Dossiers
Raad voor de Journalistiek

Uit: De Journalist nr. 19, 20-10-2000
Raad als ijkpunt voor de discussie

De Raad voor de Journalistiek ligt onder vuur. Niet door toedoen van een actiegroep van boze klagers, maar door kritiek van vakgenoten ('wassen neus', 'speelbal', 'superhoofdredacteur'). Volgens Han van Gessel, redacteur van de Volkskrant en sinds zes jaar journalist-lid van de raad, is de raad een nuttig instrument om de discussie over het vak te stimuleren.
 
Han van Gessel

In de discussie over de raad gooide Pieter Broertjes, voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren, olie op het vuur met zijn uitspraak dat het misschien beter is de raad af te schaffen als steeds meer hoofdredacteuren de raad de rug toekeren of er onverschillig tegenover staan. Hij wil nader onderzoek naar het functioneren van de raad. Op 1 november gaat hij in conclaaf met het Genootschap om te kijken hoe het is gesteld met de steun aan de raad.
Misschien is het goed als journalist-lid van de raad in te gaan op een aantal elementen in deze discussie. Het gaat mij er niet om een apologie af te steken voor de raad. Mij is het erom begonnen een aantal punten die in het geding zijn, in een juiste context te plaatsen.
Anders dan Willem van Manen schreef (NRC Handelsblad, 19 september) is de Raad voor de Journalistiek niet 'een uit angst geboren zelfreguleringsinstituut'. Volgens hem zou de raad in de jaren veertig zijn opgericht uit angst voor de invoering van journalistiek tuchtrecht door een overheid die verbolgen was over de berichtgeving in enkele kranten over de politionele acties in Nederlands-Indië. Ik denk dat hij in de war is met de in 1948 opgerichte Raad van Tucht, de voorloper van de Raad voor de Journalistiek.
De Raad voor de Journalistiek werd in 1960 opgericht na een conflict over de handelwijze van parlementair redacteur Henri Faas van de Volkskrant bij de berichtgeving over de Troonrede en de Miljoenennota. Huub Evers schrijft in 'Media-ethiek' (Wolters-Noordhoff, 1994) dat de regering toetsing van dat conflict door de tuchtraad ontoereikend vond, omdat het slechts een vorm van intern verenigingstuchtrecht betrof, waaraan Faas zich eenvoudig kon onttrekken door zijn lidmaatschap op te zeggen.
Het antwoord van de georganiseerde journalistiek was de instelling - naar het voorbeeld van de Engelse Press Council - van een raad die zou kunnen oordelen over alle journalistieke gedragingen en handelwijzen. Daarbij was geen sprake van angsthazerij, maar van een weloverwogen keuze voor een zelfregulerende instantie om niet de speelbal van een kwade overheid te worden.
Dragend beginsel is van meet af aan geweest dat de raad er niet is om te straffen, maar om bouwstenen aan te dragen voor een voortgaande discussie over journalistiek-ethische kwesties. De raad spreekt geen recht, maar geeft een oordeel. De raad werd geboren in een periode waarin solidariteit in de journalistieke gelederen hoog in het vaandel stond. Niemand was erop uit de persvrijheid te beknotten, maar het leek een goed idee als een onafhankelijke instantie de beroepsgroep in voorkomende gevallen een spiegel zou voorhouden. Doen wij het altijd wel zo goed als wij vinden dat wij het doen?
Is dat dragend beginsel achterhaald, nu het medialandschap en de samenstelling van de beroepsgroep ingrijpend zijn veranderd? Je kunt zeggen dat het gevoel tot één beroepsgroep te behoren zodanig is verwaterd dat het beter is de afzonderlijke media hun eigen boontjes te laten doppen. De komst van een ombudsman bij verschillende media kan daarbij een rol spelen. Wie klachten heeft, moet het maar met het desbetreffende medium uitvechten, zo nodig via de rechter. Aan een gemeenschappelijke zelfregulerende instantie voor de hele beroepsgroep is dan geen behoefte meer.
Dat is een te verdedigen standpunt, maar er zitten enkele haken en ogen aan. De vraag is hoe de media zelf omspringen met klachten. Uit een onderzoek dat het stichtingsbestuur van de raad in 1996 liet uitvoeren, kwam naar voren dat bij de media zelf veel mis gaat zodra een klacht binnenkomt. Journalisten stellen zich arrogant op, reageren niet op brieven, blaffen de klager aan de telefoon af, nemen de klacht niet serieus, plaatsen ingezonden brieven niet of in sterk verkorte vorm, bellen niet terug als daarom wordt gevraagd, gaan niet in op een verzoek tot rectificatie, houden zich niet aan afspraken.
Geen wonder dat klagers in voorkomende gevallen andere wegen zoeken om genoegdoening te krijgen. De rechter is dan uiteraard een goede optie. Maar is die optie voor iedereen weggelegd? Loont het de moeite - en het geld - als de kwestie niet van dien aard is dat de zaak zo hoog gespeeld moet worden? Veel klagers bij de raad gaat het meer om een simpele vorm van genoegdoening dan om het juridisch gelijk. Bovendien liggen Amerikaanse toestanden op de loer, als we in Nederland de kant op gaan van veel smaadprocessen. En dan hebben we het nog niet eens over een door de overheid afgedwongen droit de réponse.
De laagdrempeligheid is een wezenskenmerk van de Raad voor de Journalistiek, zoals ook Folkert Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, beklemtoonde. Veel zaken spelen zich af in een kleine gemeenschap, waarin klagers zich gedupeerd voelen door berichtgeving in de regionale of plaatselijke pers. Het is hun er om begonnen snel en adequaat een reactie te krijgen op hun klacht, zodat de zaak in hun eigen gemeenschap kan worden rechtgezet.
De vraag of de raad een achterhaald instituut is, laat zich ook op een andere manier beantwoorden. Juist nu het medialandschap volop in beweging is en de beroepsgroep niet meer een vanzelfsprekende eenheid vormt, is het te verdedigen dat er een onafhankelijke, gemeenschappelijke instantie is die zich buigt over journalistiek-ethische kwesties. Niet om als een 'superhoofdredacteur' (de term is van adjunct-hoofdredacteur Erik van Zwam van RTL) op te treden, maar om het debat over journalistieke handelwijzen te prikkelen en de beroepsgroep als geheel een spiegel voor te houden.
Maar heeft de raad nog wel voldoende gezag? Dat hangt ervan af hoe je met de uitspraken van de raad omgaat. Wie alleen maar kijkt naar de eigen positie, zal gauw geneigd zijn een onwelgevallige uitspraak aan te grijpen voor kritiek. Wie echter het samenstel van uitspraken gebruikt om in algemene zin te blijven nadenken over verschillende ethische kwesties (hoor en wederhoor, undercover, verborgen camera's, recht op rectificatie, gestolen informatie, privacy bescherming, nakomen van afspraken bij interviews), vindt daarin veel nuttige ingrediënten voor een verdergaand debat, ook op de eigen redactie.
De hoofdredacties spelen in dit proces een sleutelrol. Zij zijn het immers onder wier verantwoordelijkheid journalistieke producten tot stand komen. Broertjes verklaarde dat de hoofdredacteuren niets hebben aan een lame duck. Daarin heeft hij gelijk, maar hij vergeet dat de hoofdredacteuren zelf de sleutel in handen hebben om het niet zo ver te laten komen. Als zij het werk van de raad serieus nemen en con amore het convenant tekenen waarin zij zich verplichten uitspraken van de raad in hun eigen medium te publiceren, is al veel gewonnen.

Over de samenstelling van de raad bestaan nogal wat misverstanden. Van Zwam beweerde bijvoorbeeld dat het ooit de bedoeling was dat de raad een onafhankelijk college van vakbroeders zou zijn (Trouw, 9 augustus) en dat het merendeel van de raad uit niet-journalisten bestaat (De Journalist, 18 augustus). Beide beweringen zijn niet juist. De raad bestaat nu - na het vertrek van Winnie Sorgdrager - uit acht niet-journalistieke leden en negen journalist-leden, met drie juristen als onafhankelijke voorzitters. Klachten worden telkens behandeld door vier leden - twee journalisten, twee niet-journalisten - onder leiding van een onafhankelijke voorzitter.
Bij de keuze van niet-journalistieke leden gaat het om personen die op maatschappelijk gebied hun sporen hebben verdiend en geacht worden een goede kijk te hebben op de plaats en de functie van een vrije pers in een democratische samenleving. Die criteria brengen met zich mee dat het in de meeste gevallen gaat om personen die - ook in de contacten met de media - een verleden hebben. Maar is dat een reden voor de beroepsgroep om bepaalde leden te wraken? Wil de beroepsgroep liever worden beoordeeld door leden die op journalistiek gebied een onbeschreven blad zijn? Bovendien nemen leden geen zitting in een raad die een klacht behandelt in een zaak waarbij zij (in)direct betrokken zijn (geweest). Sorgdrager nam dan ook geen deel aan de behandeling van de klacht tegen RTL 4.
Oscar Garschagen vindt (de Volkskrant, 15 september) dat de raad volledig moet bestaan uit oud-journalisten die hun sporen in het vak hebben verdiend. Dat lijkt mij geen goede gedachte. Dat maakt de raad veel te kwetsbaar voor een verwijt dat nu al wel eens wordt gehoord: dat de raad de journalistiek de hand boven het hoofd houdt. Bovendien kan een raad die alleen maar is samengesteld uit oude rotten in het vak, binnen de beroepsgroep gemakkelijk leiden tot een reactie: daar heb je die oude zakken weer. Een evenwichtige mengeling van 'jong' en 'oud' bij de journalist-leden is daarom verkieslijker. Bovendien waarborgt de termijnstelling (hooguit acht jaar) een gezonde doorstroming.
  
De discussie over de Raad voor de Journalistiek komt op een goed moment. Het tempo waarin het medialandschap verandert - en daarmee de inbreng van journalisten - is nauwelijks meer bij te benen. De Raad voor de Journalistiek kan in zo'n situatie een ijkpunt vormen voor de meningsvorming over journalistiek-ethische kwesties. Daarom is het goed, zoals Frank Kuitenbrouwer deed (NRC Handelsblad, 5 september), de vraag op te werpen of stoppen met de raad niet het kind met het badwater weggooien is
.