[an error occurred while processing this directive]
[an error occurred while processing this directive]   Dossiers
Onderzoek naar Journalisten
in Nederland


Deel I

KORTE CONCLUSIES:
Mannen ruim in meerderheid
Gemiddelde leeftijd 42
Hoog opleidingsniveau
Gemiddeld f 4200,- netto
Voorkeur voor 'links van het midden'

Mark Deuze

Dit zijn in het kort de eerste resultaten van een landelijk onderzoek naar de beroepssituatie en -opvattingen van Nederlandse journalisten. De enquête, waaraan in totaal 1010 journalisten hebben deelgenomen, is gehouden in het kader van een nog lopend promotieonderzoek van Mark Deuze aan de Universiteit van Amsterdam. In dit en de volgende nummers van De Journalist vat hij de resultaten samen.

Het onderzoek
Gedurende de maanden 1010 journalisten in Nederland telefonisch geïnterviewd door een onderzoeksteam van de Universiteit van Amsterdam. Het grootste deel van deze groep werd systematisch geselecteerd uit het actieve ledenbestand van de NVJ. Daarnaast werden groepen journalisten benaderd buiten de NVJ: internet- ofwel online journalisten, allochtone journalisten en zogenaamde infotainment-journalisten. In totaal werden 2457 journalisten schriftelijk benaderd met de formele aankondiging van het project met daarbij het verzoek om mee te werken aan een telefonisch interview. Daarbij werden 135 internetjournalisten apart via e-mail benaderd om aan het interview via een speciale website deel te nemen (deze groep is vanwege de afwijkende vraagstellingen niet meegenomen in de meeste analyses). Ook werd uit een apart gedefinieerde populatie in de categorie infotainment een steekproef van 95 journalisten gebeld.

Opvallend is dat slechts een zeer kleine groep journalisten weigerde aan het onderzoek mee te doen: in totaal werd slechts 65 keer een formeel 'neen' geregistreerd. Nagenoeg alle journalisten die via de telefoon werden bereikt, wilden meewerken aan het onderzoek. Daarmee lijkt het stereotype beeld van de journalist als zijnde argwanend en negatief ten opzichte van academisch onderzoek weerlegd.

Daarnaast is de hoge Nederlandse score opvallend, omdat ons land geen traditie van beroepsgericht survey-onderzoek kent. Buiten een enquête onder NVJ-leden in 1976 bestaat dergelijk grootschalig onderzoek niet in Nederland, terwijl landen als de Verenigde Staten en Engeland een lange geschiedenis van journalistensurveys kennen; in die landen liggen de deelnamecijfers overigens op hetzelfde niveau als in ons land.

De journalisten moesten bij het beantwoorden van de in totaal 75 vragen uitgaan van zichzelf en niet van 'de journalistiek' in het algemeen. Uit de veelal zeer hartelijke en enthousiaste reacties van de respondenten bleek ook tijdens dit project dat veel journalisten het 'wel eens tijd vonden worden' dat er serieus aandacht werd besteed aan hun beroepsomstandigheden en de veranderingen daarin, gezien de turbulente situatie waarin de journalistiek zich op dit moment bevindt. Dit sentiment kwam vooral naar voren in gesprekken met internetjournalisten - een nieuwe beroepsgroep in de journalistiek zonder de formele erkenning en status die de collega's bij andere media genieten.

Doel van het project was het zo breed mogelijk in kaart brengen van de beroepsomstandigheden, achtergrond en sociale demografie van de journalistiek in ons land.

Dit omvangrijke project kwam tot stand met de steun van de NVJ, het Bedrijfsfonds voor de Pers en de Stichting Omroep Allochtonen. Het onderzoek werd uitgevoerd bij de Amsterdam School of Communications Research, ASCoR, als onderzoeksinstituut verbonden aan de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam. Het project wordt in september 2001 afgesloten.

De auteur dankt de medewerkers die de interviews hebben afgenomen: Arjen Berghouwer, Maaike de Vos, Remco Andersen, Pascal Frohn, Marleen Hamkamp, Mariette Heres, Daphna Yeshua, Christina Dimoudi, Annemarie van Lankveld, Ingeborg van Beekum, Maurice Sistermans, Ramon Schimmel, Jop van Kempen, Coralie den Adel, Silvia den Heyer en Sara Muusze.

Man/Vrouw
Met uitzondering van de landelijke publieke èn commerciële omroep is de man-vrouw verdeling in de Nederlandse journalistiek nog steeds erg ongelijk: 66 versus 34 procent. Het valt op dat zelfs bij de 'jongste' secties van de journalistiek - de publiekstijdschriften en de Internetjournalistiek - en de media waar jongere journalisten traditioneel beginnen aan hun carrière - de regionale dagbladen - de verhoudingen scheef zijn. Toch wijken de Nederlandse cijfers hierin niet of nauwelijks af van het internationale beeld in de journalistiek. De man/vrouw-verhouding per medium van de 1010 deelnemende journalisten is als volgt:

Man/Vrouw
Met uitzondering van de landelijke publieke èn commerciële omroep is de man-vrouw verdeling in de Nederlandse journalistiek nog steeds erg ongelijk: 66 versus 34 procent. Het valt op dat zelfs bij de 'jongste' secties van de journalistiek - de publiekstijdschriften en de Internetjournalistiek - en de media waar jongere journalisten traditioneel beginnen aan hun carrière - de regionale dagbladen - de verhoudingen scheef zijn. Toch wijken de Nederlandse cijfers hierin niet of nauwelijks af van het internationale beeld in de journalistiek. De man/vrouw-verhouding per medium van de 1010 deelnemende journalisten is als volgt:
 

Medium Man Vrouw Totaal
landelijk dagblad 96 34 130
landelijke radio (publiek) 50 33 83
landelijke televisie (publiek) 51 48 99
regionaal dagblad 191 50 241
regionale radio (publiek) 35 21 56
regionale televisie (publiek) 20 12 32
landelijke radio (commercieel) 6 1 7
landelijke televisie (commercieel) 17 17 34
regionale radio (commercieel) 6 1 7
regionale televisie (commercieel) 1 1 2
opinietijdschrift 21 14 35
publiekstijdschrift 85 72 157
internet 46 23 69
nieuwsdienst 23 7 30
vakblad 12 5 17
lokale omroep 1 - 1
overig media 4 6 10
Totaal 665 345 1010

Leeftijd
De gemiddelde leeftijd van de beroepsgroep is 42 jaar, wat van de Nederlandse journalisten 'oudjes' maakt in vergelijking met de situatie elders in de wereld. In China is de gemiddelde leeftijd bijvoorbeeld 35, in Australië 32, Engeland 38, Finland 40, Duitsland 35 en in de Verenigde Staten staat de teller op gemiddeld 36 jaar.

Zelfs éénderde van de internetjournalisten - qua functie toch allemaal nieuwkomers - valt in ons land qua leeftijd in de categorie 36-45 jarigen. Dit zou een gevolg kunnen zijn van de in veel mediatakken gehandhaafde stop op het aannemen van nieuwe arbeidskrachten. In plaats van nieuwe jonge mensen stromen meer ervaren journalisten uit andere afdelingen door naar vrijgekomen arbeidsplaatsen

Opleiding
Het opleidingsniveau is over het algemeen hoog: 31 procent bezocht een journalistieke HBO-opleiding (door 83 procent van hen met succes afgerond) en maar liefst 41 procent volgde ooit een universitaire studie (daarvan haalde 72 procent de eindstreep).

Politiek
Politiek gezien beschouwen de journalisten zich bijna zonder uitzondering als links (32 procent) dan wel links van het midden (47 procent), hoewel vele journalisten opmerkten dat dergelijke classificaties toch 'niet meer van deze tijd' zijn. Slechts 20 procent situeert zichzelf in het politieke midden en maar 1 procent noemt zichzelf 'rechts'.
 

Allochtonen
Opvallend is daarnaast het relatief grote aantal journalisten dat aangaf een 'niet-Nederlandse' etnische achtergrond te hebben: 8 procent. In vergelijking met 10 procent allochtonen in de categorie 'werkzame beroepsbevolking' lijkt dit een hoopvol teken voor de representativiteit in de media. Maar er is wel sprake van vertekening. Bij dit project is een speciale aanpak gevolgd die tot 'overselectie' leidde van journalisten met een niet-Nederlandse of allochtone achtergrond. Daarbij is gebruik gemaakt van gegevens van de werkgroep Migranten en Media van de NVJ en de Stichting Omroep Allochtonen. Zonder deze aanpak zou het percentage 2 in plaats van 8 procent zijn. Overigens is het zelfbeeld van een 'niet-Nederlandse' etnische achtergrond zeker niet noodzakelijk hetzelfde als 'allochtoon'.

Internet
Opvallend is dat 85 procent van de journalisten aangeeft dat het eigen medium ook een website heeft (of binnenkort krijgt). Tegelijkertijd geeft ruim tweederde van deze groep aan in het geheel niet bij deze internetactiviteiten betrokken te zijn, dan wel te worden. De Nederlandse journalist is met andere woorden wel online te vinden - alleen heeft men zelf geen stem daarin. Dit is waarschijnlijk het beste bewijs voor de stelling, dat de mediawerkgevers in ons land het World Wide Web als journalistiek medium nog steeds niet serieus nemen, maar slechts gebruiken als reclame, stortbak dan wel pamflet voor het 'moedermedium' (dagblad, tijdschrift, radio- of televisieprogramma).

De journalisten maken zelf wel bijna allemaal een paar keer per week (soms dagelijks) gebruik van het internet voor hun werk. De meeste redacties hebben tegenwoordig op alle desktops een internetverbinding

Burgelijke Staat
De huishoudelijke staat van de journalisten is - in de woorden van enkele deelnemers - samen te vatten als 'netjes'. Van de journalisten is 44 procent getrouwd, 23 procent woont samen en 32 procent is alleenstaand (vrijgezel, LAT, enzovoorts).

Levensovertuiging
Een meerderheid (68 procent) gaf aan geen 'geloof' te hebben. Maar er was een hoge score in de categorie 'overig', namelijk 15 procent. Dat is opvallend omdat er tamelijk uitputtend werd gevraagd naar de categorieën katholiek, protestant, islamitisch en joods (samen 17 procent). De opmerkingen bij 'overig' zijn uitermate divers: van taoïstisch, hindoeïstisch en boeddhistisch tot baha'i. Wellicht is er sprake van een hernieuwde spiritualiteit in een toch zeer ervaren, hoog opgeleide en professionele beroepsgroep. De vraag is en blijft natuurlijk in hoeverre hier sprake is van een actief zelfbewustzijn op levensbeschouwelijk gebied.

Parttimers
Ongeveer tweederde van alle journalisten werkt fulltime. Dat is wel eens anders geweest: uit een onderzoek onder Nederlandse dagbladjournalisten medio jaren tachtig bleek dat toen nog bijna iedereen fulltime werkte. Nu ligt dat cijfer voor de journalisten van landelijke dagbladen op 69 procent en van regionale kranten op 84 procent.

Vaste baan
Qua arbeidscontracten is er sprake van een hoge arbeidszekerheid: 68 procent heeft een contract voor onbepaalde tijd. In totaal 21 procent ziet zichzelf primair als freelancer. Het verlangen naar rechtszekerheid is terug te zien bij de toekomstperspectieven: slechts tien procent van de ondervraagden gaf aan binnen nu en vijf jaar de journalistiek te willen - of in geval van bijvoorbeeld vut: te moeten - verlaten.

Salaris
Het gemiddelde netto maandsalaris van journalisten is 4.200 gulden in voltijds dienstverband en 4.000 gulden als freelancer. Het gemiddelde salaris van een journalist wijkt echter sterk af bij de landelijke commerciële omroep: daar worden bedragen tussen de 5.000 à 6.000 gulden genoemd. De laagste salarissen worden genoteerd bij de regionale omroep en de publiekstijdschriften: gemiddeld zo'n 3.700 gulden.

Ervaring
De meeste journalisten werken al geruime tijd in dit beroep: vrouwen hebben ongeveer tien jaar werkervaring waar mannen gemiddeld vijftien jaar in het vak zitten. In die tijd verslijten zo'n beetje alle journalisten drie à vier werkgevers; de freelancers hebben er dan al ongeveer tien werk- en opdrachtgevers op zitten.

Functies
Tot slot een korte beschrijving van de functies. Van de deelnemende journalisten noemde 12 procent zich chef-, adjunct- of hoofdredacteur, 62 procent is redacteur dan wel verslaggever, 11 procent doet de eindredactie en de rest valt in de categorie 'overig' (producent, regisseur of 'eigen baas'). Uit de enorme hoeveelheid functietitels die de journalisten opgaven blijkt dat er geen sprake is van eenheid in terminologie van redactionele, functionele of zelfs cao-verhoudingen in formele zin. Het wordt dus spannend om dieper te graven naar de informele organisatie op de werkvloer. Het volgende artikel over dit onderzoek zal met name hieraan aandacht besteden in de context van de beroepsopvattingen, journalistieke doelen en ook ethiek van de Nederlandse journalist.


 

 
[an error occurred while processing this directive]