. Ik kom hier nog een keer terug op 'het Hollandse' in Opland's werk. Dat blijkt niet alleen uit die vele vergelijkingen met de tijd van de Tachtigjarige Oorlog, maar ook uit zijn landschapstekeningen, vooral in de winter. Een lege polder, met bevroren sloten en kanalen, een kerktorentje in de verte, een boerenhoeve, een eenzame schaatser, een groepje op een arrenslee, een zielepoot die door het ijs zakt. Ik heb ooit gelezen dat Albert Hahn 'de Opland van de eeuwwende' was: dan is Opland de Hendrick Averkamp van de twintigste eeuw.
Dat Hollandse komt ook tot uitdrukking op de vele tekeningen met al of niet besneeuwde Amsterdamse grachten. Sommige daarvan zijn zo suggestief dat je als het ware op de achtergrond het carillon van de Oude Kerk hoort spelen: O, Nederland let op uw Saeck!

Opland heeft meer dan een halve eeuw geschiedenis in beeld gebracht, onvermoeibaar, vanuit een grote nieuwsgierigheid en gewapend met een gezond wantrouwen tegenover iedereen die meent iets over een ander te zeggen te moeten hebben. Opland weet het zelf wel: hij kent de geschiedenis en heeft zijn eigen ervaringen. Maar hoe zit dat met de lezer van de krant die ook nog de politieke prenten bekijkt? (ik ken mensen die nooit een blik op een tekening werpen).
In het gesprek met Pieter Webeling windt Opland zich op over een collega die van mening is dat hij ermee zou moeten ophouden: 'Voordat Opland oud en versleten de trap wordt afgegooid, moet hij zelf gaan', wordt daar Het Parool geciteerd. De tekenaar is het daar niet mee eens. Een kunstenaar, meent hij, laat zich niet met pensioen sturen. Tegen de jonge-mannencultuur, waarin wij tegenwoordig leven, heeft hij niets, maar de 'debunking' van wat hij de 'Iets Oudere Persoon' noemt vindt hij 'ronduit schandalig'. Om daaraan toe te voegen dat hij nog adrenaline heeft voor tien jaar. Jaren geleden vervaardigde hij trouwens een affiche voor de actiegroep Amsterdam tegen leeftijdsdiscriminatie, waarop twee montere oudjes vragen: 'TE OUD? HOEZO?'
Ik ken verschillende mensen die van mening zijn dat Opland zijn tijd heeft gehad. Zijn tekeningen begrijpen ze niet meer. Maar wat betekent 'zijn tijd gehad?' Dat kan alleen gezegd worden door mensen die zijn tijd niet hebben meegemaakt en niet diezelfde ervaringen hebben opgedaan - en niet hebben kunnen opdoen. Iemand die nog een vleug heeft meegekregen van de crisisjaren en daarna van oorlog en bezetting zal meer begrip voor Opland's tekeningen (kunnen) opbrengen dan iemand die in de jaren zestig of later geboren is. Wat zegt de laatste een verwijzing naar Colijn - als hij of zij al ooit die naam gehoord heeft, want zo zeker is dat in deze tijd van afnemende meerkennis ook weer niet. Ik bedoel: een tekenaar als Opland, die wat historisch-politieke voorkennis betreft veel van zijn 
kijkers vergt, krijgt het steeds moeilijker en wel om de eenvoudige reden dat die kennis niet meer voorhanden is. Zelfs parlementsleden hebben weinig of geen benul meer van de geschiedenis van dit landje, zoals onderzoek heeft duidelijk gemaakt. Tekenen over politiek vindt steeds meer in het luchtledige plaats. Wat kan een karikaturist dan nog verwachten? Opland weet het zelf: 'Mijn werk is een psychische uitlaatklep, anders vliegt alles naar m'n strot. (...) Kortom, ik teken om in leven te blijven' (de Volkskrant, 4 juli 1998). Zo zijn er ook lezers van kranten die het nieuws van de dag naar de strot vliegt, maar die bij het zien van een tekening vaststellen dat er toch nog een luchtweg overgebleven is.

Opland is dan wel bekend en beroemd door zijn tekeningen in De Groene en de Volkskrant, maar ik heb ooit uit de Haagse Post een advertentie geknipt met deze tekst: 'Zoals Opland in Het Parool tekent, tekent hij nergens'. En belangstellenden konden dan een bon invullen voor gratis proeven: 'Ik wil wel eens zien hoe Opland in Het Parool tekent' (3 december 1977). En inderdaad, jarenlang heeft hij een pagina van Jeanne Roos geïllustreerd, Tip van Roos. Zeker een paar duizend tekeningen en tekeningetje over honderden onderwerpen uit het dagelijkse leven. Over horoscopen, over het proeven van wijn, over kerstversieringen, over speelgoed, waar niet over. En allemaal in kleur. Bij het doorbladeren van een paar mappen vroeg ik mij af, waarom aan dit speelse en fantasierijke werk nooit aandacht is besteed (ik hoop dat ik niet goed op de hoogte ben). Dat Opland's fantasie zich niet tot het politieke terrein beperkt, weten we trouwens ook uit de kinderboeken die hij heeft geschreven/getekend. Ik noem 'De muts van de keizer' en 'De sneeuwpop', uitgegeven door De Harmonie in 1980.
Ik keer tenslotte terug naar de politiek en wel die van het actiewezen. Met Len Munnik behoort Opland tot de tekenaars die tal van actiegroepen hebben voorzien van aansprekende voorstellingen voor hun bezigheden. Het Hollandse poldermodelletje dat een raket wegtrapt, is reeds ter sprake gekomen. Ik noem hier slechts zijn affiches voor J'Accuse, een stichting die zich inzette voor de rechten van de mens en twintig jaar lang (1969-1988) op de avond van de vierde mei in Krasnapolsky een bijeenkomst belegde, waar een actueel thema op de agenda stond. De zwart-wit affiches waren overal in Amsterdam op- en aangeplakt. De bijeenkomsten waren een belevenis van de eerste orde. Opland was er zelf nooit bij. 'Ik herdenk in stilte. De affiches zijn mijn bijdrage, dat is mijn vorm van barricaden bestijgen', zei hij tegen Diny van de Manakker van Vrij Nederland (30 april 1988). Het weekblad drukte al zijn affiches erbij af.
In 1970 werd bekend dat de dagbladen NRC, Algemeen Handelsblad en De Tijd nauw zouden gaan samenwerken. Daarover ontstond grote onrust onder de bij die kranten werkzame journalisten, er werden protestbijeenkomsten georganiseerd. In de Volkskrant van 1 oktober 1970 werd bericht over een eenmansactie van tekenaar Opland: 'Hij wordt regelmatig in cafés waargenomen, bezig de bezoekers mee te krijgen in een daverend spreekkoor met als tekst: 'De krant is het geestelijk eigendom van de journalist'. En, zoals vanzelf spreekt: die tekst had hij op een affiche vastgelegd. 


(Uit: De Journalist nr. 14, 27-7-2001)
Veel aandacht voor overlijden Opland
Bijna alle kranten stonden vorige week vrijdag uitvoerig stil bij het overlijden van politiek tekenaar Opland (Rob Wout). De meeste brachten uitgebreide necrologieën met veel foto's en illustraties. 
Uitzondering vormde De Telegraaf. Die bracht op de kunstpagina slechts een berichtje van 36 woorden. Reden: ruimtegebrek, zo liet een redacteur weten.Het grootste eerbetoon leverde de Volkskrant, waar Opland meer dan vijftig jaar voor werkte. Op vrijdag was de halve voorpagina ('Het geweten van links en de gesel van rechts') en de volledige pagina 3 gewijd aan de tekenaar. Verscheidene redacteuren onder wie Willem Ellenbroek blikten terug op zijn leven. De dag erna brachten collega-tekenaars Joep Bertrams, Peter van Straaten, Stefan Verwey, Teo Gootjes, Arend van Dam, Jaap Vegter, Wim Borst, Paul Kusters en Len Munnik op pagina 7 van de Volkskrant een 'Ode aan Opland'. Alleen Frits Müller en Fritz Behrendt konden wegens verblijf in het buitenland geen bijdrage leveren. Koos van Weringh, kenner en verzamelaar van Nederlandse politieke prenten, schreef over de betekenis van Opland: 'Het oorlogsschip is gezonken'. Tekenaar Jos Collignon bracht op zijn vaste plek op de forumpagina een laatste groet aan Opland, staande voor de hemelpoort.
Ook Het Parool had in de PS-bijlage een groot portret met illustraties, geschreven door Paul Arnoldussen, onder de naam 'Een klein oorlogsschip met een heleboel kanonnen'. In de NRC beschreef Henk Steenhuis Opland als een rebels politiek tekenaar. Jan Kuijk schetste in Trouw een uitgebreid profiel van 'een tekenend journalist met een voorkeur voor de zwarte lijn'. Algemeen Dagblad reserveerde het grootste deel van de Mediapagina voor de levensloop van de politiek cartoonist. Redacteur Sjak Jansen citeert onder meer Groene-hoofdredacteur Martin van Amerongen die Opland omschreef als 'de vleesgeworden anarchie'. Volgens Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant is Opland een halve eeuw lang het boegbeeld van de Volkskrant geweest.
De Groene Amsterdammer, waar Opland ook ruim 50 jaar werkzaam voor was, hield de afgelopen twee maanden elke week ruimte voor Opland open en vulde die telkens met de zin 'Opland is ziek'. Het opinieblad bracht deze week, vlak na het verschijnen van het dubbeldikke zomernummer, een speciale geheel aan Opland gewijde editie. 
Jeroen Vliegenberg