Dossiers
Srebrenica

(Uit: De Journalist, nr. 21, 13-11-1998)
Srebrenica wel in de doofpot

'Geen doofpot!' constateerde Defensie-minister Frank de Grave na lezing van het rapport-Van Kemenade over de zaak Srebrenica. Frank Westerman las het ook, en vond tot zijn verbazing geen letter terug over 'de operatie damage control' van Defensie-voorlichting en de koninklijke marechaussee waar hij als journalist persoonlijk mee te maken kreeg.

Frank Westerman

Defensie-voorlichter Bert Kreemers pakte een groene pen en een map met stukken die ik over Srebrenica had geschreven. 'Zo', zei hij, 'we gaan de fouten uit jouw artikelen halen'.
Als communicatie-ambtenaar van minister Voorhoeve had hij de zaak Srebrenica onder handen. We hadden op 15 november 1995 bij hem op kantoor afgesproken om ergens een broodje te gaan eten. Toen ik binnenkwam zat er een petit comité. Een kleine man in uniform stelde zich voor als kolonel Van Dam. 'Ik ben geen notulist', zei hij, waarop de voorlichter en de andere aanwezige, beleidsmaker Princen, hardop moesten lachen.
In de krant van het weekend ervoor had ik geschreven dat kolonel Van Dam als notulist aanwezig was bij het geheime 'bunkerberaad' op 1 november 1995, waarop de Defensietop had geprobeerd de hiaten in het zogeheten debriefingsrapport op te vullen. Hoewel dat rapport was bedoeld om 'het boek Srebrenica voorgoed te sluiten' riep het 148 Kamervragen op.
Kreemers boog zich over zijn knipselmap en pakte er het eerste stuk uit. Er stond een streep onder een passage over Nederlandse ambassadeleden in Belgrado die er in Den Haag op hadden aangedrongen om Dutchbat niet terug te trekken zolang niemand wist wat er met de afgevoerde mannen uit Srebrenica was gebeurd. 'Je bent gefopt', zei de voorlichter. 'Er bestaat geen snipper papier daarover.'
Kreemers zei dat hij het liefst zou zien dat ik hem als enige bron zou gebruiken. 'Maar dat is illusoir.' Met de publiciteit rond Srebrenica was er van alles misgegaan, zei hij. Het ministerie had 'vooral veel last van een artikel in The Independent' met als kop: 'Dutch soldiers welcomed the Serb killers'. 'Negatieve artikelen trekken de aandacht', zei hij. Kolonel Van Dam constateerde dat 'het imago van de krijgsmacht en dat van Nederland een deuk had opgelopen'.
Toen ik vroeg wat ze van mij verwachtten, zei beleidsmaker Princen dat er veel Kamervragen waren gesteld, een deel daarvan gebaseerd op publicaties van mij. 'We hebben die vragen verdeeld', zei Kreemers. Wat onhandig voegde hij daar aan toe dat het een hoop tijd zou schelen als de auteur van die artikelen toegaf dat hij ernaast had gezeten¼
Ik vertrok zonder dat we het over iets eens geworden waren, en zag er van af om iets over deze ontmoeting te schrijven. Totdat ik een jaar later proces verbaal P.26/1995-JD in handen kreeg, waaruit bleek dat de koninklijke marechaussee op grond van mijn verslag van het bunkerberaad een strafrechtelijk onderzoek was begonnen naar mogelijke schendingen van het staatsgeheim. Ik las dat ik op 1 december aanwezig was 'bij een etentje in een restaurant te Soest' en dat mijn persoonlijke telefoon- en faxverkeer in kaart was gebracht. Er was een uitdraai toegevoegd van de 'printgegevens' van het privé-nummer dat ik voor mijn Srebrenica-onderzoek gebruikte. Hoewel ik zelf geen verdachte was, hadden de rechercheurs bij mij zitten vissen om de vermeende 'mol' binnen het Defensie-apparaat op te sporen. Die hing jarenlange gevangenisstraf boven het hoofd, en wel omdat de gelekte informatie over Srebrenica schadelijk kon zijn 'voor de minister van Defensie en de Staat der Nederlanden'.
Nu drie jaar later is er een andere minister van Defensie en die heeft een externe onderzoeker gevraagd om na te gaan of er een doofpotbeleid rond de zaak Srebrenica is gevoerd. Sneller dan verwacht ligt daar het rapport-Van Kemenade, en een conclusie. De nieuwe minister roept opgelucht: 'Geen doofpot!'
Ik heb de bevindingen van Van Kemenade gelezen. Zijn taak was: nagaan 'of er feiten of mededelingen rond de val van Srebrenica zijn achtergehouden of onzorgvuldig behandeld' of dat 'het proces van waarheidsvinding daaromtrent op enigerlei wijze is belemmerd of beperkt'. Bij uitstek een opdracht die de relatie van Defensie met de media tot onderwerp heeft, zou je denken.
De rapporteur reikt veel gegevens aan, maar net als hij op gang komt houdt hij abrupt op. Ik heb mij werkelijk afgevraagd of er in mijn exemplaar pagina's ontbraken. Is dit alles?
Op grond waarvan behandelt hij het ene onderwerp wel, en het andere niet? Waarom wel de fotorolletjes en niet het per vrachtauto afleveren door Dutchbat van zeven gewonde Moslimmannen aan de Serviërs? Waarom wel de aanmaakblokjes met jam, niet het uit de compound zetten van de ouders en broer van de VN-tolk Hasan? Waarom wel de meegesmokkelde 120.000 Duitse mark en niet de dieselolie die Dutchbat leverde ten behoeve van de Servische bussen? Waarom wel 'de overeenkomst Smith-Mladic' en niet de instructies voor overste Karremans uit Den Haag waarin de vluchtelingen niet voorkwamen? Waarom wel 'de gevallen van insubordinatie' en niet het besluit van de Defensietop om de waarnemingen van oorlogsmisdaden niet onverwijld aan de VN te melden? Waarom wel het YPR-incident bij OP-Mike en niet de andere gevallen van het overrijden van vluchtende Moslims? Waarom wel 'de lijst van 239' en niet het geheime bunkerberaad?
En dit is nog maar een bescheiden greep uit de gedocumenteerde voorvallen waaraan de spindoctors van Defensie-voorlichting hun eigen draai hebben gegeven. Soms pakte dat verkeerd uit, zoals bij de door de voorlichters geschreven no good guys, no bad guys-speech van overste Karremans. Maar meestal lukte het om met een beroep op de Servische overmacht de aandacht van het falen weg te trekken.
Wanneer het 'schadelijke nieuws' toch zijn weg naar de Tweede Kamer wist te vinden, werd er naar zwaardere middelen gegrepen, zoals in het geval van het bunkerberaad. Naar aanleiding van het uitlekken van opmerkingen van een hoge militair dat VN-generaal Janvier wellicht bewust de enclave Srebrenica had laten vallen, schakelde minister Voorhoeve de marechaussee in. Op straffe van vervolging was een groot deel van de Defensietop effectief het zwijgen opgelegd. Zonder dat ik begreep wat er aan de hand was, kwamen mijn informanten een voor een terug op eerder gemaakte interview-afspraken. Er was een hoge officier die bereid was om alle gebeurtenissen nog eens met mij door te spreken. 'Nee, dat gaat niet door', zei hij toen ik hem daaraan herinnerde. 'De minister wil het boek Srebrenica sluiten.' Een collega van hem: 'Ha Frank. Bel je over Srebrenica? Dan ben ik niet thuis.' Een ander: 'Sorry, ik ben overgeplaatst naar een functie waarin ik niet meer met de pers mag praten.'
Toen ik het proces-verbaal in handen had, begreep ik waarom mijn bronnen plotseling zwegen. De week na mijn bezoek aan het ministerie van Defensie was het rechercheteam begonnen met het verhoren van twaalf getuigen en drie verdachten. Er waren aanhoudingen verricht, maar de zaak werd wegens gebrek aan bewijs geseponeerd nadat de Kamer vlak voor het Kerstreces haar vertrouwen in minister Voorhoeve had uitgesproken.
Passages uit het proces-verbaal heb ik aangehaald in 'Srebrenica: Het Zwartste Scenario', het boek dat ik samen met Volkskrant-collega Bart Rijs schreef. Pas eind oktober, na twee jaar juridisch touwtrekken, kreeg ik ook de stukken in handen die aan het opvragen van mijn telefoongegevens vooraf waren gegaan. En wat staat daarin? Dat er uit het bunkerberaad 'zaken van gevoelige aard' in de krant waren beland 'die niet naar buiten gebracht mochten worden'. Preciezer gezegd: 'Zaken met betrekking tot het opgeven van de enclave Srebrenica', schrijft de marechaussee. Dat is wat Voorhoeve en zijn voorlichters altijd hebben ontkend.
Maar om nou te spreken van een doofpotbeleid, tja.

Frank Westerman, nu correspondent in Moskou voor NRC Handelsblad, heeft het opgeven van de enclave Srebrenica en de follow-up daarvan intensief gecoverd.