Artikel

DJ nr.5, 16 maart 2007
terug naar voorpagina                 zie ook:
                                            
Weblogs van journalisten
                                            
(Dutch) Bloggies

                                   
Een wereld
zonder journalisten?

‘Gij zult bloggen!’ Zo luidt het adagium voor journalisten van nu. Een elfde gebod dat bovenaan is komen te staan. ‘Blog of verdwijn!’

Jacqueline Wesselius,
mmv
Roel Griffioen,
Bo-Anne van Egmond

Veel journalisten hebben zich al geconformeerd aan die ‘eis’ – soms zelfs een échte eis van werk- of opdrachtgever. Ze bloggen of hun leven ervan afhangt. Thomas Erdbrink in Teheran (NRC) is er één van. Hij schrijft bijna elke dag, en krijgt veel reacties. Geen wonder: zijn nieuws-achter-het-nieuws, vaak vermengd met verhalen over zijn kleurrijke Iraanse schoonfamilie, geven een leuk inkijkje in zijn ‘keuken’. Ook GPD-correspondenten Remco Reiding in Moskou en Marloes de Koning en Werner Bossmann in Belgrado – wier bureaubelgrado.nl vorig jaar in Berlijn werd uitgeroepen tot beste Nederlandse weblog – bloggen er op los, evenals onze eigen correspondente Runa Hellinga (ook Trouw) in Boedapest. De een ‘post’ wat vaker dan de ander, maar allemaal proberen ze iets van zichzelf te laten zien.
Dat is wat een weblog moet toevoegen: het persoonlijke. Het ik. Want het internettijdperk valt samen met het ik-tijdperk. Ik, lezer, consument, stel mijn eigen selectie samen uit het giga-aanbod op het web. En ik reageer op jou – en andersom. Zo kunnen (discussie)groepen ontstaan, aangeduid als ‘communities’: mensen die iets gemeen hebben: van een ziekte tot vliegvissen tot fuchsia’s kweken. Op ons eigen gebied kan het gaan om ­politieverslaggevers of onderzoeksjournalisten, of desnoods om filmrecensenten gespecialiseerd in horrorfilms voor 60-plussers. You name it.
Elk thema is denkbaar. En of dat nu twee, honderd of drieduizend mensen raakt, doet er niet toe. Waar het lastig zou zijn een papieren medium te vinden om deze groep te binden, is internet ideaal. Op dezelfde manier kan ook iedereen het ‘nieuws’ consumeren dat hem of haar interesseert, en ook nog eens in de gewenste vorm (letters, beeld, geluid, met of zonder Google Earth...) en op het tijdstip dat het beste uitkomt. Aan een bericht of ‘posting’ hecht je desgewenst een ‘tag’, een soort label om dingen te archiveren en weer terug te kunnen vinden. En zo kun je een heel dossier samenstellen, voor eigen of collectief gebruik.
Geniaal.
Tot zover is iedereen het eens.

Maar dat houdt op zodra het over de toekomst gaat: niet alleen de toekomst van de ‘traditionele’ (in het bijzonder: papieren) media, maar ook en vooral die van de journalistiek. Wat moeten we bijvoorbeeld met het begrip ‘burgerjournalistiek’? Is dat journalistiek voor of door niet-journalisten? Civic journalism – de eerste variant – of civil journalism – de tweede? En in het verlengde hiervan: wat zijn voor fotografen de gevolgen van al die met mobieltjes gemaakte amateur-foto’s die iedereen maar op het net smijt en die soms nieuwswaarde blijken te hebben? We hebben deze discussie al dikwijls gehad – maar eruit zijn we nog lang niet. Zoals we ook nog niet weten wat we moeten met berichten over de dorpspomp in Lutjebroek of met een onscherpe foto van een wethouder die in de poep trapt. Is dat ‘journalistiek’? Kan ‘iedereen’ zich in de toekomst ‘zomaar’ journalist gaan noemen? Waar dienen al die opleidingen dan voor?

Sinds enkele jaren – 2002, om precies te zijn – worden journalisten gemaand om toch vooral met hun ‘poten in het bluswater’ te gaan staan. Onderwijl zit Pietje Puk in pyjama op zijn zolderkamertje op te tikken wat hij hoorde van tante Fietje, die het weer heeft van Ome Rinus, die het opving bij de sigarenboer. Pietjes bericht wordt overgenomen door een Volkskrantblogger, en een brede discussie barst los. Hart van Nederland stuurt een televisieploeg, waarna Vier in het Land niet achter kan blijven en het bericht – of wat er van over is – bereikt tenslotte het Acht Uur Journaal. Waarop blijkt dat Ome Rinus doof is en tante Fietje dement.

Waar gaat het allemaal heen?
Mark Deuze en Henk Blanken, van wie pas het boek ‘PopUp’ verscheen, weten het wel: via analyses van de maatschappelijke ontwikkelingen én van de (massa)media gedurende de laatste drie decennia, concluderen zij dat – om met de door hen geciteerde socioloog Zygmunt Bauman te spreken – ‘het leven van de mens een snackbar (is): niets lijkt langer dan een dag houdbaar.’ Alles verandert voortdurend. Mensen – vooral van de ‘Yahoo-generatie’ – doen een tijdje dit, een tijdje dat, een studie zo, een stage zus, enzovoorts. In navolging van Bauman – die deze veranderlijke samenleving ‘vloeibaar’ noemt – introduceren Deuze en Blanken het begrip ‘vloeibare journalistiek’. De gebruiker is tevens (mede-)maker: Wikipedia is een goed voorbeeld van deze ‘vloeibaarheid’, maar denk ook aan de lokale sites van een regionaal blad als Tubantia, waarop inwoners zelf nieuws (en foto’s en filmpjes) kunnen plaatsen. Er zijn tegenwoordig meer van dit soort initiatieven, zoals het ‘lezersplein’ van het AD of ‘Trouw in de buurt’ – voor, inderdaad, plaatselijk nieuws, dat door middel van een kaart ook daadwerkelijk gelokaliseerd wordt. Heel veel heeft de berichtgeving-van-om-de-hoek (nog) niet om het lijf. De Tubantia-sites zijn vooral prikborden, met minder berichten van ‘burgers’ dan van de plaatselijke politie, de voetbalclub, of de gemeente. Veel opmerkelijker is de grote vlucht van alle discussiefora op internet. Niet alleen in de ‘blogosphere’, ook op sites van ‘traditionele’ media. Meestal met een moderator die het kaf van het koren scheidt, maar in een enkel geval – zoals bij het Britse The Guardian – zonder.

Natuurlijk, kranten – en in mindere mate omroepen – hadden altijd al contact met hun lezers of luisteraars. Vroeger gold: hoe kleiner of specifieker de club, hoe groter de respons. Vara-leden hadden van oudsher meer een clubgevoel dan die van de Avro en reageerden dus makkelijker. Kranten als Het Parool, Het Vrije Volk of Trouw waren door hun oorsprong nauw verbonden met hun lezers – veel meer dan, in de jaren ’60 al, de Volkskrant – en die voelden zich niet ‘abonnee’, maar ‘lid’. Als ze iets kwijt wilden, belden ze hun ‘club’ vaak gewoon op. Hetzelfde gold voor regionale kranten. Nu is echter bij alle media, ook de ‘grote’, de ‘onpersoonlijke’ zoals de NOS, de drempel voor reacties een stuk lager geworden. Bevalt iets niet (of juist heel erg)? Eén klik en je reactie staat erop. En je discussieert met de ‘grote jongens’ mee.

Dát zal zo gauw niet weer verdwijnen. Maar in hoeverre beïnvloedt dat de journalistiek? Twee opmerkingen in dat verband. Ten eerste is het altijd een klein clubje dat zich in de discussies mengt. Zowel op de publiekssites als daar waar journalisten onderling debatteren. Theo Dersjant, een van de motoren achter De Nieuwe Reporter, schrijft ‘een grote invloed’ toe aan ‘social newssites als Reddit.com en Digg.com. (…) Maar bij bijvoorbeeld Digg, met 900.000 geregistreerde deelnemers, bleken in een drie weken durend onderzoek slechts dertig (!) burgerjournalisten verantwoordelijk voor eenderde van alle postings.’ Trouw heeft ook zo’n onderzoekje gedaan en kwam tot dezelfde conclusie.
De tweede constatering is dat er hier en daar een soort internetmoeheid lijkt op te treden. Zowel bij surfers van het eerste uur als bij jonkies van rond de twintig. En bij alles daar tussenin. Ze melden zich niet meer aan bij hun messenger, zijn het bloggen beu en laten soms zelfs de e-mail voor wat-ie is. En ze gaan lekker op een terras zitten (met een krant!) of desnoods in een zaaltje om fysiek te debatteren met levende mensen. Weg van de virtuele wereld! Is het een trend? Een contra-trend? Wie zal het zeggen?

Er zijn er die precies weten hoe de toekomst eruit ziet. Volgens sommigen zal er ‘altijd’ een plek zijn voor ‘de’ krant – de papieren krant. Theo Bouwman, oud-topman van PcM, is er één van. Anderen – onder wie Deuze en Blanken – weten even zeker dat de papieren krant gaat verdwijnen – op de lange duur, dat wel, als de jaarlijkse oplagedaling (zo’n drie procent) gelijk blijft. Maar een tegen-trend bestaat ook hier, in de vorm van de gratis kranten en vooral nrc.next. Soms kan dus ook een ‘traditioneel’ medium aanslaan. Maar wat is eigenlijk ‘traditioneel’? De ‘media’ zoals we die kennen, bestaan nog niet zo lang. Radio is nog geen eeuw oud, televisie in de huiskamer amper een halve eeuw. En de kranten in hun huidige verschijningsvorm (en oplagen!) zijn ook vooral een naoorlogs verschijnsel.

En de journalistiek? Journalisten waren er al in de 19e eeuw. Zij deden maar wat. De eerste lichting van de oudste School voor Journalistiek in Nederland studeerde af in 1966. De professionalisering van journalisten is dus iets van de laatste decennia. Maar terwijl de opleidingen steeds meer en beter opgeleide journalisten afleveren, verdwijnen er meer en meer banen. En is er steeds meer sprake, niet van ‘nieuws’, maar van ‘content’, aangeleverd door ‘gebruikers’ – journalisten lijken overbodig te worden. ‘De mensen kunnen het zelf wel af’, zegt Blanken. ‘Kijk maar naar de news groups waar ze elkaar informatie verschaffen. En of dat nou journalistiek is of niet, interesseert ze niet.’
Toch zien hij en mede-auteur Deuze nog wel een toekomst voor journalisten – op voorwaarde dat zij bepaalde regels in acht nemen. Waarbij die van transparantie en betrouwbaarheid misschien de opmerkelijkste zijn – in een tijd waarin elke chatter zich voor een ander kan uitgeven, en iedere gek ‘nieuwtjes’ de wereld in kan sturen zonder op de vingers te worden getikt. Hoewel – die professionaliteit, die we zelfs op internet nog nodig schijnen te hebben en die ons onderscheidt van de ‘burgers’, kon wel eens het verschil maken.
Toch, in het Franse Rijsel, waar net de Internationale Assisen van de journalistiek zijn gehouden, verrees het spookbeeld van ‘een wereld zonder journalisten’, dankzij de internet-doe-het-zelvers. Geen wonder dat bijna alle journalisten, blijkens een onderzoek, ‘burgerjournalistiek’ afwezen. En slechts iets meer dan de helft stond positief tegenover het blog-verschijnsel. Het publiek, van zijn kant, gaf aan meer reportages en achtergrond-informatie te wensen en ook meer (lokaal en regionaal) nieuws op internet. En meer kwaliteit en diepgang. In een ander onderzoek zei een meerderheid van de ondervraagden ‘de’ media niet te vertrouwen, maar de journalisten zelf waren overtuigd van hun eigen kwaliteiten (68 procent). Minder dan één op de drie gaf toe wel eens iets verkeerd te doen – en dan nog vooral uit tijdgebrek.
Misschien is dát het probleem. Misschien moeten we bescheidener worden. Online of offline.         terug naar top