Dossier Kwaliteit
Terug naar inhoudsopgave Kwaliteitsdossier

De media en hun verantwoordelijkheid:
het rapport 'Medialogica' van de RMO


De nieuwsmedia moeten verantwoording afleggen voor hun dwingende rol in het publieke debat. Dat stelt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in een advies van maart 2003. Ongewenste effecten van onder andere commercialisering bedreigen volgens de raad het evenwicht tussen media, politiek en publiek.

Hugo van Engelsdorp Gastelaars

In de huidige informatiemaatschappij spelen de media een centrale rol als schakel tussen instituties en burgers. De media fungeren als 'decorbouwers' voor het politieke en publieke landschap. Het debat wordt bepaald door de mogelijkheden en begrenzingen die de media stellen, waarbij vooral de televisie belangrijk is. Zo ontstaat een soort logica waaraan de actoren in het publieke debat zijn gebonden: de medialogica.
De opkomst van de medialogica gaat gepaard met een neergang van de logica van de politieke partij, de zuil, de omroep. Daarvoor in de plaats komt een commercieel ingesteld medium, in een concurrerend medialandschap. Er is een integrale markt ontstaan waarop concurrerende media, concurrerende politici en concurrerende belangenorganisaties strijden om een plaats. Medialogica heeft positieve en nadelige gevolgen. Eťn van de nadelige gevolgen is de vernauwing van het begrip nieuwswaarde. Criteria als 'het persoonlijk conflict' bepalen in toenemende mate de nieuwswaarde. Dat komt door de hogere 'entertainment'-waarde van dit soort nieuws.
Om de nadelen van medialogica te temperen zonder de voordelen te verliezen komt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling met adviezen aan de overheid en aan de journalistiek. De overheid moet de pluriformiteit van de media garanderen. De media moeten verantwoording afleggen naar het publiek en zich daarop laten aanspreken. De burger moet meer inzicht krijgen in de werkwijze van de media. 

De publieke arena
Het publieke domein bevindt zich in het midden van de driehoeksrelatie tussen media, politiek en burgers. In dit publieke domein vormen de media een arena, een podium, maar ze zijn zelf ook actor. Het uitgangspunt dat media alleen 'mediŽren' is volgens de RMO niet meer staande te houden. Burgers weten de media ook steeds beter in te schakelen: belangengroepen, bedrijven en burgers maken in toenemende mate gebruik van de media als arena om anderen te bereiken. Een gemiddelde burger maakt twintig tot dertig uur per week gebruik van de media. Veruit het meest gebruikte medium is televisie.

Basisvoorwaarden
Om de publieke taak van de media mogelijk te maken, moet een aantal fundamentele waarden in acht worden genomen:
∑ Vrijheid van meningsuiting. De overheid heeft hier weinig ruimte voor regels en mag zich niet bemoeien met de  inhoud van publicaties.
∑ Pluriformiteit, waarbij de media opvattingen van verschillende stromingen verkondigen en de verschillende opvattingen elkaar in evenwicht houden.
∑ Onafhankelijkheid, dat wil zeggen geen controle vooraf op de inhoud door de overheid of door het bedrijf waaraan een medium is gebonden. Een medium mag wel verbonden zijn aan een mening of groep of zuil, maar hoort dan een kritische distantie te bewaren.
∑ De publieke taak van media is het bevorderen van meningsuitwisseling, ook die van een minderheid.

Verantwoordelijkheid
In toenemende mate eist men transparantie van bedrijven, instellingen en dus ook de media.  De RMO noemt vier verantwoordelijkheden van de media en mechanismen om die verantwoordelijkheden te regelen:
Politieke verantwoordelijkheid, vastgelegd in wetten en regels, te controleren in jaarverslagen.
Marktverantwoordelijkheid, vormgegeven door marktaandelen en kijkcijfers.
Publieke verantwoordelijkheid, gevormd door een dialoog met het publiek. Brieven- en meningen-pagina's zijn hiervan een voorbeeld. Sommige media zoeken nieuwe wegen om publiek verantwoording af te leggen, zoals met visitaties, burgerpanels en media-ombudsmannen. Tenslotte werken de media per definitie in de openbaarheid, zodat elke publicatie open staat voor kritiek.
Professionele verantwoordelijkheid. Ingebakken in de journalistieke mores zit een streven naar volledige, feitelijke, betrouwbare en representatieve berichtgeving. Het hanteren van deze journalistieke waarden wordt bevorderd door methodes van zelfregulering: gedragscodes, redactiestatuten en professionele opleidingen. Bemoeienis van buiten redacties komt van de Raad voor de Journalistiek, die echter slechts een adviserende rol heeft.

Veranderende relaties
De verzuilde samenleving is veranderd in een samenleving van integrale markten, waarbij de keuzes van de burger niet meer vastzit aan een traditionele identiteit maar meer wisselt. Anders geformuleerd: de klassen- en zuilenmaatschappij is veranderd in een netwerkmaatschappij. De RMO ziet de veranderingen in de relatie tussen politiek, media en burgers als een oorzaak van de gewijzigde rol van de media.
∑ Politiek wordt de ontzuiling geillustreerd door de opkomst van D66 en later de LPF, de fusies tot CDA en GroenLinks en de coalitie van liberalen en sociaal-democraten in paars.
∑ In de media zien we de opkomst van commerciŽle zenders in een markt die voorheen werd beheerst door verzuilde publieke omroepen. In de krantenmarkt zien we door ontzuiling de pluriformiteit tussen de kranten verminderen, maar binnen kranten ontstaat meer ruimte voor verschillende meningen van journalist en lezer.
∑ De opkomst van een netwerkmaatschappij betekent een groter beroep op de media, waaruit een grotere invloed van de media voortvloeit.
∑ Globalisering is een belangrijke verandering. Die betreft niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de politiek (Europa) en de media (buitenlandse zenders).  Een hieraan tegengestelde trend is de localisering. In de samenleving zien we subgroepen ontstaan van, bijvoorbeeld, homoseksuelen, allochtonen en voetbalsupporters, in de politiek zien we een opkomst van lokale partijen.
∑ Van groot belang is de opkomst van Informatie en Communicatie Technieken (ICT), waardoor een enorme hoeveelheid communicatie geschiedt via e-mail en internet. De relatie tussen overheid, burger en media is hierdoor gewijzigd, er is meer interactie tussen de drie. De betrouwbaarheid van nieuws op internet staat wel ter discussie. Andere technische ontwikkelingen die de driehoeksrelatie beÔnvloeden zijn er ook. Er komt steeds meer nieuws van over de hele wereld via satellieten, maar ook niet-professionals hebben toegang tot apparatuur om nieuws te verbreiden. De toename van de snelheid van het nieuws leidt ook tot meer kopiŽren van elkaars nieuws.
∑ Politici en journalisten groeien naar elkaar toe, ze opereren dichter naast elkaar, hanteren hetzelfde taalgebruik en wisselen soms van positie. Politici en pers proberen via de media-arena met prikkelend nieuws een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Het publiek maakt meer gebruik van de media maar vertrouwt ze minder. Het publiek ziet het politieke nieuws als theater. Voor politici betekent dit dat ze niet meer een vaste achterban hebben om zich op te richten (partij-democratie), maar overal kiezers proberen weg te halen (toeschouwersdemocratie).
∑ Een belangrijke verandering is volgens de RMO de commercialisering. Grote bedrijven nemen belangen in verschillende media. Ledenverenigingen maken plaats voor wijd vertakte mediaconcerns, met vertakkingen naar buitenlandse bedrijven. De toename van commerciŽle zenders geeft politici en overheid meer kanalen, maar dwingt ze ook om zich actief op de integrale kijkersmarkten te begeven.
∑ Mede als gevolg van de toenemende concurrentie in de media-arena gaan politiek en overheid meer professioneel te werk. Strategie en professionele voorlichters worden belangrijker. De journalistiek professionaliseert ook, volgt meer de eigen agenda dan een zuiver door de autoriteiten bepaalde agenda. Er ontstaan op het publiek gerichte vormen van journalistiek: civil journalism. Ook burgers professionaliseren, met het maken van weblogs bijvoorbeeld. 
∑ Sinds eind vorige eeuw is er meer aandacht voor maatschappelijke verantwoording bij bedrijven. Als logisch gevolg van de professionalisering en de toegenomen autonomie van de media wordt ook in deze beroepsgroep nagedacht over publieke verantwoording. Dit heeft geresulteerd in een Kijkwijzer (1999) op televisie en een gedragscode van hoofdredacteuren van kranten (1995). Van een doortimmerde visie van journalisten over publieke verantwoording is echter nog geen sprake. De media-instanties hebben te maken met een interne ambivalentie: aan de ene kant hebben zij een sociaal-maatschappelijke functie, aan de andere kant moeten zij als industrie gewoon winst maken.
∑ Een laatste maatschappelijke trend waar de media mee te maken hebben is de informeler geworden relaties tussen burgers en autoriteiten. Op tv merken we de informalisering aan de kortere spreektijd die politici krijgen vůůr ze worden onderbroken, in infotainment zitten de 'gezagsdragers' gewoon aan tafel met de soap-sterren. Bij infotainment vervaagt de grens tussen journalistiek en vermaak, maar voor veel mensen zijn dit soort programma's een belangrijke bron van politiek nieuws. De informalisering maakt dat politiek vaker wordt gebracht als vorm van entertainment. Hier spelen ook de kijkcijfers een rol. De politieke boodschap moet dan concurreren met ander entertainment. Politici worden bekende Nederlanders, en de beste onder hen zou je 'publiticus' kunnen noemen. Politiek in deze verkoopbare vorm heeft invloed op de inhoud.

Medialogica
De hier beschreven trends hebben, in hun interactie, gezorgd voor opkomst van een integrale media-markt. De voorspelbaarheid van het in gang gezette proces is laag, omdat de voorkeur van het publiek wisselt en verkoopcijfers vaak de voortgang bepalen. Waar oude vormen van logica zijn verdwenen, noteert de RMO een nieuwe vorm van logica voortkomend uit de nieuw-ontstane media-markt: medialogica. Medialogica betekent dat het medium de vorm bepaalt waarin het nieuws gecommuniceerd wordt. De logica van een medium is bepalend voor vorm en richting van het publieke-politieke debat.
∑ Een belangrijk kenmerk van de medialogica is snelheid: 24-uur nieuws, met meer journalisten die vechten om primeurs.
∑ Om de ingewikkelde werkelijkheid tot nieuwswaardige verhalen te reduceren, presenteren de media het nieuws in een 'frame', een interpretatie-schema. Het conflict of de strijd om de macht, zijn zulke hanteerbare nieuwsframes.
∑ Ook personaliseert de medialogica het nieuws: het gaat om de poppetjes, hun ruzies en hun slagen of falen.
∑ Gedreven door concurrentie zorgt medialogica voor meute-vorming. Journalisten herhalen het nieuws van elkaar en hanteren hetzelfde perspectief op de zaak. Zo ontstaan 'hypes' of 'nieuwscascades': nieuws dat zichzelf versterkt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen. De kracht van de vele herhalingen op TV draagt bij aan hype-vorming.
∑ Politieke journalisten wagen zich vaker aan interpretatieve journalistiek en zijn langer zelf aan het woord.
∑ Burgers komen vaker in beeld als ervaringsdeskundige. Dat brengt het nieuws dichter bij de burger, maar verlaagt het inhoudelijke niveau van de journalistiek.
∑ De media bepalen de nieuwswaarde van feiten, niet de publieke instantie. De journalist heeft zich in deze geŽmancipeerd van de gezagsdrager. Vermeende schandalen nemen verhoudingsgewijs een grote plaats in bij het journalistieke nieuws. Dit kan een vertekening van de realiteit betekenen.

Terugkerend naar de driehoek publiek-politiek-pers, zien we dat media en politiek verstrengeld raken. In de arena van de medialogica lopen de belangen van parlementariŽrs en journalisten vaak gelijk. Hier staat niet per sť het brengen van inhoud voorop, maar het bereiken van veel mensen. Politici en journalisten proberen beiden het 'frame', de invalshoek, te bepalen waarin het nieuws naar buiten komt. Politiek strategen en voorlichters, komen in het hart van het beleidsproces te staan.

Gevolgen voor burger
Wat zijn nu de gevolgen van de medialogica voor de derde partij: het publiek?
∑ Een positief gevolg is dat de pers zijn functie als waakhond van de democratie met toenemende assertiviteit vervult. De pers controleert effectief de machtsuitoefening en maakt besluitvorming transparanter. Hierbij gaat het echter vooral om incidenten, veel minder vaak om goed onderzochte zaken.
∑ De burger heeft snel toegang tot informatie op maat. Als televisie of krant niet voldoende zijn, is er nog het internet. Dit dwingt de politiek tot duidelijkere taal dan voorheen.
∑ De burger wordt vaker zelf gezocht door de media. Dit verkleint de kloof tussen de samenleving die de media portretteren en de samenleving zoals mensen haar ervaren.
∑ Het oordeelsvermogen van mensen wordt bevorderd door de grote beschikbaarheid van nieuws op maat. Dit bevordert de maatschappelijke participatie van mensen.
Negatieve gevolgen noemt de RMO ook:
∑ De haast, ingegeven door concurrentiebesef, maakt de berichtgeving vaak slordig en ongecontroleerd. De korte-termijn visie overheerst het nieuws.
∑ Door het frame van machtspel of schandaal dat media vaak hanteren, wordt de berichtgeving ironisch. Het publiek verliest mede hierdoor het vertrouwen in zowel de politiek als de media en zou hierdoor kunnen radicaliseren.
∑ Omdat de politiek-bureaucratische machine (de ambtenaren) het nieuws mijdt en ook niet wordt gezocht, richt de aandacht zich overmatig op de politiek-publicitaire machine (het parlement). Hierdoor ontstaat een onjuist beeld van het bestuur, bestaat het risico op irrationeel beleid, geÔnitieerd vanuit het parlement (bijvoorbeeld de reactie op de bolletjesslikkers) en verdwijnt de inhoudelijke kant van de politiek naar de achtergrond.
∑ De RMO signaleert het probleem dat meer groepen mensen het nieuws mijden, waardoor de 'gedeelde ervaring' verloren gaat, die belangrijk is voor sociale cohesie.

Conclusie
De gevolgen van de medialogica zijn volgens de RMO zo ingrijpend, dat een vorm van verantwoording nodig is. Deze verantwoording betreft hier de traditionele media (radio, televisie, krant), voor de nieuwe media is een apart onderzoek gewenst.
De verwachting vooraf, dat rol van de media zo zou zijn gegroeid dat zij de politieke agenda bepalen, nuanceert de RMO. Maar de media beÔvloeden - als decorbouwers van de publieke arena - wel de ruimte voor politici en publiek om te de publieke arena te bespelen en bepalen voor een deel de regels van het spel. In sommige gevallen, wanneer nieuwsinterpretatie door journalisten het nieuws vormt (hypes), betreden journalisten zelf de arena. Dat brengt een verantwoordelijkheid mee, waar de samenleving de media op moet kunnen aanspreken.
De media beseffen deze verantwoordelijkheid, meer dan de RMO vooraf verwachtte, en ondernemen pogingen om hun werkwijze transparanter te maken. De mechanismen om transparantie en publieke verantwoording te bewerkstelligen, moeten echter versterkt worden. Niet om medialogica te veranderen - die heeft immers ook positieve gevolgen - of om de persvrijheid te beknotten, maar om negatieve gevolgen van medialogica te temperen. Dit vergt inzet van zowel politici als media. Omdat zij niet buiten elkaar kunnen, houden zij elkaar in een innige verstrengeling: iedereen doet mee omdat niemand zich eraan kan onttrekken.
De Nederlandse overheid is traditioneel zeer terughoudend wat betreft invloed uitoefenen op de media. Fundamentele grondrechten, het recht van vrije nieuwsgaring en meningsuiting, dwingen de overheid hiertoe. Met deze grondrechten als uitgangspunt, adviseert de RMO de overheid om de media tegemoet te treden met een houding van 'actieve vrijheid': zelfregulering en persvrijheid staan voorop, maar de overheid wordt actief als bepaalde journalistieke en democratische waarden in het geding komen. De RMO stelt dat waarden als pluriformiteit, onafhankelijkheid en transparantie bedreigd worden door de effecten van commercialisering. De RMO adviseert de regering om de media niet volledig aan de grillen van de markt over te laten.

Stimulerende maatregelen
Pluriformiteit is belangrijk voor een vitale democratie. Om te voorkomen dat krantentitels verdwijnen, kan de overheid indirecte maatregelenen nemen, zoals een nul-BTW tarief of gratis kranten voor scholieren of inburgeraars. Daarnaast kan de overheid mediaconcerns  stimuleren om open te zijn over de belangen die zij dienen. Een jaarlijkse prijs voor publieksverantwoording zou daarbij behulpzaam kunnen zijn.
Om een ondergrens van pluriformiteit in de media te bewaken, stelt de RMO een perfusieregeling voor. Deze regeling omschrijft maximale marktaandelen die een bedrijf mag hebben binnen ťťn markt, en verspreid over meerdere mediamarkten. De NMa (Nederlandse Mededingingsautoriteit) moet hierin actiever worden. Binnen mediaconcerns moeten redactiestatuten verplicht zijn om vrijheid en onafhankelijkheid van redacties te garanderen.
Wat betreft de publieke omroep draagt de overheid speciale verantwoordelijkheden binnen een 'hybride' stelsel waar ook private verantwoordelijkheden zijn aangegeven. De RMO vindt dat de publieke omroep behoed moet worden voor een door commercie gedreven medialogica. Kijkcijfers zouden een minder dominante rol moeten gaan spelen. Wel moet de publieke omroep actiever ruimte moeten geven aan feedback van burgers over de keuzes van de omroepen. Bijvoorbeeld door 'public hearings' te organiseren.

Raad voor de media
De RMO permitteert zich ook een advies richting de media om de zelfregulatie te intensiveren. De overheid zou de suggesties van de Raad moeten faciliteren. De toegenomen verstrengeling tussen journalisten en politici, het journalistieke haastwerk en het verschijnsel van politiek als entertainment, roepen vragen op bij het publiek over redactionele keuzes en journalistieke interpretaties. Zelfregulering staat voorop bij het waarborgen van journalistieke kwaliteit, maar is in het licht van genoemde ontwikkelingen niet meer voldoende. Meer transparantie, reflectie en het afleggen van publieke verantwoording zouden de negatieve gevolgen van medialogica kunnen temperen.
Voor de publieke verantwoording van media zouden de al eerder genoemde 'public hearings' een rol kunnen spelen. Een meer ludiek idee van de RMO is een jaarlijks media-politiek verantwoordingsdebat, op de derde donderdag in juni, voorafgaand aan het zomerreces. Daar zouden pers, politici en publiek met elkaar in discussie gaan.
Om zelfreflectie te bevorderen zou er een mediawatch-instituut moeten komen, dat opdracht krijgt om berichtgeving te onderzoeken en de resultaten te publiceren. Door de publicaties van het mediawatch-instituut kunnen burgers en adverteerders de media aanspreken op wat ze doen. Idealiter komt zo'n instituut vanuit de beroepsgroep zelf tot stand, maar de overheid zou het kunnen stimuleren. Uiteraard moet zo'n instituut onafhankelijk van de overheid functioneren. Wetenschappelijk onderzoek naar media-functioneren moet versterkt worden en de resultaten teruggekoppeld naar redacties.
De rechtsgang voor personen die de media daadwerkelijk ter verantwoording willen roepen, dient versterkt te worden. Dit kan de beroepsgroep zelf doen door de Raad voor de Journalistiek meer tanden te geven of door een media-ombudsman te installeren. Als deze methoden van zelfregulering niet van de grond komen, moet de overheid de gang naar de rechterlijke macht faciliteren. Dit kan door een 'voorportaal' voor de rechter te creŽren in de vorm van een geschillencommissie.
De media vormen de schakel tussen de burger en de democratische instituties. Zij zorgen dat de burger inzicht krijgt in de instituties. Zo bevorderen de media de empowerment van burgers, het weerbaarder maken van het publiek. De burger krijgt inzicht in hoe de instituties zijn belangen behartigen en kan makkelijker in actie komen. Deze weerbaarheid dwingt de instituties op hun beurt tot transparantie en zelfreflectie. Op dezelfde wijze als zij dat met instituties doen moeten de media de burger inzicht verschaffen in de manier van werken van de media. Een weerbare burger is een krachtig instrument om zelfregulatie af te dwingen. Empowerment van de burger komt volgens het RMO niet vanzelf van de grond. De overheid moet zelforganisatie van burgers in dit kader stimuleren. De bedoeling van het assertiever maken van de burger is niet een afhankelijke houding naar het publiek toe bij de media te creŽren. De journalistiek moet zelf weerbaarder gemaakt worden ten opzichte van teveel marktwerking. Het publiek is gebaat bij journalisten die zich laten leiden door een onafhankelijke visie op de samenleving. Zo ontstaat er een nieuw evenwicht in de driehoeksrelatie tussen media, politiek en publiek.