Dossiers
Raad voor de Journalistiek

Commentaar op de Raad
Hoever gaan wij met privacy?

De eerste aflevering van 'Commentaar op de Raad' ging over de weergave van feiten en stond in De Journalist nr, 12, d.d. 15.06.2001. Klik hier om deze eerste aflevering te lezen. 

De Journalist besteedt met enige regelmaat aandacht aan uitspraken van de Raad voor de Journalistiek. Op een informatieve manier: wat zijn belangrijke thema's en wat zijn de grote lijnen? Daarnaast is er ruimte voor kritische noten.

Arthur Maandag

'In de rechtbankrubriek van 21 januari wordt het vermeende slachtoffer van seksuele intimidatie Claudia genoemd. Dit is een om privacyredenen verzonnen naam. In de C1000 supermarkt in Uithoorn, waar het incident zich zou hebben afgespeeld, werkt een medewerkster met de naam Claudia. Zij heeft met het beschreven voorval niets te maken.'
In de Volkskrant staat op 22 januari 2002 in de rubriek Abuis een pijnlijke rectificatie.
Je denkt als journalist zorgvuldig om te springen met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dan kies je voor een oplossing die een nietsvermoedende buitenstaander in de problemen brengt. Privacy is een kwestie van voetangels en klemmen.
Wat op zich ook niet zo gek is, omdat het hier vaak gaat om botsende grondrechten. Met aan de ene kant de persvrijheid en aan de andere kant het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat vergt belangenafwegingen.

Bij privacy wordt terecht al snel aan strafzaken gedacht. De Raad voor de Journalistiek steunt al jaren de regel dat de privacy van verdachten en veroordeelden in het algemeen voldoende wordt beschermd door het gebruik van initialen. Leeftijd, beroep en woonplaats mogen worden gemeld. Oude uitspraken van de Raad hebben nog steeds betekenis.
'Volgens bestendige jurisprudentie van de Raad lijdt deze norm slechts uitzondering in de volgende gevallen:
-indien de naam een essentieel bestanddeel van het bericht vormt zodat het zonder die naam niet vermeldenswaard is;
-wanneer wegens algemene bekendheid van de betrokken persoon door zijn functie of anderszins het niet vermelden van de naam bij gemiddelde lezer verbazing zou wekken.' (Mol tegen Algemeen Dagblad, RvdJ 1983/10)
Dat de regels nog steeds gelden blijkt onder meer uit een zaak tegen de Rijn en Gouwe. De krant had in een verslag van een rechtszaak de voorletters, volledige achternaam, leeftijd en woonplaats van de verdachte opgenomen. De Raad: 'Er was geen goede reden om dat te doen.' (X tegen Rijn en Gouwe, RvdJ 2000/20)
Intussen is de initialenregel niet onomstreden. Diverse media schaften hem af, omdat zij vinden dat initialen, zeker in kleinere gemeenschappen, te weinig privacybescherming bieden. In die zin stellen die media zichzelf strengere eisen dan de Raad. Overigens heeft de praktische betekenis van de initialenregel sterk ingeboet. Over het algemeen verstrekken politie en justitie geen initialen meer. Dat gebeurt op basis van voorlichtingsregels, die vooral door uitspraken van de Nationale Ombudsman tot stand zijn gekomen.
De initialenregel is, ook internationaal gezien, een uniek fenomeen. Charles Z., Ferdi E. en nu ook Volkert van der G. groeiden uit tot begrippen. Maar wordt de privacy hier nu echt beschermd? Het ondergedoken gezin van de verdachte in de zaak van de moord op Pim Fortuyn zal het er ongetwijfeld niet mee eens zijn. Is de regel achterhaald of niet? De Raad mag hier bij gelegenheid wel eens wat dieper op ingaan.  

Aparte vermelding verdienen foto's. De Raad vindt dat de anonimiteit van verdachten zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd door foto's te gebruiken waarop personen zo goed als mogelijk onherkenbaar zijn gemaakt. Plaatsing van een herkenbare foto van de verdachte van een ernstig strafbaar feit dient in de regel achterwege te blijven. (Wigny tegen De Limburger, RvdJ 1996/7, in lijn met al genoemde uitspraak Mol/AD)
Oppassen is het verder met het plaatsen van portretfoto's als illustratie bij artikelen. Zo mocht De Dordtenaar in 1996 wel de naam noemen van een ziekenhuisdirecteur/arts die was geschorst na een relatie met een patiënt. Dat bij het artikel ook een portretfoto was geplaatst, ging echter te ver. Het was geen nieuwsfeit en geen noodzakelijk onderdeel van de berichtgeving. De betrokkene werd onevenredig benadeeld. (Merwedeziekenhuis/KNMG tegen De Dordtenaar, RvdJ 1996/11). Wrang in deze zaak was dat de betrokken arts inmiddels een eind aan zijn leven had gemaakt. 

Maar hoe zit het dan met slachtoffers? Belangrijke uitspraak van de Raad gaat over de publiciteit rond de moord, op 10 maart 1988, door een TBR-patiënt van de Van Mesdagkliniek in Groningen. Het vrouwelijke slachtoffer, dat eerst was verkracht, werd in een deel van de berichtgeving met naam genoemd. Nabestaanden beklaagden zich over de inbreuk op hun privacy, mede door het publiceren van schrijnende details in de zaak.          
Ook hier toetst de Raad aan het algemene uitgangspunt dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens moet bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. En verder: 'Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt, als gevolg waarvan bij derden nodeloze onrust kan ontstaan.'
Het noemen van namen mag. Maar de Raad verplicht de journalist wel zich af te vragen of er gevaar is voor benadeling of kwetsing van slachtoffer, zijn levenspartner of naaste familieleden. Herkenbaarheid moet worden vermeden in die gevallen waarin redelijkerwijze te voorzien is dat die personen onevenredig nadeel zullen ondervinden 'wegens gevaar voor represailles of herhaling, wegens diffamerende neveneffecten of wegens onevenredig zware leedtoevoeging.'
Bij schrijnende details is eveneens een afweging vereist. Ze moeten worden weggelaten als ze extra leed toevoegen en niet noodzakelijk zijn om de aard van het misdrijf weer te geven. (Burgdorffer tegen Algemeen Dagblad, Nieuwsblad van het Noorden, de Volkskrant, Veronica's Nieuwslijn, EO Tijdsein, RvdJ 1988/28).
De Raad bevestigde deze uitgangspunten in 1996, toen het ging om het noemen van de namen van vijf dodelijke slachtoffers van een verkeersongeluk. Het noemen van de namen, met foto van woonhuis en vermelding straatnaam mocht (M. van Berkel tegen De Telegraaf, RvdJ 1996/36). En ook de vader die klaagde over het noemen van de naam van zijn om het leven gebrachte dochter, en de publicatie van gruwelijke details, zag zijn klacht ongegrond verklaard worden. (J. Zijp tegen Het Parool, RvdJ 2000/67)
Intussen geldt ook hier datgene wat hierboven al is gezegd over de informatieverschaffing door de overheid. Politie en justitie geven in principe geen namen, laat staan initialen, meer vrij van slachtoffers. En ook hier geldt dat er iets geks in de regels zit. Waarom geldt er voor verdachten een verder gaande privacybescherming dan voor slachtoffers? De laatste groep mensen raakt immers huns ondanks in de publiciteit.   

Dan nog iets over een categorie personen die minder aanspraak kan maken op privacybescherming dan de modale Nederlander. Bekende figuren moeten zich veel, maar niet alles laten welgevallen. Zo verklaarde de Raad een klacht van actrice Gerda Havertong tegen De Telegraaf en Privé deels gegrond. Havertong zat beklemd in de wrakstukken na een ernstig verkeersongeval en gedetailleerde foto's daarvan werden in beide bladen afgedrukt.
Dat ging te ver. Weliswaar mocht Havertong herkenbaar in beeld worden gebracht, maar met het afdrukken van haar van pijn vertrokken gezicht, werden de grenzen overschreden. (G. Havertong tegen De Telegraad en Privé, RvdJ 1996/30).  
En een wethouder in Oud-Beijerland, wier lokale partij actie voert tegen drugsoverlast, moet er niet over klagen dat haar naam wordt genoemd als haar dochter in verband met drugshandel wordt opgepakt. (Van Hemert tegen De Telegraaf en Rotterdams Dagblad, RvdJ 2001-08).
Al met al gaat de Raad door de jaren heen van een aantal constante lijnen uit. Centrale boodschap: juist bij privacy moet goed rekening worden gehouden met alle betrokken belangen. Daar valt op zich weinig tegen in te brengen.  

Arthur Maandag is jurist en journalist bij Haarlems Dagblad

Besproken uitspraken

Mol tegen Algemeen Dagblad, RvdJ 1983/10
X tegen Rijn en Gouwe, RvdJ 2000/20
Wigny tegen De Limburger, RvdJ 1996/7
Merwedeziekenhuis/KNMG tegen De Dordtenaar, RvdJ 1996/11 Burgdorffer tegen Algemeen Dagblad, Nieuwsblad van het Noorden, de Volkskrant, Veronica's Nieuwslijn, EO Tijdsein, RvdJ 1988/28
M. van Berkel tegen De Telegraaf, RvdJ 1996/36
J. Zijp tegen Het Parool, RvdJ 2000/67
G. Havertong tegen De Telegraad en Privé, RvdJ 1996/30  
Van Hemert tegen De Telegraaf en Rotterdams Dagblad, RvdJ 2001/08  

Sinds 2001 worden de uitspraken van de Raad voor de journalistiek alleen nog in samenvatting in De Journalist gepubliceerd. Ze zijn volledig te raadplegen via www.rvdj.nl. Via een zoekmachine, met een zeer uitgebreide reeks trefwoorden, kunnen alle uitspraken, die sinds de oprichting van de Raad in 1961 zijn gedaan, worden opgevraagd.