Dossiers
Rapport Commissie Verschoningsrecht
van 30-10-2001 


Lees ook het persbericht en de belangrijkste conclusies
Lees ook de aanbevelingen
Lees ook J.L. de Ru (81) gaf zijn bron niet prijs

I. VOORWOORD 
De besturen van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren en van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) hebben op 4 december 2000 een commissie in het leven geroepen om onderzoek te doen naar de knelpunten die zich voordoen in verband met bronbescherming en de inbeslagneming van journalistiek materiaal. De commissie heeft met instemming van de besturen het onderzoeksterrein uitgebreid tot andere situaties waarin journalisten in hun beroepsuitoefening met het (straf-)recht in aanraking kunnen komen.

Confrontaties tussen journalisten en de justitiële autoriteiten - zoals de achttien dagen durende gijzeling van Spits-verslaggever Koen Voskuil in oktober 2000 - waren een aanleiding voor de opdracht aan de commissie, maar niet de enige. Ook recente ontwikkelingen op jurisprudentieel gebied – zowel supranationaal (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM) als nationaal – en op het politieke vlak voedden de behoefte aan een rapport over journalistieke bronbescherming en aanverwante zaken.

In een ontmoeting tussen het bestuur van de NVJ en de Vaste Tweede Kamercommissie Justitie vroegen volksvertegenwoordigers naar het standpunt van de beroepsgroep over het journalistiek verschoningsrecht. Daarbij kwam onder meer de vraag aan de orde wat zou moeten gebeuren met het in 1993 door het toenmalige Tweede-kamerlid Jurgens ingediende ontwerp voor een Wet op het journalistieke privilege. Namens Genootschap en NVJ is daarop toegezegd dat nog ruim binnen deze regeerperiode een geactualiseerde inventarisatie over deze materie in ruime zin zal worden opgesteld.

De commissie bestond uit: 
Prof. dr. Chrisje Brants, hoogleraar strafrecht, Willem Pompe Instituut Universiteit Utrecht;
Mr. Irene Konings, secretaris NVJ;
Mr. Willem F. Korthals Altes, rechter arrondissementsrechtbank Amsterdam;
Mr. Victor Lebesque, redacteur de Volkskrant;
Secretaris: mr. Marie José Geradts, rechterlijk ambtenaar in opleiding met een stageperiode bij de NVJ.

II. EEN AANTAL PRAKTIJKGEVALLEN 
Incidenten tussen politie, justitie en pers komen geregeld voor. Niet allemaal leiden ze tot gerechtelijke uitspraken of halen ze de publiciteit. Uit de verzamelde reeks gevallen heeft de commissie ter illustratie een selectie gemaakt. De gegevens daarvoor zijn, behalve uit publicaties, afkomstig van de juridische afdeling van de NVJ, van redacties en van advocaten. Omdat niet in alle gevallen een uitspraak van de rechter is geweest, zijn uit privacyoverwegingen soms geen namen vermeld.

De commissie onderscheidt drie hoofdcategorieën van situaties waarin de journalist in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden met politie en/of justitie in aanraking kan komen:

1. De journalist komt in aanraking met het strafrecht:

A. omdat hij een strafbaar feit heeft gepleegd (pleger);

B. omdat hij wordt verdacht van een van de vormen van strafrechtelijke deelneming (medeplichtige, uitlokker etc.) of op een andere wijze is betrokken bij het plegen van een strafbaar feit.

2. De journalist wordt betrokken bij opsporing of vervolging van een door een ander gepleegd strafbaar feit

A. actief (als getuige of doordat hem wordt gevraagd journalistiek materiaal af te staan);

B. passief (bijvoorbeeld doordat justitie bij een telecommunicatiemaatschappij printgegevens opvraagt).

3. De journalist wordt op een andere wijze in de uitoefening van zijn beroep belemmerd.

1A.
De journalist wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit


Relatief veel zaken waarin journalisten van het plegen van een strafbaar feit worden verdacht, hebben betrekking op het niet voldoen aan een ambtelijk bevel of het betreden van een verboden terrein of een combinatie daarvan. Journalisten kunnen echter ook op een andere manier als verdachte met het strafrecht in aanraking komen. Typische uitingsdelicten komen daarbij in de praktijk maar zelden voor.

Ambtelijk bevel
- Een fotograaf die in 1999 een hardhandige aanhouding door de politie Flevoland fotografeerde, werd gemaand om “weg te wezen”. Toen hij zich verwijderde, werd hij alsnog aangehouden. Het filmpje werd uit zijn camera gehaald en onbruikbaar gemaakt. Pas de volgende dag werd hij vrijgelaten. Na indiening van een klacht ontving de fotograaf schadevergoeding en werd de agenten een disciplinaire maatregel opgelegd. Op een transactievoorstel ging de journalist niet in. Het is nog onduidelijk of hij zal worden vervolgd.

Verboden terrein
- Twee fotografen die in 2000 het afgezette rampgebied in Enschedé betraden, werden hiervoor vervolgd. De één wilde naar zijn studio gaan, die zich op het terrein bevond. De ander vergezelde hem en wilde foto’s maken. Beiden kregen een boete opgelegd. Laatstgenoemde heeft inmiddels cassatieadvies gevraagd.

Verboden terrein
- Tijdens de MKZ-crisis, voorjaar 2001, werd een Duitse cameraploeg aangehouden wegens betreding van het verboden terrein van een boerderij die was geruimd. Al hun spullen - camera, mobiele telefoon, videobanden, dossiers met aantekeningen en kleding - werden in beslag genomen. De journalisten werden na volledig te zijn ontsmet en een nacht in de cel te hebben doorgebracht, weer vrijgelaten, in aan hen ter beschikking gestelde overalls. Materiaal en apparatuur (kleding werd verbrand wegens besmettingsrisico) kregen de journalisten weer terug, uitgezonderd de bandopname die op de besmette boerderij was gemaakt. Deze werd door de officier van justitie in beslag genomen als bewijsmateriaal. Op een transactievoorstel zijn de journalisten nog niet ingegaan.

Vervalsen rijbewijs
- In 1992 probeerde een journalist van het Algemeen Dagblad rijbewijzen te verkrijgen op naam van iemand anders. Hij gaf daartoe valse gegevens op. Hij wilde daarmee proefondervindelijk aantonen dat de controle op afgifte van deze documenten niet deugde en stelde dat alleen op deze wijze effectief en ondubbelzinnig bewijs voor zijn stelling kon worden verkregen. De Hoge Raad keurde deze journalistieke werkwijze af: de pers dient, ook als zij anders niet of slechts moeizaam de door haar begeerde informatie kan verkrijgen, de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. (Hoge Raad 27 juni 1995; Mediaforum 1995-9)

“Heling” van informatie
- De televisiejournalisten Feike Salverda en Peter R. de Vries kregen in het najaar van 1994 computerdiskettes toegespeeld met bestanden die bij een inbraak bij een officier van justitie waren ontvreemd. De diskettes bevatten onthullende informatie over lopende onderzoeken en over omstreden onderzoeksmethoden van de politie. De journalisten maakten in hun televisieprogramma de inhoud openbaar van de diskettes en van door criminelen afgeluisterde vertrouwelijke onderlinge telefoongesprekken van de recherche. Zij wilden daarmee misstanden bij justitie aan de orde stellen. Bij hen werd huiszoeking gedaan en zij werden gedagvaard wegens informatieheling en schending van geheimen.

Zij werden vrijgesproken van heling omdat volgens de rechtbank heling alleen betrekking kan hebben op materiële zaken. Heling van informatie is niet bestaanbaar; wel van papier, banden of diskettes waarop informatie is vastgelegd. Ten aanzien van de schending van geheimen door uitzending van de illegaal opgenomen telefoongesprekken volgde ontslag van rechtsvervolging omdat de inhoud al door andere media openbaar was gemaakt en omdat er geen nadelige gevolgen voor de betrokkenen waren geweest. Wel werd een van de twee schuldig geacht aan het bezit van bandopnamen waarvan hij kon weten dat ze illegaal getapt waren. De rechtbank paste in deze zaak een belangenafweging op basis van art. 10 EVRM toe.

Belediging
- Columnist Theodor Holman werd vervolgd wegens opzettelijk beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging. In zijn column in Het Parool in juli 1994 stelde hij onder meer: “Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger..”. Een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat vervolging het bestek van de vrijheid van meningsuiting te buiten zou gaan, werd door de rechtbank en door het gerechtshof in hoger beroep verworpen. Het gerechtshof achtte het van betekenis dat aan de omstreden tekst een grievend karakter niet kan worden ontzegd en dat aan het Openbaar Ministerie een zekere beleidsvrijheid toekomt. Holman werd echter vrijgesproken, omdat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat hij met opzet christenen wegens hun godsdienst wilde beledigen. Zelf ontkende hij die intentie te hebben gehad.

(Hof Amsterdam 20 februari 1996; Mediaforum 1996-4)

Deelnemen aan een criminele organisatie
- Medewerkers van het journalistencollectief Opstand werden in 1995 verdacht van nauwe banden met de actiegroep RaRa en daarom beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie. De telefoon van de twee medewerkers werd afgeluisterd en hun administratie en computers werden in beslag genomen. Ook werden zij enige tijd vastgehouden. Uiteindelijk ontvingen zij een kennisgeving van niet-verdere vervolging. Justitie heeft aan de journalisten een schadevergoeding betaald.

1B.

De journalist wordt verdacht van een van de strafrechtelijke deelnemingsvormen of is op andere wijze betrokken bij het plegen van strafbare feiten

Meewerken aan het verspreiden van uitlatingen
- Het Nieuwsblad van het Noorden publiceerde in 1992 een interview met de schrijver Graa Boomsma naar aanleiding van het verschijnen van diens boek De Laatste Tyfoon. Het artikel bevatte een citaat van Boomsma waarin hij het optreden van Nederlandse militairen in het voormalig Nederlands-Indië vergeleek met gedragingen van SS-ers in de Tweede Wereldoorlog. De publicatie van deze passage vormde aanleiding tot vervolging van de journalist wegens smaad. Hij werd zowel door de rechtbank als het hof vrijgesproken, omdat de journalist de uitlatingen van Boomsma niet tot de zijne had gemaakt.

“Voor het strafrechtelijk aansprakelijk stellen van een journalist voor het meewerken aan de verspreiding van uitlatingen gedaan door een ander in een vraaggesprek dienen zwaarwegende redenen te bestaan, van welke redenen het hof niet is gebleken”, aldus het arrest waarin de verslaggever werd vrijgesproken. (Rechtbank Groningen 9 juni 1994, Mediaforum 1994-7/8 en Hof Leeuwarden 26 januari 1995, Mediaforum 1995-3).

Boomsma zelf werd overigens ook in beide instanties vrijgesproken van smaad (zelfde datum, zelfde Mediaforum).

Ensceneren van misstanden
- Journalisten van Panorama werd in 1996 verweten dat zij gebeurtenissen hadden geënsceneerd die tot misstanden leidden. Zij werden verantwoordelijk geacht voor vernielingen die door supporters waren aangericht aan een opzettelijk en op initiatief van de journalisten bij het Feijenoordstadion geparkeerde auto met Ajax-attributen, vlak voor een wedstrijd Feyenoord-Ajax. Een en ander leidde tot een strafrechtelijk onderzoek wegens uitlokking tegen de verslaggevers. Verdere strafvervolging werd door het aangaan van een financiële transactie voorkomen.

2.

De journalist wordt betrokken bij de opsporing of vervolging van een door een ander gepleegd strafbaar feit

De tweede hoofdcategorie van gevallen wordt gevormd door zaken waarin de journalist wordt betrokken bij de opsporing of de vervolging van een door een ander gepleegd strafbaar feit. De meest typische situaties zijn die waarin van de journalist wordt gevraagd als getuige een verklaring af te leggen en die waarin journalistiek materiaal in beslag wordt genomen. De zaken worden overigens vaak opgelost zonder dat de rechter eraan te pas komt. Bij inbeslagneming gebeurt dit nogal eens, doordat politie en justitie hun aanvankelijke dreiging in beslag te nemen na verzet van de journalist niet doorzetten. Een journalist kan ook passief, zelfs zonder het te weten, bij onderzoek worden betrokken.

2A.
Bronbescherming en inbeslagneming van materiaal
- Veel ophef was er in 2000 over verslaggever Koen Voskuil van het blad Spits, die weigerde de bronnen te noemen voor zijn bericht over de rol van de politie bij een wapenvondst. De journalist werd door de advocaten van de verdachte als getuige opgeroepen. Vanwege zijn weigering werd hij op bevel van het gerechtshof in gijzeling genomen. Na achttien dagen werd hij vrijgelaten, omdat het hof geen geloof hechtte aan hetgeen hij in zijn artikel had beweerd. Uiteindelijk koos het hof ervoor door middel van het horen van andere getuigen achter de waarheid te komen.

- Bij de aanhouding van een tweetal jongeren wegens een autodiefstal in Amsterdam eind 1998 raakte een groot aantal omstanders betrokken. Politieambtenaren en medewerkers van de Dienst Stadstoezicht werden met geweld aangevallen en vier van hen raakten gewond. Videobanden en foto's van de ongeregeldheden werden in beslag genomen bij SBS/Cameo Media Support en Werners Fotografen Agentschap. De opnamen bevatten zowel uitgezonden als niet uitgezonden beelden. De Amsterdamse rechtbank besloot dat de inbeslagname van een deel van de opnamen disproportioneel was, omdat bij de daarop opgenomen ongeregeldheden geen ernstige misdrijven waren gepleegd. Bij de opnamen van andere ongeregeldheden was dat wel het geval, zodat in dat geval het recht van vrije nieuwsgaring moest worden achtergesteld bij het belang van de strafvordering (proportionaliteit). Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad dat in beide gevallen de inbeslagname voldeed aan de proportionaliteitseis. Een uitgebreide toelichting op deze uitspraak wordt gegeven in hoofdstuk III.

2B.

Passieve medewerking door de journalist
- In een artikel in De Telegraaf in november 1994 voerde journalist De Haas een nieuwe getuige op van de geruchtmakende dodelijke schietpartij bij een filiaal van Albert Heijn in Oosterbeek. Naar aanleiding daarvan vorderde de officier van justitie van PTT Telecom op grond van artikel 125f Wetboek van Strafvordering printergegevens van de telefoon van De Haas op diens privé- en werkadres en van zijn GSM-toestel. De rechtbank in Den Haag oordeelde in een civiele procedure dat de staat daarmee onrechtmatig handelde wegens strijd met het Wetboek van Strafvordering, omdat de bron een getuige was en geen verdachte. Een beroep op strijd met de artikelen 8 en 10 EVRM werd niet ontvankelijk verklaard, omdat eisers daarbij onvoldoende belang zouden hebben nadat er reeds was vastgesteld dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig had gehandeld. (Rechtbank Den Haag 19 juli 1995, Mediaforum 1995-9).

- In oktober 1995 publiceerde het Nieuwsblad van het Noorden een artikel dat vertrouwelijke gegevens uit het “Drentse Meren onderzoek” bevatte, een onderzoek naar een omvangrijke fraudezaak. De gegevens waren slechts in zeer kleine kring bekend en hadden onder meer betrekking op voorgenomen stappen in het fraudeonderzoek. Het vermoeden bestond dat de informatie was “gelekt” door een bij het onderzoek betrokken rechercheur, in ruil voor een gift of belofte. De officier van justitie besloot daarom aan PTT Telecom printergegevens van uitgaande telefoongesprekken van het Nieuwsblad en de betrokken journalist te vorderen. Via deze weg hoopte hij duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of er telefonische contacten hadden plaatsgevonden tussen journalist en rechercheur. Het recht op bronbescherming van de journalist en de krant dienden volgens de officier te wijken voor het belang van de opsporing. Uiteindelijk waren er onvoldoende aanwijzingen van schuld voor verdere vervolging van de verdachte rechercheur en concludeerde het Openbaar Ministerie dat achteraf bezien de gegevens ten onrechte waren opgevraagd. Dat zegt overigens niets over de al of niet rechtmatigheid van de maatregel, als er wèl voldoende aanwijzing voor schuld zou zijn geweest.

3.
Andere wijzen van belemmering van journalisten in de uitoefening van hun beroep

Ten slotte is er een categorie van relatief veel voorkomende gevallen waarin journalisten – op een andere manier – in de uitoefening van hun beroep worden belemmerd. Typisch zijn situaties waarin de journalist toegang tot een bepaalde locatie wordt ontzegd. Daarnaast gebeurt het bijvoorbeeld nog al eens dat fotorolletjes worden afgepakt en onklaar gemaakt.

Niet toelaten tot rampterrein
- Een fotograaf die foto's wilde maken van het ongeluk met de Hercules in 1996 op de militaire luchthaven in Eindhoven, werd niet toegelaten tot het terrein van de ramp, waardoor hij zijn werk niet kon doen. Een klacht hierover bij de politie werd gegrond verklaard. De kantonrechter oordeelde in een civiele procedure dat de fotograaf gelet op zijn perskaart in beginsel toegang moest worden verleend tot de ramplocatie. “Nu aan eiser de toegang is onthouden, staat vast dat in beginsel onrechtmatig jegens hem is gehandeld, tenzij aannemelijk is dat hem onder de gegeven omstandigheden om zwaarwegende redenen geen toegang kon worden verleend. Daarvan is niet gebleken. De politie heeft bij de wijze waarop politietaken worden uitgeoefend, ook rekening te houden met gerechtvaardigde belangen van de pers”, aldus de kantonrechter. Een vordering tot betaling van schadevergoeding wegens gederfde inkomsten werd toegewezen. (Kantonrechter Eindhoven 4 mei 2000, Mediaforum 2000-7/8)

Eurotop 1997
- Tijdens de Eurotop in 1997 in Amsterdam werd een Zwitserse journalist in het Centraal Station te Amsterdam uit een trein met Italiaanse demonstranten gehaald. Hoewel hij zich bekend maakte als journalist, werd hij geboeid en samen met de demonstranten naar de Bijlmerbajes afgevoerd. Na een verblijf van ruim een uur werd hij met de demonstranten weer teruggebracht naar het station. Daar werd hij vrijgelaten. Zijn bagage werd op de grond gegooid, waardoor zijn computer ernstig beschadigd raakte. De journalist kon zijn werk niet meer doen. Zijn klacht over het politieoptreden werd gegrond verklaard en hij ontving een schadevergoeding.

Euro 2000
- In de zomer van 2000 vonden incidenten plaats rond de finale van Euro 2000 in het Rotterdamse Feijenoordstadion. Een Italiaanse televisieploeg van RAI-Uno die in het stadion aanwezig was op grond van een accreditatie van de organisatie, werd hardhandig door de politie verwijderd. Zij filmden de komst van een grote groep Italiaanse gehandicapte supporters. De aanwezige stewards en beveiligingsmensen verboden de ploeg om te filmen. De te hulp geroepen politie sommeerde de journalisten het stadion te verlaten. Toen zij dit weigerden, werden zij aangehouden. In de chaos die daarop ontstond, werden nog enkele journalisten aangehouden. Het werd hun onmogelijk gemaakt hun werk te doen: zij mochten niet filmen en zij werden aangehouden en opgesloten. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek tegen de stewards en de agenten, naar aanleiding van een aangifte van de journalisten wegens mishandeling, openlijke geweldpleging, wederrechtelijke vrijheidsberoving en belediging. Volgens de journalisten heeft de politie niet gehandeld in de rechtmatige uitoefening van haar functie. De journalisten overwegen nog een civiele procedure tot schadevergoeding te starten.


III. KORTE WEERGAVE VAN HET RELEVANTE IN NEDERLAND GELDENDE
RECHT

Voor de journalist gelden dezelfde rechtsregels als voor iedere burger. Ook een journalist wordt geacht de wet te kennen en ook een journalist dient zich aan die wet te houden: de civielrechtelijke regels, de bestuursrechtelijke regels en, hier vooral relevant, de strafrecht- en strafvorderingregels. Van belang is ook dat het strafrecht delicten bevat die met name door journalisten (kunnen) worden gepleegd, omdat ze direct verband houden met de aard van het journalistieke werk. Anderzijds zijn in de praktijk, naast de voor eenieder geldende algemene strafuitsluitingsgronden, rechtvaardigingsgronden ontwikkeld waarop journalisten onder omstandigheden een beroep kunnen doen.

Voor eenieder geldende regels
Een journalist is bij de uitoefening van zijn beroep in beginsel net als iedere burger verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Indien een publicatie onrechtmatig wordt geoordeeld, is de journalist civielrechtelijk (mede)aansprakelijk voor eventuele schade als gevolg van zijn artikel. Ook strafrechtelijk is hij de verantwoordelijke persoon in geval de publicatie in strijd is met strafrechtelijke bepalingen, grotendeels vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast kent dit wetboek afzonderlijke bepalingen die de aansprakelijkheid van de drukker en de uitgever uitsluiten, als de eigenlijke dader bekend is (artt. 53 en 54 Sr, de klassieke drukpersdelicten).

Voorts kan een journalist als ieder ander persoon onder omstandigheden worden onderworpen aan allerlei dwangmiddelen en opsporingsmethoden. De regels met betrekking tot bijvoorbeeld de plicht tot afgifte van materiaal dat als bewijs kan dienen, telefoontaps, inbeslagneming en doorzoeking zijn ook op de journalist van toepassing. Het gaat te ver hier de regelingen van deze dwangmiddelen en opsporingsmethoden in detail te bespreken. Van belang is dat met aanhouding als doel, bij ontdekking op heterdaad en/of bij verdenking van misdrijven waarop voorlopige hechtenis is toegelaten, al gauw diverse maatregelen kunnen worden genomen zonder dat er een rechter aan te pas komt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het binnentreden en doorzoeken van ruimten en het – daarbij – inbeslagnemen van voorwerpen.

Zeker als het niet om een woning gaat, zijn de bevoegdheden van politie en officier van justitie vrij uitgebreid. Een doorzoeking (vroeger huiszoeking) van een woning vergt een machtiging van een rechter-commissaris, tenzij sprake is van ontdekking op heterdaad en aanhouding van een verdachte het doel is. Dan kan de politie het doen.

Ook maatregelen als het tappen van telefoons (en andere telecommunicatiemiddelen) mogen worden genomen bij verdenking van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Van belang is dat ook telefoons van anderen dan verdachten kunnen worden getapt; voldoende is dat de verdachte aan (de) gesprekken deelneemt. Bij alle maatregelen geldt dat de voorwaarden minder stringent zijn naarmate het om ernstiger strafbare feiten of om georganiseerde criminaliteit gaat.



Eenieder die weet zou kunnen hebben van een gepleegd delict, kan als getuige worden opgeroepen. Ook in het kader van een civiele procedure kunnen getuigen worden opgeroepen. Niet voldoen aan een wettelijke getuigplicht is strafbaar gesteld in artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht. Een getuige die weigert te getuigen, kan worden gegijzeld.

Bepaalde groepen personen zijn onder omstandigheden gerechtigd zich te verschonen van het afleggen van een getuigenis, onder wie de zogenoemde geheimhouders. Algemeen erkend is dat de arts, de geestelijke, de notaris en de advocaat zich op die grond kunnen verschonen omtrent onderwerpen waarvan de wetenschap hun in hun hoedanigheid van geheimhouder is toevertrouwd. De reden voor dit verschoningsrecht is dat voor het behoorlijk kunnen uitoefenen van bepaalde hulpverlenende ambten of beroepen de zekerheid moet bestaan dat al hetgeen aan de beroepsuitoefenaar in vertrouwen wordt meegedeeld, ook geheim blijft. De geheimhouders genieten om dezelfde reden bescherming tegen dwangmiddelen als de telefoontap en huiszoeking. Journalisten vallen niet onder de groep geheimhouders en kunnen zich dan ook niet als zodanig verschonen.



Specifieke delicten voor journalisten


Bij de delicten die met name door journalisten kunnen worden gepleegd, kan ten eerste worden gedacht aan de zogenoemde uitingsdelicten. Een journalist kan ingevolge de artikelen 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar zijn wegens smaad, smaadschrift of laster, indien hij met zijn artikel opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven of indien zijn stuk onwaarheden bevat. Artikel 261 bevat een rechtvaardigingsgrond: smaad is niet strafbaar voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Of een journalist zich op dit laatste kan beroepen, zal mede afhangen van zijn werkwijze.



Ook een journalist die discriminerende uitspraken van een derde in zijn stuk verwerkt en zich daarvan niet voldoende distantieert, zou in de problemen kunnen komen. Artikel 137 e van het Wetboek van Strafrecht stelt het openbaar maken en verspreiden van discriminerende uitlatingen strafbaar. Dankzij een wetwijziging uit 1995 is dit niet strafbaar als het om zakelijke berichtgeving gaat. Als mogelijke bijkomende straf noemt het tweede lid van het artikel in geval van recidive ontzetting uit de uitoefening van het beroep.

Een journalist kan in het kader van zijn werk kennis dragen van een gepland misdrijf. Uit de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat eenieder die kennis draagt van een samenspanning tot het plegen van een in het artikel opgesomd misdrijf of van het voornemen tot het plegen van onder meer een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, verplicht is daarvan aangifte te doen. Nalaten aangifte te doen is strafbaar.



De toegang tot het nieuws zal voor een journalist niet altijd even eenvoudig zijn. Om toch de nodige informatie te pakken te krijgen, kan hij in de verleiding komen heimelijk te werk te gaan. Niet alles is toegestaan. De artikelen 139 a tot en met e van het Wetboek van Strafrecht verbieden het afluisteren van gesprekken met een technisch hulpmiddel en het aftappen of opnemen van computergegevens in een woning of elders, het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken en het hebben en gebruiken van gegevens die werden verkregen door middel van wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen. Ook het vastleggen van beelden met een geheime camera in een woning of een niet voor het publiek toegankelijke ruimte en het hebben en gebruiken van op die manier verkregen beelden is ingevolge de artikelen 139 f en g van het Wetboek van Strafrecht strafbaar.



Strafuitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden



In wet en jurisprudentie zijn strafuitsluitingsgronden vastgelegd. Het gaat daarbij om omstandigheden die - nadat is vastgesteld dat een verdachte een bepaald delict heeft gepleegd -, tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, omdat de schuld bij de dader ontbreekt of omdat de dader zich kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond. De wet noemt als gronden: ontoerekeningsvatbaarheid, overmacht, noodweer(exces) en uitvoering geven aan een wettelijk voorschrift of ambtelijk bevel. Net als ieder ander kan een journalist, wanneer hij wordt verdacht van een strafbaar feit, een beroep op deze strafuitsluitingsgronden doen. De kans van slagen blijkt in de praktijk echter zeer gering te zijn.

Soms wordt een beroep op noodtoestand gedaan, maar in ieder geval de Hoge Raad is nooit bereid geweest te aanvaarden dat een journalist terecht in noodtoestand meende te handelen. Ook het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid wordt nog wel eens aangevoerd (en door een enkele lagere rechter geaccepteerd). De Hoge Raad heeft echter steevast geweigerd een beroep op deze buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond te honoreren.



Uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM)



Naast de “algemene” strafuitsluitings- en rechtvaardigingsgronden is in de jurisprudentie erkend dat de journalist onder omstandigheden een rechtstreeks beroep kan doen op het recht op uitingsvrijheid, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 1950 (EVRM) en in artikel 7 van de Grondwet. Het recht op uitingsvrijheid omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag.

Het recht op uitingsvrijheid is niet absoluut. Op grond van artikel 7 Grondwet kan het onder omstandigheden door wettelijke bepalingen worden beperkt. Bij het EVRM gaat het niet alleen om de (geschreven) wet, maar ook om jurisprudentie en zelfs pseudo-wetgeving, zoals richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Deze moeten dan wel voldoende kenbaar en specifiek zijn.

Daarnaast is in artikel 10 lid 2 EVRM bepaald dat de beperkingen op de uitingsvrijheid in een democratische samenleving noodzakelijk moeten zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Overheidsmaatregelen die op een of andere manier een beperking opleggen aan of een bedreiging vormen voor de vrije nieuwsgaring, zijn te beschouwen als een inmenging in de zin van artikel 10 EVRM en dienen aan deze criteria te worden getoetst.



Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op grond van artikel 10 EVRM meermalen bepaald dat journalisten in de uitoefening van hun functie geen andere belemmeringen in de weg mogen worden gelegd dan in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het EHRM kent daarbij met het oog op de democratische controle van het doen en laten van de overheid en het debat daarover een spilfunctie toe aan de vrijheid van de media informatie te vergaren en te verspreiden.

De criteria voor belemmeringen worden streng opgevat, waardoor weinig ruimte voor een margin of appreciation door de lidstaten overblijft. Zij worden afgeleid uit de verschillende aspecten van de uitingsvrijheid en de betekenis daarvan voor de democratie, waarin de media de functie van publieke waakhond vervullen: het recht informatie en meningen te openbaren, het recht informatie te vergaren en het recht van het publiek over zaken van publiek belang te worden geïnformeerd.



Zowel het EHRM als de Hoge Raad gaan ervan uit dat journalisten, juist vanwege hun functie, meer ruimte toekomt dan de gewone burger. De volgende voorbeelden laten dat zien.



In de zaak Fressoz & Roire (EHRM 21 januari 1999) achtte het EHRM de veroordeling van de directeur-uitgever en van een journalist van het Franse blad Le Canard Enchainé wegens heling van geheime overheidsdocumenten en de publicatie van bepaalde uittreksels uit een belastingdossier in strijd met artikel 10 EVRM “given the interest a democratic society has in ensuring and preserving freedom of the press”. Uit dit arrest volgt dat het Openbaar Ministerie en rechtscolleges zich terughoudend dienen op te stellen bij de vervolging en veroordeling van journalisten naar aanleiding van de publicatie van vertrouwelijke of geheime documenten die verband houden met aangelegenheden van algemeen belang. Dit blijkt ook uit de uitspraak in de zaak Bladet Tromso & Stensaas (EHRM 20 mei 1999), waar het ging om het voorbarig rapporteren van een – vanwege verder te verrichten onderzoek – geheim gehouden rapport over de zeehondenjacht in Noorwegen.

Een veroordeling in verband met publicatie van vertrouwelijke informatie kan tevens in strijd met artikel 10 EVRM zijn, omdat de gepubliceerde gegevens reeds uit andere openbare bron bekend waren, zoals blijkt uit de uitspraak in de zaak Sürek nr. 2 (EHRM 8 juli 1999). Deze zaak betrof onder meer de vraag of een journalist terecht was veroordeeld voor het onthullen van de identiteit van functionarissen die waren aangesteld om het (Koerdische) terrorisme in Turkije te bestrijden.



Ook in de zaak Jersild (EHRM 23 september 1994) werd met succes een beroep op artikel 10 EVRM gedaan. Een journalist had in een documentaire op de Deense televisie een groep rechts-radicale jongeren geïnterviewd, die bij die gelegenheid racistische uitspraken deden. De veroordeling van de journalist op grond van het aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat achtte het EHRM in strijd met artikel 10 EVRM, waarbij het hof de rol van de pers als “public watchdog” benadrukte en rekening hield met de bedoeling van de journalist de aandacht te vestigen op opkomend racisme en onverdraagzaamheid bij jongeren.



Hierboven werd reeds opgemerkt dat de journalist niet wordt gerekend tot de groep van geheimhouders die zich kunnen verschonen van de wettelijke getuigplicht omtrent hetgeen zij weten uit hoofde van hun beroep. In de jurisprudentie is wél erkend dat de journalist zich onder omstandigheden kan verschonen met een beroep op het recht van uitingsvrijheid.



In de zaak Goodwin (EHRM 27 maart 1996) wilde de Engelse journalist Goodwin een publicatie wijden aan de situatie van het bedrijf Tetra, dat juist in onderhandeling was met het oog op de sanering van de labiele financiële situatie van de onderneming. Goodwin had van een bron informatie verkregen over het bedrijfsplan van Tetra en had bij Tetra om bevestiging gevraagd. Toen bleek dat de informatie afkomstig was uit vertrouwelijke stukken waarvan een exemplaar was ontvreemd. Tetra vroeg en kreeg een verbod op publicatie, maar wilde ook dat Goodwin zijn bron bekend zou maken. Goodwin weigerde en werd door de Engelse rechter veroordeeld.

Het EHRM erkende in zijn uitspraak zeer nadrukkelijk het journalistieke bronnengeheim. Volgens het hof moet het journalistiek bronnengeheim beschermd worden, omdat anders de “vital public-watchdog role of the press may be undermined and the ability of the press to provide accurate and reliable information may be adversely affected”. Een rechterlijk bevel tot onthulling van journalistieke bronnen is volgens het hof daarom in strijd met artikel 10 EVRM, tenzij een dergelijk bevel gelegitimeerd kan worden door een “overriding requirement in the public interest”. Met dit laatste dient terughoudend te worden omgegaan.

Het hof heeft de erkenning van het journalistiek bronnengeheim niet afhankelijk gemaakt van voorafgaande toezegging tot geheimhouding van de herkomst van de informatie, en evenmin van enige afspraak of vertrouwelijkheid tussen de journalist en zijn informant of van het feit dat de informatie was gestolen (iets wat Goodwin niet wist).



In Nederland gold sinds arresten van de Hoge Raad uit 1948 en 1977 de regel dat een journalist in beginsel geen recht heeft op bronbescherming (“Nee, tenzij…”). Naar aanleiding van de Goodwinuitspraak wijzigde de Hoge Raad dit in de zaak Van den Biggelaar (HR 10 mei 1996) in een “Ja, tenzij …”. In deze zaak werd van twee journalisten van Dagblad De Limburger in een voorlopig getuigenverhoor onthulling van de identiteit van hun bronnen verlangd. De Hoge Raad overwoog als volgt:



“Het arrest van het EHRM (inzake Goodwin) brengt mee dat moet worden aanvaard dat uit het eerste lid van artikel 10 van het EVRM voor een journalist in beginsel het recht voortvloeit zich te verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag indien hij daardoor het bekend worden van zijn bron zou riskeren, maar dat de rechter een beroep op dit recht niet hoeft te honoreren wanneer hij van oordeel is dat in de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval openbaring van die bron in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een of meer van de in het tweede lid van voormelde verdragsbepaling bedoelde, door degene die de journalist als getuige doet horen, te stellen, en zonodig, aannemelijk te maken belangen.”



In dit geval woog het belang van Van den Biggelaar de bron te kennen onvoldoende zwaar om een inbreuk op het recht van bronbescherming te rechtvaardigen.



Uit deze arresten volgt dat journalisten hun bronnen in beginsel alleen hoeven prijs te geven, als is voldaan aan de criteria van het tweede lid van artikel 10 EVRM. In 1999 werd de Hoge Raad in de zaak Cameo en SBS 6 (HR 9 november 1999) voor de vraag gesteld of hetzelfde geldt ten aanzien van de inbeslagneming van (beeld)materiaal dat kan dienen als bewijs in een strafzaak. In deze zaak ging het om inbeslagneming van videobanden van SBS 6 en Cameo en foto's van Werner met beelden van ongeregeldheden in Amsterdam op 14 december en 20 december 1998.
De rechtbank in Amsterdam erkende dat de inbeslagneming als een overheidsinmenging in de vrijheid van expressie en informatie was te beschouwen en derhalve getoetst diende te worden aan artikel 10 EVRM. Aan het vereiste van subsidiariteit was volgens de rechtbank voldaan, omdat het Openbaar Ministerie nagenoeg geen ander bewijs voorhanden had. Volgens de rechtbank waren echter op 14 december 1998 niet zodanig ernstige feiten gepleegd dat de inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring was gerechtvaardigd. Voor de gebeurtenissen van 20 december 1998 lag dat anders; deze waren dermate ernstig dat de inbeslagneming was gerechtvaardigd, aldus de rechtbank.
De Hoge Raad oordeelde dat inbeslagneming van door journalisten vervaardigde foto’s en videobanden van ongeregeldheden ten behoeve van de waarheidsvinding een (zij het zeer indirecte) inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring als bedoeld in artikel 10 EVRM kan opleveren. Volgens de Hoge Raad is (slechts) sprake van een veronderstellenderwijs aannemelijke belemmering van de journalist in zijn werk als betrokkenen van bijvoorbeeld rellen bevreesd worden dat justitie van de opnamen gebruik gaat maken.
Vervolgens paste de Hoge Raad een afweging aan de hand van het tweede lid van artikel 10 EVRM toe. Ten aanzien van de beelden van 14 december 1998 achtte de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk dat het belang van vrije nieuwsgaring uitstijgt boven het belang van strafvordering op de enkele grond dat niet blijkt van “zodanig ernstige misdrijven” dat het beslag gerechtvaardigd is. Het belang de waarheid aan de dag te brengen inzake mogelijk gepleegde misdrijven als de onderhavige is volgens de Hoge Raad reeds niet disproportioneel, indien – zoals in casu – geen ander bewijsmateriaal voorhanden is.
Ten aanzien van de beelden van 20 december 1998 bevestigde de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank. Voor de Hoge Raad speelde daarbij dat het om een zeer indirecte inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring ging.




IV. KNELPUNTEN



Uit het in hoofdstuk II. gegeven overzicht blijkt dat zich in de praktijk geregeld gevallen voordoen waarin journalisten direct of indirect, actief of passief met het strafrecht in aanraking komen, alsmede – andere – situaties waarin zij in hun werk worden belemmerd. Voor een groot deel kan dit worden verklaard doordat journalisten aan dezelfde regels zijn onderworpen als iedere andere burger en doordat de autoriteiten in beginsel niet bereid zijn daarop uitzonderingen toe te laten. Dat specifieke wetsbepalingen in dit verband ontbreken, hoeft geen bezwaar te vormen. De praktijk leert dat wettelijke regelingen grenzen kunnen bevatten die bij een toetsing aan universele beginselen als die van artikel 10 EVRM geen belemmering hoeven op te leveren.

Anderzijds laat het overzicht van het in Nederland geldende recht zien dat op grond van het grondrecht op uitingsvrijheid aan journalisten onder omstandigheden ruimte wordt gegeven waarop gewone burgers geen aanspraak kunnen maken. Deze ruimte is, althans wat het Nederlandse recht betreft, niet gebaseerd op uitdrukkelijke wettelijke bepalingen, maar op het belang dat de rechter vanwege die uitingsvrijheid aan de positie en het werk van de journalist toekent.

Daarnaast kan worden opgemerkt dat de materiële voorzieningen en de informatieverstrekking (inclusief de mogelijkheden van de Wet openbaarheid van bestuur) in Nederland, hoewel niet in alle opzichten zonder problemen, in het algemeen goed zijn ontwikkeld. Zo erkent de Nederlandse overheid de noodzaak van het verstrekken van politieperskaarten. Voorts zorgt zij voor het verlenen van toegang tot bepaalde, voor het overige publiek verboden plaatsen, het installeren van behoorlijke perstribunes in de rechtszaal en het aanstellen van voorlichters die de media al dan niet actief van informatie voorzien. Een en ander kan worden gezien als een uiting van de gedachte dat, in het verlengde van het principe van artikel 10 EVRM dat journalisten zo weinig mogelijk belemmeringen in de weg mogen worden gelegd, de overheid een positieve verplichting heeft de werkzaamheden van de media te faciliteren.



Niettemin signaleert de commissie een aantal knelpunten. Zij maakt daarbij vanuit het perspectief van de uitingsvrijheid een onderscheid tussen twee situaties:



1. De uitingsvrijheid wordt rechtstreeks beperkt (de journalist kan niet publiceren wat hij wil).

2. De uitingsvrijheid wordt indirect beperkt (de journalist wordt belemmerd in het vergaren van de informatie die voor publicatie nodig is).



ad 1.

Rechtstreekse preventieve censuur doet zich in Nederland onder normale omstandigheden niet voor (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waar het de media via een zogenaamde D-notice verboden kan worden over bepaalde zaken van “staatsbelang” te publiceren – vgl. de Spycatcher-zaak). Daarnaast zijn Nederlandse journalisten niet aan enige algemene beperking onderhevig wat betreft het publiceren over rechtszaken (en over de magistratuur); alweer in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk kent Nederland geen contempt of court regeling.

Wel kent het Wetboek van Strafrecht bepalingen die het publiceren van een zekere inhoud strafbaar stellen (repressieve censuur): belediging, aanzetten tot rassenhaat, enz. Strafrechtelijke vervolging van journalisten op grond daarvan komt maar zeer zelden voor. Uit de jurisprudentie van zowel de Hoge Raad als het EHRM blijkt dat de bijdrage van de media aan het publieke debat al snel rechtvaardigend werkt, namelijk de publicatie wordt geacht in het algemeen belang te zijn (zie in Nederland de Boomsmazaak en bij het EHRM de Jersilduitspraak). Wat belediging betreft, blijkt bovendien dat public figures (in de praktijk meestal de “slachtoffers” van publicaties) zich aanmerkelijk meer moeten laten welgevallen dan de gewone burger (bijv. het EHRM in de zaak Oberschlick). De Britse libel laws met hun omgekeerde bewijslast gaan heel wat verder.



ad 2.

Een indirecte beperking van de uitingsvrijheid kan zich in twee vormen voordoen die beide ertoe leiden dat een journalist niet in staat is informatie te vergaren. Ten eerste kunnen journalisten worden gehinderd door strafbepalingen die weliswaar voor iedereen gelden, maar die een journalist bij het vergaren van informatie makkelijk kan overtreden. Ten tweede kunnen journalisten in het vergaren van informatie worden gehinderd, doordat zij het gevaar lopen hun bronnen prijs te moeten geven of de inbeslagneming van materiaal moeten toestaan of – maar dan in een iets verder verwijderd verband – als politie/justitie telecommunicatiegegevens opvraagt. De belemmering bestaat bij deze tweede categorie vooral hierin dat informanten in de toekomst niet meer bereid zullen zijn inlichtingen te verschaffen.



De strafbepalingen vallen uiteen in verschillende categorieën:



1. het betreden van verboden plaatsen, c.q. het weigeren een bevel van een bevoegde ambtenaar op te volgen om zich te verwijderen;

2. het publiceren/uitzenden van informatie die van misdrijf afkomstig is;

3. het direct plegen van strafbare feiten om aan informatie te komen.



De Nederlandse regelgeving is allesbehalve helder, met uitzondering van die met betrekking tot de laatste categorie. De schaarse jurisprudentie (Rijbewijsarrest, HR 1995) laat zien dat de Hoge Raad het plegen van strafbare feiten in het kader van de journalistieke beroepsuitoefening niet accepteert.



Betreden verboden terrein en niet-voldoen aan ambtelijk bevel


Hoewel de Leidraad over de positie van de pers bij politieoptreden d.d. 19 mei 1988 van de minister van Justitie als uitgangspunt heeft dat het “wenselijk [is] dat journalisten, wanneer dat mogelijk is, hun journalistieke werk ook kunnen doen op plaatsen waar het publiek niet kan worden toegelaten” (waartoe journalisten zich eventueel kunnen voorzien van een politieperskaart), schuilen in dat “wanneer dat mogelijk is” heel wat (discretionaire) beperkingen.

De politie is daardoor in staat op basis van de Politiewet journalisten te weren van plaatsen waar zich nieuwswaardige gebeurtenissen afspelen, ook wanneer haar eigen optreden in de niet altijd welkome schijnwerpers van de publiciteit komt of de aanwezigheid van de pers om andere redenen niet goed uitkomt. Blijkens de richtlijn zou dit slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen (ordeverstoringen, rampen, enzovoort) en slechts wanneer gevaar voor omstanders bestaat dan wel de politie voor de voeten wordt gelopen.

Hoewel “gewoon hinderlijk aanwezig zijn” nu eenmaal tot de taak van de media behoort en de overheid de uitoefening daarvan juist niet mag beletten, laat de richtlijn ruimte voor een gevestigde praktijk van shoot first, ask questions later. Heel wat journalisten worden samen met demonstranten opgepakt en pas na controle van de perskaart op het politiebureau vrijgelaten. Juist met het oog op de vrijheid van nieuwsgaring dient het uitgangspunt te zijn dat een bevel tot verwijdering pas rechtmatig is, als het in verband staat met de belangen die de politie met haar optreden op dat moment dient en waarin zij door de aanwezigheid van de pers wordt gehinderd (Kantonrechter Eindhoven 4 mei 2000, Mediaforum 2000-7/8). Is dat niet het geval, dan pleegt de journalist geen strafbaar feit door het bevel te negeren. Bij gebrek aan heldere regelgeving/jurisprudentie kan de journalist er echter niet zeker van zijn wanneer dat wel het geval is.

Informatie afkomstig van misdrijf
Ook in geval van het publiceren/uitzenden van informatie die van misdrijf afkomstig is (139 e lid 2 Sr), dan wel het in ontvangst nemen van een document dat van misdrijf afkomstig is (heling), is niet geheel duidelijk wanneer een journalist zich hieraan al dan niet schuldig maakt en wat de overige consequenties kunnen zijn. In het algemeen zal de journalist in een dergelijk geval een beroep moeten doen op een rechtvaardigingsgrond. De enige daarvoor in aanmerking komende grond is noodtoestand (het hogere belang van de uitingsvrijheid moet prevaleren boven andere belangen). Maar daarvoor zijn de eisen nogal streng – o.a. het bestaan van een acute noodsituatie, het middel moet in verhouding tot het doel staan en er mag geen enkele andere mogelijkheid zijn. Met name het vereiste van een acute noodsituatie is daarbij een vrijwel onoverkomelijke hindernis.